Home Blog Pagina 5

DEN UIJL EN VAN DER SCHOOT VORMEN DE RUGGENGRAAT VAN HET NIEUWE SVW

0

Mauro den Uijl en Finn van der Schoot zijn allebei zeventien, groeiden samen op bij SVW, en staan dit seizoen voor het eerst allebei vast in het eerste elftal.

 

SVW begint dit seizoen namelijk weer helemaal onderaan de streep. Vorig seizoen ging het mis. De beschikbare budgetten vielen weg en daarmee verdween ook de motivatie van een aantal spelers.

Van der Schoot zag het misgaan in de kleedkamer. “Niemand was nog echt met voetbal bezig, maar meer met randzaken” Den Uijl hoorde de verhalen ook. “Opeens zag je jongens niet meer meetrainen die dat normaal wel deden, omdat ze geen vergoeding meer kregen. Ergens snap ik hun dat ook wel. Maar voor mij is het nog steeds gewoon voetballen voor de lol. Geld is bijzaak.”

Dit seizoen is de selectie grotendeels vernieuwd en jong. Beide jongens verwachten een zwaar seizoen. “We beginnen weer onderaan de streep,” zegt Van der Schoot. “Ik denk dat er wel meerdere mensen vanuit gaan dat we zullen degraderen. Maar dat is ook logisch.” Den Uijl ziet het seizoen vooral als een soort opleiding. “We moeten gewoon ervaring opdoen met z’n allen, als team, als staf, als hele club. Alles is nieuw.” Degraderen zou voor geen van beiden een drama zijn. “Dat zou je niet als iets ergs moeten zien,” vindt Den Uijl.

Vrienden sinds de jongste jeugd

Wat beiden drijft, is de band met de groep. Den Uijl en Van der Schoot speelden al samen vanaf de Onder 8, en dat is volgens Van der Schoot goed te merken. “We weten elkaar blindelings te vinden op het veld.” Van der Schoot kiest bewust voor die sfeer. “Ik heb veel liever dat ik plezier maak met mijn vrienden bij het eerste, dan dat ik in een elftal zit waar de sfeer klote is.”

Beide jongens kwamen ongepland in de verdediging terecht. Den Uijl begon als aanvaller en werd vanaf de Onder 16 steeds verder naar achteren geschoven, mede door blessures. “Maar het is inmiddels wel mijn plek,” zegt hij, al blijft hij eigenlijk liever middenvelder. Van der Schoot speelde zijn hele jeugd als linksbuiten en spits, tot zijn trainer hem twee jaar geleden achterin neerzette. “Dat pakte zonder fouten uit.” Beiden zijn sterk in het lezen van het spel en rustig aan de bal, maar missen nog wedstrijdervaring in het duelleren. “Dat is gewoon wedstrijdritme opbouwen,” zegt Van der Schoot.

Ondanks hun vaste plek blijven beide spelers nuchter. Den Uijl merkt dat zijn rol binnen het team compleet is veranderd. Waar hij vorig jaar tussen ervaren spelers de jongste was die moest luisteren, moet hij nu zelf gaan coachen. “Dat werd voor mij altijd gedaan. Nu wordt er juist veel van mij verwacht.”

Van buitenaf oogt SVW dit seizoen misschien als een club in crisis. Van der Schoot herkent dat beeld, maar is het er niet mee eens. “Het lijkt heel negatief, maar bij ons is het juist heel positief. Wel is nog zoeken naar houvast en structuur.”

Den Uijl pakte in het begin van het seizoen een rode kaart. “Ik legde heel licht mijn hand op mijn tegenstander. Hij deed het slim en liet zich vallen. Het kostte ons een rode kaart, een penalty en dus de wedstrijd. Dat soort dingen mis je gewoon nog aan ervaring.” Beiden geloven dat geduld zich uiteindelijk uitbetaalt. Zoals Van der Schoot het verwoordt: “Ik denk dat we als team, na een jaar ervaring pas echt mooie stappen kunnen gaan maken.”

VAN BAALEN WERD OP ZIJN 36E VOORZITTER VAN ASPEREN

0

Sinds februari is Huub van Baalen (36) voorzitter van Asperen. Hij maakt deel uit van een compleet vernieuwd bestuur van tien mensen, dat zich meldde op een moment dat de club dreigde zonder bestuur te komen zitten.

Het vorige bestuur maakte op de laatste ledenvergadering bekend dat het echt wilde stoppen, zonder dat er opvolgers klaarstonden. De stemming in de zaal over opvolging was negatief. „Het idee was: als je in het bestuur gaat, krijg je alleen maar gezeik over je heen.”

Van Baalen wilde daar niet zomaar in meegaan. „Ik zei: volgens mij hoeft het helemaal niet zo negatief te zijn. We hebben een financieel gezonde club, een mooie accommodatie en hartstikke veel leden. Er is dus juist heel veel om trots op te zijn.”

Samen met Stichting Welzijn West Betuwe en Vereniging organiseerde de club vervolgens een avond om uit te leggen waarom een bestuur nodig is. Niet vanuit negativiteit, maar juist door te laten zien wat er allemaal mogelijk is als mensen samen de schouders eronder zetten. Het resultaat: uiteindelijk stonden er tien mensen op.

‘Wat kan er fout gaan?’

Zelf had Van Baalen aanvankelijk helemaal geen ambitie om voorzitter te worden. Toch werd hij een beetje naar voren geschoven. „Ik ben al dertig jaar lid en ken de club natuurlijk goed. Op een gegeven moment dacht ik: waarom ook niet? Wat kan er nou fout gaan?”

