Home Blog Pagina 4

TSC leidt eigen pupillenscheidsrechters op

Scheidsrechters zijn onmisbaar op het voetbalveld, maar voor veel verenigingen wordt het steeds lastiger om voldoende arbiters te vinden. Ook bij TSC herkennen ze dat probleem. Scheidsrechtercoördinator Marc van Zijl besloot daarom het anders aan te pakken: beginnen bij de jeugd. Door jonge spelers zelf op te leiden tot pupillenscheidsrechter hoopt de club niet alleen wedstrijden beter te organiseren, maar ook de scheidsrechters van de toekomst te ontwikkelen.

Het idee om jonge scheidsrechters op te leiden ontstond toen TSC zag hoe lastig het werd om iedere jeugdwedstrijd van een scheidsrechter te voorzien.

“Zoals bij veel clubs hebben ook wij regelmatig moeite om scheidsrechters te vinden,” vertelt Van Zijl. “Als er niemand beschikbaar is, moet er vaak iemand van het team zelf fluiten. Dat is natuurlijk niet ideaal.”

Zelf begon hij ooit op die manier. Toen zijn zoon bij TSC voetbalde en er geen scheidsrechter beschikbaar was, pakte hij de fluit. Wat begon als een tijdelijke oplossing groeide uiteindelijk uit tot een grotere rol binnen de vereniging.

Enkele jaren geleden werd Van Zijl gevraagd om samen met een collega de rol van scheidsrechtercoördinator op zich te nemen. Vanuit die functie ging hij actief op zoek naar oplossingen om het scheidsrechters tekort aan te pakken.

Een belangrijke inspiratie kwam van een andere vereniging waar Van Zijl een goed georganiseerd systeem voor scheidsrechters zag. Daar begon men al vroeg met het opleiden van jeugdige arbiters.

“Daar werd gezegd: begin bij de jeugd,” legt Van Zijl uit. “Als je jongeren van dertien, veertien of vijftien enthousiast maakt om te fluiten, dan heb je kans dat ze daar later ook mee doorgaan.”

Met dat idee ging hij bij TSC aan de slag. In gesprekken met trainers en teambegeleiders werd gekeken welke jeugdspelers interesse zouden kunnen hebben in het fluiten van wedstrijden.

Dat leverde meteen resultaat op. In korte tijd meldden zich meerdere jongeren die het wel wilden proberen. Uiteindelijk volgden acht jeugdspelers van TSC een cursus om pupillenscheidsrechter te worden.

De jonge scheidsrechters volgden een officiële cursus via de KNVB. Tijdens die opleiding leren deelnemers de belangrijkste spelregels, maar ook hoe ze een wedstrijd begeleiden.

“Zo’n cursus bestaat uit twee avonden van ongeveer drie uur,” vertelt Van Zijl. “Daarin krijgen ze uitleg over de regels, situaties uit wedstrijden en hoe je beslissingen neemt op het veld.”

Naast de theorie moeten de deelnemers ook daadwerkelijk wedstrijden fluiten. Die praktijkervaring is volgens Van Zijl minstens zo belangrijk.

“Tijdens de laatste bijeenkomst fluiten ze een wedstrijd onder begeleiding van een ervaren scheidsrechter. Die kijkt mee en geeft tips. Op basis daarvan krijgen ze uiteindelijk hun certificaat.”

Na het behalen van hun certificaat blijven de jonge scheidsrechters niet aan hun lot overgelaten. Van Zijl begeleidt hen tijdens hun eerste wedstrijden.

“De eerste keren sta ik langs het veld om te helpen,” zegt hij. “In de rust bespreken we bijvoorbeeld wat er goed ging en waar ze op kunnen letten.”

Tijdens de wedstrijd zelf grijpt hij bewust niet in. “Hun beslissing op het veld is leidend. Pas daarna praten we erover. Zo leren ze zelf nadenken over hun keuzes.”

De meeste jonge scheidsrechters beginnen bij wedstrijden van de jongste jeugd, zoals de Onder 11 en Onder 12. Als ze meer ervaring krijgen, kunnen ze doorgroeien naar oudere leeftijdscategorieën.

Volgens Van Zijl hebben sommige jongeren al duidelijk talent voor het leiden van wedstrijden. Een aantal van hen heeft inmiddels ook wedstrijden op een groter veld gefloten.