Achteraf ziet hij het vooral als een kwestie van gewoon beginnen. „Ik denk liever aan wat er goed kan gaan. De dingen die fout gaan, tackelen we onderweg wel.” Bewust koos het nieuwe bestuur voor een ruime bezetting. Veel functies zijn dubbel belegd. Naast Van Baalen is er een vicevoorzitter met meer bestuurservaring, er zijn onder andere twee penningmeesters en twee secretarissen. Daarmee wil het bestuur voorkomen dat de club afhankelijk wordt van een paar mensen en tegelijkertijd zorgen dat de taken goed verdeeld worden.

Ook communicatie krijgt veel aandacht. De Instagram-pagina groeit, er is een WhatsApp-community voor nieuws en peilingen en leden worden steeds vaker betrokken bij beslissingen. Zo mochten zij onlangs meestemmen over de nieuwe kledinglijn voor volgend seizoen.

Zelf nog altijd op het veld

Het voorzitterschap houdt Van Baalen niet van het veld. Hij voetbalt zelf nog in het derde en is daarnaast trainer van de JO11. „Ik ga niet stoppen met voetballen omdat ik voorzitter ben geworden.”

Zijn kijk op het voorzitterschap is bescheiden. „Dit interview hoeft voor mij ook helemaal niet. Ik vind het veel belangrijker om de mensen te noemen die iedere week voor de club klaarstaan. Onze scheidsrechters, de mensen die de velden verzorgen, de schoonmakers en al die andere vrijwilligers. Zonder hen kunnen we als vereniging niet bestaan.”

Dat vrijwilligerswerk is volgens hem ook een van de belangrijkste uitdagingen voor de club. „Het is best bijzonder hoeveel werk er iedere week achter de schermen wordt gedaan. Vaak zie je dat pas als iemand ermee stopt. We kunnen daarom altijd nieuwe mensen gebruiken die een steentje willen bijdragen.”

Van Baalen begon als klein jochie bij de club, dromend van het profvoetbal, zoals ieder kind. „Ik ben nog steeds voetbalgek.” Hij woont zelf tegenover het veld en niets vindt hij mooier dan op zaterdagochtend kinderen te zien trappelen om te voetballen. „Lekker met je vriendjes voetballen en als je later volwassen bent, nog steeds met je vrienden bij de club komen. Dat is denk ik precies wat de club voor mij betekent: saamhorigheid.”

PAPILAJA METEEN KAMPIOEN BIJ ASV ARKEL

0

Ricardo Papilaja (38) is pas drie seizoenen actief als trainer. Vorig jaar debuteerde hij als hoofdtrainer bij ASV Arkel. Meteen werd hij kampioen, met tien punten voorsprong. Dit seizoen moet de ploeg laten zien dat het geen toeval was.

Dat kampioenschap kwam niet vanzelf, benadrukt Papilaja. “Je zou het bijna denken, met die voorsprong, maar het was niet altijd een makkie. We hebben best wel wedstrijden gespeeld waarin we het lastig hadden. Een mooi voorbeeld is Lekvogels uit, vroeg in de competitie. Toen wilden we maar niet scoren, en dan ga je op een gegeven moment een beetje tegen jezelf aan lopen voetballen.” Scoorde de ploeg eenmaal, dan ging het daarna vaak wel weer makkelijk. Ook geluk speelde mee. In de laatste fase van de competitie verspeelde Arkel weleens een punt, maar deden de concurrenten dat net zo goed.

De selectie is deze zomer breder geworden. Youri de Jong keerde terug, net als Dylan Verschoor. Daan Ruwaard kwam over van Unitas zondag. Daarnaast sloten nog drie spelers van Unitas zaterdag aan. “Mits iedereen fit blijft, zijn dat zeker drie versterkingen erbij.”

Van assistent tot kampioenstrainer

Papilaja’s trainerscarrière gaat snel. Zijn eerste seizoen was als assistent bij Asperen, waar hij driect kampioen werd. Vorig jaar volgde zijn eerste klus als hoofdtrainer, bij Arkel, en opnieuw was het prijs. Dit jaar werkt hij aan zijn cursus VC3, die hem bevoegd maakt voor de tweede klasse. “Ik wil zo hoog mogelijk komen. Ik hoop na dit seizoen VC3 te hebben, en uiteindelijk wil ik ook door met VC4. Hoe snel dat gaat, weet ik nog niet.”

Zelf voetbalde Papilaja jarenlang op een aardig niveau, bij Heukelum, Roda Boys, Schelluinen, WNC en LRC. Zijn hoogste niveau was destijds de eerste klasse, één klasse onder het hoogste amateurvoetbal-niveau. Hij is vooral gestopt omdat hij bij Heukelum medespelers miste die net zo fanatiek waren als hijzelf. “Ik wil gewoon met jongens op het veld staan die er alles aan willen doen. Niet jongens die het ook prima vinden als ze winnen of verliezen. Ik was altijd vet zuur als we verloren.”

Een echte dorpsclub

Over Arkel is Papilaja uitgesproken positief. “Het is gewoon een hele leuke dorpsclub. Over de hele breedte kent iedereen elkaar, en iedereen maakt een praatje met je. Het is een familievereniging, gemoedelijk, zonder dat er echt druk is om te presteren.” Wel ziet hij dat de club serieus bezig is om jeugdspelers te laten doorstromen naar de senioren, met een duidelijk plan.

Hoe hij bij Arkel terechtkwam? Bestuurslid Rocco Ooms belde in december. Papilaja deed op dat moment zijn trainerscursus, en Arkel zocht een jonge trainer. Een gesprek met de spelersraad volgde al snel, en de klik was er meteen. In januari werd het officieel bekendgemaakt. Het kampioenschap zelf bracht geen traan, maar wel spanning. In de slotfase moest een plichtsgetrouwe uitwedstrijd gewonnen worden. Toen het Arkel niet lukte om de wedstrijd naar zich toe te trekken, ontplofte Papilaja in de rust, tot groot plezier van de groep nu. “Daar wordt nog steeds om gelachen. Ik ging helemaal uit mijn plaat.” In de daaropvolgende wedstrijd wist de ploeg een kwartier voor tijd al dat het kampioen was. “Je hebt er een heel seizoen naartoe gewerkt.”

VAN DEN DUNGEN ZET GROTE STAP OMHOOG BIJ WNC

0

Van de derde klasse naar de vierde divisie: Sil van den Dungen (19) maakte deze zomer een flinke sprong. Niet alleen, want twee jeugdvrienden gingen mee naar WNC.

Bij OSC draaide Van den Dungen een prima seizoen, al liep het wisselvallig. “De ene wedstrijd maakte ik er vier, de andere niks.” Genoeg voor trainer Cor Prein van WNC om hem te bellen. Prein kent de hoofdtrainer van OSC goed, en zo kwam de overstap tot stand. Twijfels waren er wel, ook bij mensen om hem heen. “Veel mensen zeiden: zou je dat wel doen, zo’n stap in één keer? Maar ik wilde het gewoon proberen.” Inmiddels is hij blij verrast hoe goed het gaat.

Zijn pad daarnaartoe liep niet rechtlijnig. Van den Dungen doorliep zijn hele jeugd, tot en met de onder 19 bij OJC Rosmalen, tot de club uit de competitie werd gezet. Omdat zijn moeder in de buurt woonde en hij er veel bekenden had, koos hij voor OSC uit Nijmegen. Daar speelde hij een seizoen in de Onder 23, werd hij al snel bij het eerste betrokken en volgde een volledig seizoen in de hoofdmacht. Dat seizoen maakte de buitenspeler negen doelpunten en tien assists waarmee hij zich in de kijker speelde bij WNC.

Sneller en scherper

Het verschil met de derde klasse voelt hij. “Het spel gaat veel sneller aan de bal. In de derde klasse kon je tien kansen weggeven, en ging er misschien eentje in. Hier vliegt de bal er bij één foutje gelijk in. Het is allemaal net wat scherper en beter.” De eerste weken op de training moest hij daaraan wennen, maar inmiddels voelt hij zich, naar eigen zeggen, redelijk op zijn plek.

Niet vanwege papa

Dat zijn vader al veertien jaar bij WNC actief is, als keeperstrainer, gaf Van den Dungen in het begin wel een ongemakkelijk gevoel. “Ik was eerst wel bang dat mensen zouden zeggen: hij speelt hier door zijn vader.” Die zorg is inmiddels grotendeels weg. Zijn vader bemoeit zich niet met de opstelling en zit zelfs niet in de dug-out tijdens wedstrijden. “Hij staat er eigenlijk helemaal los van.”

De voorbereiding begon op 28 juli. Van den Dungen sloot iets later aan vanwege een vakantie, maar draaide daarna zo’n drie weken mee, inclusief oefenwedstrijden tegen tweede- en eersteklassers. De eerste competitiewedstrijd, uit tegen een vierde divisionist, werd met 3-0 gewonnen. Van den Dungen stond in de basis en speelde ruim een uur. “Voor mezelf een prima wedstrijd. Niet uitstekend, maar dat is denk ik ook wel logisch, met het niveauverschil.”

Herenigd met jeugdvrienden

Bijzonder aan de overstap is het gezelschap. Jens van de Weijenberg en Koen Steenbakkers. Beide spelers zijn al sinds kleins af aan vrienden van Van den Dungen. Eerder speelden ze ook samen bij OJC Rosmalen. Koen speelt bovendien linksback, waardoor de twee nu samen de linkerflank bemannen. Concrete individuele doelen heeft Van den Dungen niet. “Gewoon zoveel mogelijk spelen, en een goed seizoen neerzetten. Het is voor mij ook pas mijn eerste seizoen op dit niveau.”

MEIJDAM BLEEF HEUKELUM TROUW ONDANKS KANSEN ELDERS

Benjamin Meijdam (33) speelde zijn hele jeugd en vrijwel zijn complete seniorenloopbaan bij Heukelum, omringd door vrienden. Op één avontuurlijk jaar bij Sliedrecht na bleef hij zijn club altijd trouw, ondanks interesse van clubs die klasses hoger speelden.

Interesse van elders was er genoeg. Jarenlang klopte LRC bijna ieder seizoen aan, en ook IJsselmeervogels, Roda Boys en WNC toonden interesse. “Ik had altijd zoiets van: ik hoef niet per se weg.”

Het uitstapje naar Sliedrecht

Drie seizoenen geleden deed hij het toch: zijn oud-trainer Marco Verbeek was trainer bij Sliedrecht en vroeg of zijn oud-speler, Meijdam, naar de club kwam. Vlak voor de eerste officiële wedstrijd van het seizoen, een bekerduel, kwam Verbeek echter vertellen dat hij zelf alweer vertrok, naar Baronie. “Maar hij zei: je kan nu nog stoppen. Want je hebt nog geen wedstrijd gespeeld.” Maar Meijdam, die vond dat hij zijn woord naar de club al had gegeven, bleef. In de voorbereiding vielen vijf belangrijke spelers geblesseerd uit, waardoor hij al tijdens het tweede bekerduel de aanvoerdersband kreeg, nog voordat hij goed en wel ingeburgerd was. Het team eindigde stijf onderaan. “Maar de sfeer was top. Ik heb er echt vrienden aan overgehouden. We wisten al snel dat het een verloren seizoen was, dus maakten we er maar het beste van.”