“Bij de jongste jeugd speel je op een kleiner veld en zijn de regels iets anders. Zodra je naar Onder 13 of Onder 14 gaat, wordt het spel sneller en het veld groter. Dat vraagt weer andere vaardigheden.”

Het doel is dat de jongeren zich blijven ontwikkelen en uiteindelijk misschien doorgroeien tot verenigingsscheidsrechter.

“Dat zou natuurlijk het mooiste zijn,” zegt Van Zijl. “Dan heb je niet alleen wedstrijden voor de jeugd opgelost, maar ook nieuwe scheidsrechters voor de club.”

Klik op TSC voor de laatste artikelen over de club.
Klik op TSC voor meer informatie over de club.

Olympia’60 bouwt aan de toekomst: groeiende club investeert in modern sportpark

Bij Olympia’60 staat de komende periode volledig in het teken van vooruitgang. De club uit Dongen is de afgelopen jaren flink gegroeid en dat brengt nieuwe uitdagingen met zich mee. Met de aanleg van kunstgrasvelden, de modernisering van het sportcomplex en een actieve, jonge sponsorgroep zet de vereniging vol in op de toekomst.

Corné Thomassen is inmiddels vier jaar voorzitter van Olympia’60 en ziet in korte tijd hoe de club zich ontwikkelt.

“De club is sinds 2010 gegroeid van 400 à 450 leden naar zo’n 670 leden nu,” vertelt Thomassen. “Dat is natuurlijk heel positief, maar het zorgt ook voor uitdagingen. Vooral op het gebied van accommodatie lopen we tegen grenzen aan.”

Die groei is niet bewust ingezet, maar komt vooral voort uit de kracht van de vereniging zelf.

“De sfeer, het familiaire gevoel en het idee dat iedereen zichzelf kan zijn, dat spreekt mensen aan. Dat heeft een aanzuigende werking.”

Kunstgras als oplossing voor capaciteit

Om de groei op te vangen, is enkele jaren geleden al het gesprek met de gemeente gestart. De uitkomst: de aanleg van anderhalf kunstgrasveld.

“We krijgen een volledig kunstgras hoofdveld en een half veld op de plek van de huidige oefenhoek,” legt Thomassen uit. “Dat zorgt ervoor dat we meer trainingscapaciteit hebben en het hele jaar door gebruik kunnen maken van de velden.”

Die stap is hard nodig. Door de intensieve belasting van de huidige natuurgrasvelden ontstaan regelmatig problemen.

“De kwaliteit van de velden gaat achteruit en we hebben vaak te maken met afgelastingen. Met kunstgras lossen we dat grotendeels op en vergroten we het voetbalplezier.”

Modernisering van het sportpark

De aanleg van de kunstgrasvelden is meteen het startsein voor een bredere modernisering van het sportcomplex. Waar de gemeente verantwoordelijk is voor de velden, pakt Olympia’60 de rest zelf aan.

“Ons complex stamt uit de jaren tachtig en is toe aan vernieuwing,” zegt Thomassen. “We gaan nieuwe paden aanleggen, het terras vergroten en zorgen voor een modernere uitstraling.”

Het clubhuis en het terras vormen daarbij het hart van de vereniging.

“Daar gebeurt het. Dat is de plek waar mensen samenkomen. Die verbinding willen we versterken, zodat het nog meer een ontmoetingsplek wordt voor iedereen binnen de club.”

Samen bouwen met jonge sponsoren

Een opvallende rol in het toekomstplan heeft de sponsorcommissie. Deze bestaat uit een groep enthousiaste jonge leden, ondersteunt door enkele ervaren krachten, die zich volledig inzet voor de club.

“Die jongens, begin twintig, zetten echt de schouders eronder,” vertelt Thomassen trots. “Zij hebben het thema ‘Bouwen aan de toekomst’ omarmd en daar invulling aan gegeven.”

Tijdens een recente sponsoravond met Leo Alkemade als speciale gast kwam dat duidelijk naar voren. Met bijna honderd aanwezigen stonden we uitgebreid stil bij de plannen van de club.

“Ze hebben de sponsoren meegenomen in wat er allemaal gaat gebeuren. Van de nieuwe velden tot de kansen die dat biedt voor de club en voor hen als sponsor.”

Vrijwilligers als fundament

Naast de sponsorgroep is er ook een speciaal uitvoeringsteam opgericht. Dit team richt zich op de praktische uitvoering van de modernisering.