Na dat seizoen lag er al een akkoord met WNC, destijds actief in de vierde divisie. Ruim voor de start van het nieuwe seizoen trok Meijdam zich alsnog terug. De reismotivatie woog zwaar: twintig minuten rijden, vier keer per week, een groot deel van het seizoen in de regen en kou. “Toen zat heel dat jaar bij Sliedrecht alles qua gevoel zo zwaar tegen. Ik dacht: hou het maar simpel.” Hij koos voor Heukelum, waar de club op een paar minuten fietsen ligt, en voor zijn vrienden.

Dit is nu zijn derde seizoen terug bij Heukelum. De selectie is al drie jaar grotendeels hetzelfde, al zijn de jongens die bij zijn terugomst 18 of 19 waren inmiddels begin twintig en een stuk ervarener. De ploeg degradeerde van de derde naar de vierde klasse, en promoveerde vorig jaar weer terug.

Dramatische nacompetitie

Die promotie kwam tot stand via een bijzonder verhaal. Heukelum eindigde als tweede achter kampioen Arkel, wat één enkele nacompetitiewedstrijd betekende, tegen DSC uit Dordrecht. Negentig minuten lang was Heukelum de betere ploeg, maar de keeper van DSC hield alles tegen. Een ongelukkig doelpunt bracht DSC op voorsprong, waarna de tegenstander op tijd ging spelen. Tien minuten voor tijd kwam Heukelum via een vrije trap alsnog langszij. In de verlenging kreeg DSC een rode kaart, en uiteindelijk moesten strafschoppen de beslissing brengen. Meijdam nam zelf de verantwoordelijkheid, ondanks een eerder gemiste penalty in de competitie. “Ik vind dat je als aanvoerder die verantwoordelijkheid moet nemen.” Hij scoorde, en de Heukelum-keeper redde de beslissende strafschop van DSC.

Van 10 naar laatste man naar 6

Op het veld maakte Meijdam een eigen verschuiving door. Van oorsprong een 10, werd hij bij zijn terugkeer vooral op de laatste linie gezet nadat de ploeg te veel doelpunten tegen kreeg. Zo’n anderhalf seizoen stond hij als laatste man. Sinds een paar weken heeft nieuwe trainer John van Loen hem weer iets naar voren gehaald, naar de 6.

Grote ambities voor dit seizoen heeft Meijdam niet. “Als we lekker in de middenmoot meedraaien, is dat voor ons dikke prima.” Een promotie naar de tweede klasse verwacht hij met deze selectie niet meer mee te maken. Daar kan hij mee leven.

Ook zijn broer keerde terug bij Heukelum, na eerdere omzwervingen bij IJsselmeervogels en LRC. Een eigen bedrijf maakte trainen al snel onhaalbaar, waardoor hij het seizoen niet afmaakte. Inmiddels voetbalt hij ontspannen in het derde, zonder verplicht te hoeven trainen. “Ik ga elke thuiswedstrijd van hem kijken. Hij heeft er in vijf wedstrijden al tien of twaalf gemaakt geloof ik.”

COR PREIN MAAKT EINDE AAN KAMPIOENSDROOGTE VAN WNC

0

Cor Prein (45) begint dit seizoen aan zijn veertiende jaar als trainer van WNC. Een zeldzame staat van dienst in het amateurvoetbal. Vorig seizoen werd Prein voor het eerst kampioen met zijn club.

Het laatste kampioenschap van WNC dateerde uit 2005. Prein hield de groep het hele seizoen voor hoe bijzonder een kampioenschap op seniorenniveau eigenlijk is. “Ik heb de jongens gevraagd: kijk eens naar jezelf, hoe lang voetbal je al, en hoe vaak ben je eigenlijk kampioen geworden? Dan kon ik er in onze groep maar weinig opnoemen die dat op seniorniveau ooit hadden meegemaakt. In de jeugd wordt iedereen weleens kampioen. Bij de senioren is dat echt bijzonder.”

Vanaf dag één was het doel duidelijk. “We gaan dit jaar kampioen worden.” Uiteindelijk werd het WNC met zo’n vier punten voorsprong, beslist op de laatste speeldag, in een competitie die zwaarder bleek dan verwacht. Rivaal Roda Boys hield lang stand, terwijl andere ploegen waar Prein vooraf meer van had verwacht juist tegenvielen. Ondanks flink wat blessures en gedwongen wissels in de opstelling noemt Prein zijn ploeg een terechte kampioen. “We hebben gewoon een hele goede selectie.” Voor een aantal spelers was dit kampioenschap waarschijnlijk extra bijzonder. Michael Soepnel gaat zijn tiende seizoen bij WNC in, Roman Rahmani zijn achtste en Kay van den Boogaard zijn zevende. Tegelijk komen er ieder seizoen ook weer vijf, zes nieuwe gezichten bij.

De kampioenswedstrijd zelf verliep moeizaam. WNC trof de nummer laatst, al gedegradeerd, en had het toch lastig. “Bal op de paal van hun kant, en onze keeper pakt nog een goede bal. Ik moet eerlijk zeggen dat we behoorlijk zenuwachtig speelden. Het bleef in de eerste helft gelukkig 0-0.” In de rust volgde een duidelijke boodschap. “Ik heb gezegd: als we in dit tempo blijven spelen, gaan we het niet redden. Je hebt nog 45 minuten om iets te doen waar je een heel jaar voor hebt gewerkt. Laat dat niet wegglippen.” WNC kwam beter uit de kleedkamer en scoorde snel na rust. Omdat de ploeg de minst gepasseerde defensie van de competitie had, gaf die vroege voorsprong meteen vertrouwen. De tegenstander had nog twee treffers nodig om het feest te bederven. “Hoe langer je moet wachten op zo’n doelpunt, hoe spannender en moeilijker het wordt. Maar vrij snel na rust hadden we al het gevoel: dit gaat lukken.” Zelf bleef Prein op het moment zelf rustig. “Ik laat de jongens altijd lekker hun feestje vieren. Ik sta er een beetje van een afstand naar te kijken, praat links en rechts wat. Dat is hun feest. Later op de avond heb ik het zelf ook goed gevierd hoor.”

Wat de titel volgens Prein vooral mogelijk maakte, was eensgezindheid. “Zonder je staf is het lastig om resultaat te behalen. Hoe meer mensen hetzelfde doel nastreven en daarin geloven, hoe makkelijker het wordt. Dat is de kracht van WNC geweest, staf en spelers samen.” Onenigheid lost hij het liefst snel op. “Ik ben iemand van: niet blijven lopen met iets, of je nou speler bent of wie dan ook. Zeg wat er op je hart ligt. Dat hoeft niet altijd op een lieve manier, maar wel duidelijk en eerlijk.”

Voor het eerst handhaven

De grootste opgave ligt nog voor WNC. Dit is de derde keer in korte tijd dat WNC promoveert naar de vierde divisie. Handhaven lukte de vorige twee keer geen van beide. “Het eerste jaar promoveerden we eigenlijk best verrassend. WNC is een dorpsclubje. Voor de vierde divisie heb je meestal geld nodig, of een grote club met veel eigen jeugd. Dat hebben wij allemaal niet.” Toch stond WNC in beide eerdere seizoenen bij de winterstop keurig bovenin, derde in het eerste jaar en tweede in het tweede jaar. Niet het niveau werd hun fataal, maar de breedte van de selectie. “Op het einde van het seizoen stonden we soms met dertien man.” Dit jaar is daarom bewust gekozen voor een bredere selectie, ook met spelers die nog niet meteen op het vereiste niveau zitten. “We hebben een jongen van de derde klasse erbij, een jongen uit de top van de onder 19. Die maken de breedte sterker, en kunnen over drie, vier maanden het niveau hebben dat we tegen het einde van het seizoen hard nodig hebben.” Achteromkijken naar het kampioenschap doet Prein inmiddels nauwelijks meer. De eerste competitiewedstrijd van dit seizoen werd meteen met 3-0 gewonnen, uit. “Dat is op zich al bijzonder in de vierde divisie.”

Dat Prein al veertien jaar lang bij één club zit, is volgens hemzelf geen automatisme. “Als je drie jaar dezelfde trainer hebt, ben je normaal gesproken wel uitgekeken op iemand. Ik hou van uitdaging, van steeds vernieuwen, elk jaar weer nieuwe accenten. En dat geldt niet alleen voor mij, ook voor de spelers.”

Wat de voetbaltechnische focus voor dit seizoen precies inhoudt, houdt hij liever binnenskamers. “We hebben vijf punten benoemd waarvan we zeggen: die gaan we verbeteren. Als we onze uitgangsposities als team goed uitvoeren, komt de rest vanzelf. De doelstelling is voor mij altijd een prijs pakken. Wat die prijs is, kan per seizoen verschillen. Voor nu is het gewoon: het meest haalbare eruit halen.”

Ambitie om hogerop te gaan

Prein heeft zelf ambitie om hogerop te gaan als trainer. Vorig jaar sprak hij met een club uit de derde divisie en was één van de drie kandidaten. Hij eindigde als nummer twee. “Jammer, ja.” Een club moet voor hem wel volledig kloppen. “De club moet bij mij passen, en ik moet er een goed gevoel bij hebben. Dan is het het denken waard.” Na veertien jaar zou een afscheid van WNC hem oprecht pijn doen. “Dat zou er wel even inhakken ja.”

Over zijn eigen spelersloopbaan is Prein valt ook het nodige te vertellen. Zes jaar zat hij in de jeugd van PSV, als een van de talenten met uitzicht op een doorbraak. Via NEC Nijmegen maakte hij binnen drie maanden zijn debuut in de Eredivsie. Vlak voor die doorbraak echt vorm kon krijgen, scheurde hij op zijn negentiende zijn kruisband af. Anderhalf jaar viel hij uit. Toen hij begin twintig terugkeerde, haalde hij zijn oude niveau nooit meer. “Ik ben daarna naar Duitsland gegaan, en denk dat ik daar mijn andere kruisband al licht heb ingescheurd. Het jaar erna, bij Telstar, scheurde die knie helemaal af. Ik denk dat ik, door het compenseren van het ene been, het andere te veel heb belast. Er staan altijd jongens op het punt om door te breken, en de meesten redden het niet. Dat is jammer, maar daar sta ik niet te lang bij stil.” Dezelfde houding heeft hij tegenover het kampioenschap. “Het was een mooi feest, dat vergeten we nooit. Maar het doel is behaald, en nu gaan we door naar het volgende.”

Een van de laagst betaalde clubs

Volgens Prein betaalt WNC met allesbehalve grote sommen. Prein schat zijn club in als een van de laagst betaalde in de vierde divisie. “Wat wij bieden, is een onkostenvergoeding. Geen bedragen van 800, 900 of 1000 euro per maand, zoals je bij sommige clubs weleens hoort.” Vooral rond Rotterdam, waar WNC vroeger ook speelde, liggen de bedragen volgens hem een stuk hoger. “Binnen een straal van 20 kilometer zitten daar al snel tien clubs op derde, vierde of tweede divisieniveau, met veel jongens met een BVO-verleden. Dan moet je wel.”