“We doen een groot deel in eigen beheer,” legt Thomassen uit. “Het uitvoeringsteam onderhoudt contact met lokale bedrijven en vrijwilligers om alles voor te bereiden en straks ook uit te voeren.”

Klaar voor de toekomst

Met de plannen die nu op tafel liggen, zet Olympia’60 een belangrijke stap richting de toekomst. Niet alleen op sportief vlak, maar vooral als vereniging.

“Dat familiaire, dat warme gevoel. Dat iedereen zich welkom voelt. En tegelijk willen we een plek blijven waar iedereen met plezier kan voetballen, van jong tot oud.

Als we dat kunnen behouden en tegelijkertijd ons complex verbeteren, dan zijn we echt klaar voor de toekomst.”

En precies daar draait het om bij Olympia’60: samen bouwen aan een club waar ook de volgende generaties zich thuis voelen.

Klik op de link voor meer artikelen over Olympia’60
Klik op de link voor meer informatie over Olympia’60

Kees van der Hagen heeft soms een schop onder zijn kont nodig bij Lekvogels

Kees van der Hagen (23) is centrale verdediger bij Lekvogels. Dit seizoen pakte hij vijf gele kaarten. “Die gele kaarten, dat zijn er te veel. Ik ben centrale verdediger, dus dat helpt al niet echt mee. Maar ik moet eerlijk zeggen: er zaten ook twee praatkaarten tussen. Dat is gewoon dom.”

Hij zegt het zonder omweg. Maar tegelijkertijd weet hij ook hoe het werkt op het veld. “Als je in zo’n wedstrijd zit, zeker een derby tegen Hei- en Boeicop of een ander dorp, dan loopt het gewoon hoog op. Adrenaline, emoties… dan flap je er soms wat uit. Achteraf denk je: waarom zeg ik dat?”

Zijn route richting Lekvogels is minder recht dan je misschien zou verwachten. Hij begon er als klein jochie, vertrok daarna en kwam pas later echt terug. “Van mijn vierde tot mijn tiende zat ik hier. Daarna ben ik naar SteDoCo gegaan voor een jaartje en vervolgens vijf jaar bij Geinoord gespeeld, wat nu Parkhout is.”

Dat was geen toevallige stap. “Ik zat op school in Nieuwegein, dus dat was gewoon praktischer. En toen ging ik ook nog niet echt om met jongens uit het dorp. Dat kwam pas later.”

Hij herinnert zich die periode nog goed. Andere omgeving, ander niveau ook. “Bij Parkhout lag het niveau in de jeugd wel hoger. We speelden ook oefenwedstrijden tegen bijvoorbeeld FC Utrecht. Dat was gewoon goed.”

En toch keerde hij terug. “Vanaf mijn veertiende, vijftiende ging ik steeds meer om met gasten uit Lexmond. Toen ben ik eigenlijk weer hier gaan voetballen. Achteraf denk je misschien wel eens: had er meer ingezeten? Maar ik vind met mijn vrienden hier voetballen gewoon leuker. Echt, dat weegt voor mij zwaarder dan dat niveauverschil.”

Sinds zijn negentiende speelt hij in het eerste. Inmiddels zijn dat vier seizoenen. Hij weet wat hij kan, maar ook wat hij laat liggen. En daar is hij opvallend open over. “Vroeger zat er misschien wat meer in dan nu. Maar dat komt door mezelf. Ik ben soms gewoon een beetje laks, ja. Dat moet ik ook eerlijk zeggen. Ik heb af en toe echt een schop onder m’n kont nodig. Als een trainer mij echt motiveert, dan ga ik er ook vol voor. Dan wil ik laten zien dat ik het kan. Maar dat moet soms wel even getriggerd worden.”

Het zit hem vooral in de trainingen. Niet in de wedstrijden. “Op zaterdag sta ik er wel, hoor. Maar op trainingen… ja, dan ben je met vrienden, dan wordt er gelachen, een beetje geouwehoerd. Dan heb je soms iemand nodig die zegt: hé, even serieus.”

Het seizoen van Lekvogels is er eentje die schuurt. “Vorig jaar zijn we al gedegradeerd uit de derde klasse. Dat was een hele sterke competitie, daar waren we gewoon niet tegenop gewassen.”

Maar dit jaar ligt dat anders. “We hadden gehoopt om een beetje rond de top zes te spelen. Maar ja, we staan nu ver daaronder. Dat valt gewoon tegen. Wel moet ik zeggen dat we bijna nooit met grote cijfers verliezen. Het is vaak 1-0 of 2-1. Dat maakt het ook zo zuur.”

De realiteit is duidelijk: het wordt vechten voor lijfsbehoud “Dat is het belangrijkste. Alles daarboven is mooi, maar dit is realistisch.”

Voor volgend seizoen verandert er wel iets. De huidige trainer vertrekt, en Pieter van Zessen komt over van VV Ameide. “We hebben al wat verhalen gehoord via jongens die hem kennen. Allemaal positief.”

Zelf blijft hij sowieso. Daar hoeft hij niet lang over na te denken. “Ja, ik blijf gewoon bij Lekvogels. Ik heb het hier goed naar mijn zin.”

Klik hier voor meer informatie over Lekvogels
Klik hier voor meer artikelen over Lekvogels

TSC Girls United geeft meiden- en vrouwenvoetbal bij TSC Oosterhout nieuwe ambitie en structuur

Het meiden- en vrouwenvoetbal bij TSC Oosterhout heeft een flinke impuls gekregen met de oprichting van TSC Girls United. Met dit initiatief wil de vereniging het meisjesvoetbal niet alleen laten groeien in kwantiteit, maar ook in kwaliteit en ambitie.

Binnen TSC Oosterhout leefde al langer de wens om het meiden- en vrouwenvoetbal sterker neer te zetten. Hoewel er al meisjes bij de club voetbalden, vonden betrokkenen dat er meer mogelijk was. Die gedachte vormde uiteindelijk de basis voor het initiatief TSC Girls United.

Volgens Richard Breedijk, één van de initiatiefnemers, ontstond het idee vanuit de ambitie om het meidenvoetbal binnen de club naar een hoger niveau te tillen. “We wilden het niet alleen laten groeien in aantallen, maar ook in kwaliteit en structuur,” legt hij uit. “Het moest een serieus onderdeel van de club worden.”

Met TSC Girls United kreeg dat plan een duidelijke vorm. Het initiatief bundelt alle meiden- en vrouwenactiviteiten binnen de club en moet ervoor zorgen dat het meisjesvoetbal een herkenbare plek krijgt binnen de vereniging.

Ruimte voor iedereen

Een belangrijk uitgangspunt van TSC Girls United is dat er plek moet zijn voor verschillende soorten speelsters. Niet iedere voetbalster heeft dezelfde ambitie, en juist daarom wil de club meerdere niveaus aanbieden.

“Er moet ruimte zijn voor meiden die gewoon lekker willen voetballen met vriendinnen,” zegt Breedijk. “Maar tegelijkertijd willen we ook een omgeving creëren voor meiden die echt prestatiegericht bezig willen zijn.”

Die combinatie moet ervoor zorgen dat het meidenvoetbal breed groeit, terwijl er tegelijkertijd ook een duidelijke ontwikkelingslijn ontstaat voor talentvolle speelsters.

Dezelfde kansen als de jongens

Een belangrijk uitgangspunt binnen TSC Girls United is dat meisjesvoetbal binnen de club net zo serieus wordt genomen als het jongensvoetbal. Dat betekent dat er bewust wordt gekeken naar faciliteiten, trainingsmogelijkheden en begeleiding.

“De meiden moeten dezelfde kansen krijgen als de jongens,” zegt Breedijk. “Dus goede trainers, goede trainingsmomenten en de mogelijkheid om jezelf te ontwikkelen.”

Voor de prestatieteams betekent dat bijvoorbeeld dat zij meerdere keren per week kunnen trainen, vergelijkbaar met veel jongensteams binnen de club. Op die manier wil de vereniging een omgeving creëren waarin talent zich echt kan ontwikkelen.

Daarnaast kijkt de club met het oog op de toekomst ook naar de piramidestructuur. De ambitie is om in iedere leeftijdscategorie meerdere meidenteams te hebben. Daardoor ontstaat er uiteindelijk ook ruimte om te selecteren en teams samen te stellen op niveau.

“Als je meerdere teams per lichting hebt, kun je de volgende stap in de ontwikkeling van het meidenvoetbal binnen de vereniging zetten,” legt Breedijk uit.

Regionale aantrekkingskracht

De nieuwe aanpak begint inmiddels ook buiten de club aandacht te trekken. Volgens Breedijk merkt de vereniging dat het initiatief steeds meer bekendheid krijgt in de regio.