SANDERS RUILDE FEYENOORD IN VOOR UNITAS

0

Giovanni Sanders (24) speelde twee jaar op landelijk niveau bij Sportclub Feyenoord. Een profcontract leverde het niet op. Inmiddels speelt hij zijn tweede seizoen bij Unitas Gorinchem. Daar vond hij het plezier terug dat hij bij zijn vorige clubs soms miste.

Zijn hele jeugd voetbalde Sanders bij TOGB, een club uit Berkel en Rodenrijs waarvan het eerste elftal uitkomt in de derde divisie. Via die achtergrond kwam hij terecht bij Sportclub Feyenoord, waar hij tot de Onder 23 twee jaar landelijke divisie speelde. “Ik heb eigenlijk tegen elke club die divisie speelde wel gespeeld.” Via de KNVB-selecties zat hij zelfs in dezelfde lichting als Joshua Zirkzee. Maar in tegenstelling tot de Oranje-international bleef voor Sanders een profcarrière uit. “Daar baal ik wel een beetje van, maar het is een heel klein percentage dat het uiteindelijk haalt. Ik heb er wel vrede mee, want ik heb altijd mijn best gedaan.”

Op zijn 22e belde Unitas. De club speelde toen nog vierde divisie, maar onderaan, in een gevecht om lijfsbehoud dat uiteindelijk verloren werd. Ook het seizoen erna ging het mis. Vorig seizoen, zijn eerste bij de club, noemt Sanders ronduit slecht. “We hadden bijna alles verloren of gelijkgespeeld. Vaak ging het om een 1-0 of 2-1, waarbij de tegenstander in de laatste minuut nog scoorde. Dat was puur pech.”

Blijven dankzij de trainer

Een vertrek overwoog Sanders wel. Dat het er niet van kwam, komt vooral door trainer Ruud Brood. “Ik vind hem gewoon heel goed. Hij zit er bij de trainingen kort op en legt dingen goed uit als je een vraag hebt. Hij wil zelf ook dat spelers beter worden, zodat ze hoger kunnen voetballen.” Mocht Sanders ooit weer een stap hogerop willen, dan weet hij waar hij moet zijn. “Hij heeft best wat connecties.”

Op het veld is Sanders niet vast te pinnen op één taak. Hij speelt op het middenveld, maar dan over de volle lengte van het veld. “Ik ben eigenlijk een beetje box-to-box, dus ik loop overal.”

Een grote verandering trof de hele club. Het eerste elftal speelde altijd op zondag, maar die tak is dit seizoen geschrapt. Zondag en zaterdag zijn samengevoegd tot één selectie, die nu op zaterdag speelt. De kwaliteit leed daar volgens Sanders niet onder. “Er zijn wel wat jongens weg, maar er zijn ook veel goede jongens bijgekomen.”

Mikken op de titel

De seizoensstart stemt hoopvol. De eerste competitiewedstrijd werd gewonnen, als een echt team. “We lopen voor elkaar en er wordt veel gepraat. Het is eigenlijk een soort vriendengroep.” Durft Sanders het hardop uit te spreken? Ja. “Dit team moet sowieso handhaven. En ik denk ook dat we het heel hoog gaan schoppen. Het kampioenschap zit er wel in.” Trainer Brood denkt er volgens hem net zo over. “Hij zegt ook altijd dat je voor het hoogste moet gaan.”

Ondanks dat hij bij de belangrijke spelers van de ploeg hoort, werd Sanders afgelopen zomer door geen enkele club benaderd. Jammer vindt hij dat niet. “Voor mijn persoonlijke ontwikkeling is dit ook wel goed geweest. Alles verliezen en toch elke wedstrijd alles blijven geven, dat leert je wel wat.” Over Unitas als club is hij lovend. “Een mooie club met veel geschiedenis. Ze hebben altijd hoog gevoetbald, en de sfeer is hartstikke gezellig. Af en toe een feestje, een hapje en een drankje.”

Een halfuur rijden voor elke training en wedstrijd, en sinds dit seizoen zonder enige onkostenvergoeding. Toch heeft Sanders dat er graag voor over. Een terugkeer naar TOGB, voor hem om de hoek, overweegt hij niet. “Ik lig niet lekker met de trainer die daar nu zit. Een andere visie, laten we het daarbij houden.” Unitas, dertig minuten verderop, heeft hij voorlopig precies wat hij zoekt.

VAN DE WETERINGH ROLDE VANUIT DE JEUGD HET BESTUUR IN BIJ LEERDAM SPORT

Lin van de Weteringh is in het dagelijks leven werkzaam in de gehandicaptenzorg. Bij Leerdam Sport is zij secretaris van het hoofdbestuur, een club met een lange familiegeschiedenis. Haar pad daarnaartoe begon niet bij het bestuur, maar bij de jeugdteams van haar eigen kinderen.

Toen haar kinderen bij Leerdam Sport gingen voetballen, merkte Van de Weteringh al snel dat zaken rond de jeugd slecht geregeld waren. Weinig communicatie vanuit de jeugdcommissie, veel onduidelijkheid over wie waarvoor verantwoordelijk was. Binnen het team sloeg de negativiteit onder ouders toe. “We konden allemaal negatief blijven doen, zodat die negativiteit de overhand kreeg. Of we konden met elkaar om tafel kijken hoe we de neuzen dezelfde kant op konden krijgen.” Dat laatste koos zij, en zo rolde ze erin. Twee jaar lang trok ze zich het lot van de jeugd aan, voordat ze in 2022 de overstap naar het hoofdbestuur maakte. Pas toen de jeugd naar haar idee goed was achtergelaten.

Destijds stond Van de Weteringh er binnen de jeugd op het laatst vaak alleen voor. “Ik moest ook dingen doen waarvan ik dacht: dit past helemaal niet bij me. Maar iemand moest het doen.” Inmiddels is er een jeugd-TC die veel voetbalzaken oppakt. “Dat is wel heel erg fijn.”

Als secretaris verzamelt Van de Weteringh agendapunten en schrijft ze de notulen van vergaderingen. Bijna alle mail van de club komt via haar binnen. Met haar twee veertienjarige kinderen nog altijd actief bij de club, voelt ze die betrokkenheid als vanzelfsprekend. “Ik heb het misschien iets te enthousiast aangepakt, maar ik vind het wel belangrijk.”

Een familie van bestuurders

Leerdam Sport zit al generaties in de familie. Haar opa was medeoprichter en voorzitter van de zaterdagtak, haar vader was tweede penningmeester en secretaris. Ook twee mensen die zij als familie beschouwde, inmiddels overleden, waren beiden voorzitter van de club. Zelf heeft Van de Weteringh nooit gevoetbald, op de jaarlijkse familiedag na. “Dat ziet er echt totaal niet uit. Maar het gaat om het plezier.”

Nooit saai

Hoe zij de club zou omschrijven? “Het is in ieder geval nooit saai.” Binnen de vereniging komen veel culturen samen, wat mooi is maar ook de nodige uitdagingen met zich meebrengt. Mocht de club morgen ophouden te bestaan, dan zou dat niet het einde van de wereld zijn. “Maar het zou wel jammer zijn. Je bouwt er sociale contacten op. Het zijn de mensen die ervoor zorgen dat je denkt: gezellig om hier te zijn.”

Het hoofdbestuur bestaat op dit moment uit drie mensen: voorzitter John Boekelman, penningmeester Jeroen de Bruin en Van de Weteringh zelf, af en toe bijgestaan door twee oud-bestuursleden. Elke drie weken schuift van elke commissie één vertegenwoordiger aan. “Dat scheelt ons best wat werk, want vragen of problemen worden vaak al aan tafel opgelost.”

Grote voetbalplannen, zoals promotie van het eerste elftal uit de vijfde klasse, laat Van de Weteringh aan anderen over. Zelf is ze bezig met iets heel anders: de huidige kantinebeheerders stoppen aan het einde van het jaar. Samen met de kantinecommissie werkt ze nu aan een nieuwe structuur. “Dat is voor mij ook weer nieuw, maar wel leuk om te doen.”

Zorgen om de doorstroom

Wat haar wel aan het hart gaat, is de jeugd. De onderbouw loopt in één lijn goed door, maar daarna ontbreekt een Onder 14. En de Onder 15 is voorlopig het oudste jeugdteam. Spelers haken op die leeftijd soms af vanwege andere interesses. “Dat vind ik jammer, en dat zou ik heel graag anders zien.” Concrete plannen zijn er nog niet. Meer positief: het meidenvoetbal groeide de afgelopen jaren fors, van een MO15 die als negental begon tot inmiddels een volwaardige MO17, met daarnaast steeds meer nieuwe (meiden)teams. In totaal telt Leerdam Sport 462 leden.

VAN BEZOOYEN GROEIT TOE NAAR VASTE PLEK BIJ LEKVOGELS

Jort van Bezooyen (22) voetbalt zijn hele leven al bij Lekvogels. Een paar seizoenen geleden kwam hij bij het eerste terecht. Vaste basisplaats? Dat moet er dit seizoen van komen.

Lekvogels speelt al jarenlang in de vierde klasse. Twee seizoenen geleden volgde promotie naar de derde klasse, afdeling Utrecht. Op papier een mooie stap, in de praktijk een flinke tegenvaller. “Die potten in de vierde klasse waren echt top. Maar in de derde klasse ging het plezier er een beetje uit. We hebben eigenlijk alles verloren. We speelden tegen clubs waar we niks tegen konden inbrengen. Die afdeling was gewoon veel te goed voor ons.” Na één seizoen volgde degradatie, terug naar het vertrouwde niveau.

Jammer vindt Van Bezooyen het niet. Hogerop spelen klinkt mooi, maar voor hem weegt iets anders zwaarder. “Hogerop is altijd wel leuk, maar het moet wel plezier in blijven zitten. Mijn voorkeur ligt niet per se bij promoveren.”

Op het randje van degradatie

Vorig seizoen ging het bijna mis, want Lekvogels kwam in de nacompetitie voor degradatie terecht. Een oefenwedstrijd tegen Haaften bleek de wake-upcall. “Daar hebben we flink op onze kop gehad. Toen zijn we wakker geschud en zijn we de schouders eronder gaan zetten.” Twee beslissende duels volgden. Beide werden gewonnen en Lekvogels wist zich te handhaven in de vierde klasse. Over de oorzaak van de malaise is Van Bezooyen eerlijk. “Een beetje gemakzucht, denk ik. We dachten dat het allemaal wel goed zou komen. Tot op het laatste moment, en dan moet je ineens alles uit de kast halen om het nog recht te trekken.”