Steeds vaker melden zich meisjes die niet alleen uit Oosterhout komen, maar ook uit omliggende plaatsen. Zo ziet de club bijvoorbeeld interesse vanuit steden zoals Tilburg en Bergen op Zoom.

“Je merkt dat het rondgaat,” zegt Breedijk. “Meiden horen dat er hier serieus wordt gewerkt aan het meidenvoetbal en dat trekt natuurlijk aandacht.”

Ambitie voor een vrouwenelftal

De plannen van TSC Girls United reiken bovendien verder dan alleen de jeugdteams. De club wil ook een sterke doorlopende lijn creëren richting het seniorenvoetbal.

Een belangrijk doel is daarom om op korte termijn een vrouwenelftal in te schrijven. Dat moet ervoor zorgen dat talentvolle speelsters vanuit de jeugd kunnen doorstromen naar een seniorenteam binnen de eigen vereniging.

“Dat is uiteindelijk waar je naartoe wilt,” zegt Breedijk. “Dat meiden hier beginnen als jeugdspeler en uiteindelijk ook in een vrouwenelftal van de club kunnen spelen.”

Met TSC Girls United hoopt TSC Oosterhout de komende jaren flinke stappen te zetten. De basis ligt er volgens Breedijk inmiddels. “We hebben een duidelijke visie en een plan. Nu gaan we het stap voor stap verder uitbouwen.”

Klik op TSC voor de laatste artikelen over de club.
Klik op TSC voor meer informatie over de club.

Remon van Soest keert terug naar HSSC’61 “Ik wil plezier maken en belangrijk zijn”

Drie jaar geleden vertrok Van Soest bij HSSC’61 naar LRC Leerdam. Een stap die op dat moment logisch voelde. Hij was achttien en merkte dat hij toe was aan iets anders. “De intentie was toen om te kijken of ik dat niveau aan kon. Bij HSSC had ik wel het gevoel dat ik daar een beetje klaar was. Dan wil je weten hoe ver je kunt komen.” In Leerdam kwam hij terecht in een andere realiteit. Het tempo lag hoger, de concurrentie was groter. “In het begin was het vooral wennen aan het niveau, aan het spel, maar ook aan de concurrentie. Je merkt dat er betere spelers om je heen staan. Je gaat zelf ook beter voetballen, maar het wordt ook moeilijker om te spelen.”

Zijn rol in het team bewoog mee met dat proces. Veel invalbeurten, af en toe langere fases, soms belangrijk zijn, soms ook niet. “Ik heb wel momenten gehad dat ik belangrijk was. Maar ik denk ook dat ik belangrijker had kunnen zijn dan dat ik uiteindelijk ben geweest.”

Dat gevoel werd versterkt in zijn tweede seizoen, toen het juist de goede kant op leek te gaan. “In de voorbereiding ging het goed. Ik stond er goed op maar ik scheurde mijn hamstring. Dan moet je eigenlijk weer helemaal opnieuw beginnen.”

Na drie jaar maakt Van Soest de balans op. “Ik heb het geprobeerd. En het is niet helemaal gelopen zoals je misschien hoopt. Dat is jammer, maar ik kan daar wel mee leven.” Hij is 21 en weet dat er nog genoeg kan gebeuren, maar voelt ook dat dit het moment is om een andere keuze te maken. Die keuze lag niet vast. Er waren meerdere clubs die interesse hadden, uit verschillende klassen. Toch koos hij niet voor de volgende stap omhoog, maar voor een stap die beter bij hem past. “Ik wilde gewoon zekerheid dat ik ga spelen. En dat ik weer plezier krijg. Bij andere clubs is het toch weer afwachten hoe het loopt. Dat risico wilde ik nu niet.”

Zo kwam hij weer uit bij HSSC’61. De club waar het begon, waar zijn broer speelt en waar de lijnen kort zijn. “Daar weet ik gewoon dat ik veel ga spelen. En dat ik weer kan genieten. Mijn vader heeft hier ook gevoetbald en is nu coach. Mijn zus speelt bij de vrouwen, mijn broers voetballen ook. Iedereen zit eigenlijk wel in het voetbal. Het is gewoon mooi om straks weer met mijn broer te spelen.”