Na vijf jaar met dezelfde trainer begint Lekvogels dit seizoen met een nieuw gezicht langs de lijn: Pieter van Zessen. Van Bezooyen is enthousiast. “Met de vorige trainer heb ik hele mooie dingen meegemaakt. Maar op een gegeven moment krijg je gewoon verlangen naar iets nieuws. Een andere manier van voetballen, een andere manier van trainen. Dat haalt motivatie en concurrentie naar boven. Iedereen komt weer trainen, en dat maakt het meteen weer leuk.”

Vaste back met drang naar voren

Op het veld staat Van Bezooyen als rechtsback, met uitstapjes naar het middenveld. Techniek boven het fysieke, zo laat hij zich het liefst omschrijven. “Ik ben een voetballende back. Veel drive naar voren, geen bottenbreker. Als het moet wel, maar ik los het liever voetballend op.” Een vaste basisplaats had hij nog niet. Knieklachten gooiden vorig seizoen af en toe roet in het eten. Dit seizoen moet het anders. “Ik ga mijn best doen om een vaste kracht te worden. Daar heb ik alle vertrouwen in.”

‘Lekvogels is mijn sociale kring’

Vraag Van Bezooyen wat de club voor hem betekent, en het antwoord komt zonder aarzelen. “Voor mij is het mijn sociale kring, mijn vrienden zitten in dit team. Vooral de gezelligheid, en je dorp een beetje op de kaart zetten.” Ook buiten het veld trekt de groep vaak samen op, met etentjes en uitstapjes naar Utrecht of een festival.

Doelen voor dit seizoen

Van de trainer moest iedereen een eigen doelstelling formuleren. Bij Van Bezooyen is die simpel. “Niet onderin meedoen, alleen maar omhoog kijken. Top 6, top 7 zou mooi zijn. Als we maar leuk meedoen, en wie weet pakken we een periode.”

LRC Leerdam bouwt met vernieuwde TZ aan jeugdopleiding

0

Bij LRC Leerdam werkt de Technische Zaken van de jeugd samen met coördinatoren en trainers aan een vernieuwde jeugdopleiding. Een gedeelde voetbalvisie, duidelijke afspraken en meer aandacht voor de ontwikkeling van spelers vormen de basis. Tamer Saglambilek, één van de betrokken TZ-leden, vertelt over de stappen die de club zet.

 Sinds januari vorig jaar heeft LRC een vernieuwde TZ, met leden en coördinatoren voor de onder- en bovenbouw. Binnen die groep worden de taken verdeeld en wordt gezamenlijk gewerkt aan de richting van de jeugdopleiding. “We hebben een heel goed team, met een stuk of acht coördinatoren die allemaal de jeugd beter willen maken. Iedereen draagt daar op zijn eigen manier aan bij. De kracht zit in het feit dat we dit samen doen.” De afgelopen periode werden trainersbudgetten gelijkgetrokken op basis van diploma’s en werd de visie op selectieteams aangescherpt. Ook het aantrekken en begeleiden van trainers is een belangrijk onderdeel van de aanpak.

Van pilot naar breder beleid

Bij LRC gold eerder het uitgangspunt dat het eerste en tweede team van een lichting ongeveer even sterk moesten zijn. Een pilot met een selectieteam bood de club de mogelijkheid om ervaring op te doen met een andere aanpak. Saglambilek was daar destijds als trainer bij betrokken. De goede prestaties in de hoofdklasse en de ervaringen met de pilot droegen bij aan het besluit om selectieteams breder in te voeren. Binnen de TZ wordt die aanpak nu verder uitgewerkt, met aandacht voor zowel prestatie- als recreatievoetbal. “We willen dat iedere speler zich op een passend niveau kan ontwikkelen. Daarvoor heb je goede trainers, duidelijke afspraken en een gezamenlijke visie nodig.”

Oog voor talent en plezier

Ook de contacten met betaaldvoetbalclubs krijgen aandacht. Het partnerschap met FC Utrecht en de contacten met onder meer FC Den Bosch bieden mogelijkheden om talentvolle spelers onder de aandacht te brengen en kansen op een stage te creëren. Saglambilek draagt vanuit zijn rol bij aan die contacten. Daarbij kijkt hij ook naar spelers van andere teams en verenigingen in de regio. “Je wilt dat kinderen een kans krijgen op basis van hun kwaliteiten, ongeacht wie hun ouders zijn of in welk team ze spelen. Tegelijkertijd moet het kind zelf zo’n stap willen zetten. Plezier in voetbal blijft de basis.”

Binnen de TZ worden de volgende stappen besproken en uitgewerkt. Een belangrijk onderwerp is het breed opleiden van jonge spelers, zonder hen al vroeg vast te zetten op één positie. “Op jonge leeftijd moeten kinderen veel verschillende voetbalsituaties ervaren. We willen ze stimuleren om initiatief te nemen, aan te vallen en zich met de bal te ontwikkelen.” Ook wordt gekeken naar de mogelijkheid om het trainingsaanbod uit te breiden van twee naar drie dagen per week, voor zowel prestatie- als recreatieteams. Hoe dat georganiseerd kan worden, vraagt nog om verdere afstemming binnen de club. “Er zijn kinderen die graag meer willen voetballen. We willen bekijken hoe we daar als vereniging op kunnen inspelen.”

De ambitie is om vanuit de jongste jeugd een sterke opleiding op te bouwen, met teams die richting de hoofdklasse groeien en vanaf de JO13 uiteindelijk op divisieniveau kunnen spelen. Het eerste elftal van LRC komt momenteel uit in de vierde divisie. “We willen een club zijn waar kinderen graag voetballen en zich goed kunnen ontwikkelen. Dat vraagt om de inzet van veel mensen. Met de TZ, coördinatoren, trainers en alle andere betrokkenen bouwen we daar samen aan.”