Zijn terugkeer betekent niet dat hij genoegen neemt met alleen minuten maken. Hij wil een rol hebben, invloed uitoefenen. “Ik wil belangrijk zijn ja. Ik ga niet terug om alleen maar negentig minuten te spelen en verder niks te doen. Ik wil wel echt iets toevoegen. Ik hoop dat ik de ervaring die ik heb opgedaan een beetje kan meenemen en dat ik het team daarmee kan helpen.”

Op het veld ziet hij zichzelf als een aanvaller die op meerdere posities kan spelen. “Links, rechts of in de spits. Dat maakt niet zoveel uit. Vooral het rennen en achter de verdediging komen, is mijn kracht.”

Over de ambities van HSSC’61 blijft hij realistisch. “Ik denk dat het dit seizoen lastig wordt. Ze staan nu onderin. Misschien met heel veel geluk nog een periode, maar het belangrijkste is dat ze erin blijven.” De blik gaat daarom al snel naar volgend seizoen. “Als iedereen fit is en je spreekt met elkaar een duidelijk doel af, dan moet er wel wat kunnen. Daar wil ik wel mijn bijdrage aan leveren. Een stuk of vijftien goals. Dat moet wel kunnen.”

Klik op HSSC’61 voor de laatste artikelen over de club.
Klik op HSSC’61 voor meer informatie over de club.

Judith Nijsen terug bij RFC: ‘Met structuur en passie bouwen aan de toekomst’

Na vijf jaar afwezigheid is Judith Nijsen terug bij RFC. De club heeft haar aangesteld als hoofd voetbalzaken, een rol waarin ze met veel energie en ervaring wil bouwen aan een duidelijke structuur binnen de jeugdopleiding. Met een achtergrond in verschillende sporten, jarenlange ervaring als trainer en haar huidige rol als scout voor de KNVB, brengt ze een schat aan kennis mee terug naar de club waar ze eerder al actief was.

Hoewel Nijsen inmiddels stevig verankerd is in de voetbalwereld, begon haar sportcarrière eigenlijk in een andere sport. “Van origine kom ik uit de hockeywereld,” vertelt ze. “Daar heb ik al mijn trainerspapieren gehaald en allerlei teams getraind, van jeugd tot senioren. Maar op een gegeven moment gingen mijn kinderen voetballen en rolde ik vanzelf het voetbalwereldje in.”

In de jaren die volgden bekleedde ze verschillende rollen bij clubs in de regio. Ze was onder meer hoofd jeugdopleiding bij Madese Boys en trainde diverse selectieteams bij andere verenigingen. Ook bij RFC was ze al eerder actief, onder andere rondom de fusie van de club, waar ze hielp bij het opzetten van een technisch jeugdplan.

Op een bepaald moment besloot Nijsen een stap terug te doen bij RFC. “Ik stond bijna iedere avond op het veld en was daarnaast ook nog fulltime aan het werk. Dat werd simpelweg te veel.” Toch bleef het voetbal altijd trekken.

In die periode ging ze aan de slag als scout voor de KNVB binnen het programma Jeugdplan Nederland. Daar bekijkt ze talentvolle spelers en speelsters in de leeftijdscategorie van elf tot veertien jaar. “Het mooie van scouten is dat je wedstrijden kijkt, spelers beoordeelt en verslagen maakt. Als een speler opvalt, kan die worden uitgenodigd voor district trainingen.”

Toen de nieuwe voorzitter van RFC haar benaderde om opnieuw mee te denken over de voetbalorganisatie van de club, begon het bij Nijsen toch weer te kriebelen. “Ik heb nog eens gevraagd naar het beleidsplan dat destijds was geschreven. Toen bleek dat ze eigenlijk nog steeds werkten met het plan dat ik vijf jaar geleden had gemaakt. Toen dacht ik: misschien is dit wel het moment om weer iets voor de club te betekenen.”

Haar terugkeer werd bovendien met enthousiasme ontvangen binnen de vereniging. “Toen bekend werd dat ik terugkwam, stroomde mijn mailbox meteen vol met positieve berichtjes. Dat was heel leuk om te merken.”

In haar nieuwe rol als hoofd voetbalzaken wil Nijsen vooral zorgen voor meer structuur binnen de jeugdopleiding. “Bij veel teams zijn het enthousiaste ouders die training geven. Dat is fantastisch, want vrijwilligers zijn onmisbaar. Maar die mensen hebben ook ondersteuning nodig.”

Daarom werkt ze aan een systeem met trainerscoördinatoren die op het veld begeleiding geven aan trainers. “Het idee is dat we maandelijks thematrainingen organiseren, waarbij trainers handvatten krijgen om hun teams beter te begeleiden.”

Daarnaast wil ze meer lijn brengen in de speelwijze en opleiding binnen de club. “Het maakt niet uit of een team op hoog niveau speelt of recreatief, maar het is wel belangrijk dat iedereen dezelfde basisprincipes leert. Dan kunnen spelers ook makkelijker doorstromen naar hogere teams.”

Nijsen benadrukt dat veranderingen tijd nodig hebben. “Je kunt niet verwachten dat alles in één jaar perfect loopt. Het gaat erom dat je stap voor stap werkt aan verbetering.”

Daarbij kijkt ze niet alleen naar voetbaltechnische zaken, maar ook naar cultuur en gedrag binnen de club. “Normen en waarden vind ik heel belangrijk. Respect voor scheidsrechters, elkaar helpen op het veld en samen verantwoordelijk zijn voor de club.”

Met haar ervaring als trainer, bestuurder en scout hoopt ze de komende jaren bij te dragen aan een sterke basis voor RFC. “Als we ervoor zorgen dat kinderen zich goed kunnen ontwikkelen en trainers zich gesteund voelen, dan volgt de rest vanzelf.”

Klik op RFC voor de laatste artikelen over de club.
Klik op RFC voor meer informatie over de club.

William Zwamborn bouwt bij WNC aan de jeugd “Uiteindelijk wil je jongens uit Waardenburg in je eerste elftal krijgen”

Natuurlijk kijken de meeste mensen vaak naar het eerste elftal van WNC. Naar de klasse waarin die speelt, naar de spelers die er rondlopen en naar het bekende geluid dat zo’n ploeg vooral uit “spelers van buitenaf” bestaat. William Zwamborn kent dat verhaal ook. Hij hoort het al jaren. Maar wie hem spreekt, merkt al snel dat zijn blik ergens anders ligt. Niet bij de waan van zaterdagmiddag, maar bij de lijn daaronder. Bij de jeugd. Bij de vraag wat voor club WNC over vijf of tien jaar wil zijn.

William is jeugdcoördinator van WNC, bestuurslid, grensrechter bij het tweede elftal en scheidsrechter van de jeugd. William doet het werk inmiddels al zo’n vijftien jaar, terwijl hij de laatste negen, tien jaar ook in het bestuur zit. Hij doorliep de hele jeugd van WNC en voetbalde door tot zijn 22ste, totdat een zware knieblessure abrupt een einde maakte aan zijn actieve loopbaan. “Kruisbanden, kniebanden, meniscus.

Het was een vervelende stop, juist omdat er daarvoor nauwelijks iets aan de hand was geweest. “Eigenlijk nooit blessures gehad. En dan krijg je zo’n ongevalletje en het is over.” De nasleep was fors. Een jaar in een brace, veel last, en daarna vooral de zoektocht naar hoe je betrokken blijft bij iets waar je zelf niet meer middenin kunt staan. William bleef nog een tijd rondlopen als medeleider bij een seniorenteam, maar het echte terugkeren kwam pas toen zijn kinderen gingen voetballen. “Mijn zoontje ging voetballen en dan gaat het toch weer kriebelen op een andere manier.”

Dat kriebelen werd langzaam een vaste rol binnen de club. Hij trainde zijn zoon, later ook zijn dochter en zelfs de meiden tot een jaar of veertien, vijftien. Daarna schoof zijn aandacht steeds meer naar coördineren, organiseren en bouwen. Niet aan een elftal voor één seizoen, maar aan een jeugdstructuur die WNC op langere termijn sterker moet maken.

“Er is eigenlijk geen weg terug”

Dat WNC naar buiten toe vaak vooral wordt beoordeeld op het eerste elftal, begrijpt William wel. “Je hoort vaak: WNC heeft een goed eerste elftal, maar het is niet echt een dorpsclub.” Terwijl de spelers van het eerste elftal WNC wel ervaren als fijne kleine dorpsclub wat we uiteindelijk ook echt zijn.

Volgens William is dat niet iets van de laatste paar jaar, maar het gevolg van een koers die eerder is ingezet.

Heel eerlijk gezegd denken wij als bestuur dat dit ook wel de grens is.

Tegelijk is er volgens William ook geen makkelijke uitweg. “Er is eigenlijk ook geen weg terug. Je kunt niet zeggen: we trekken de stekker eruit, we stoppen ermee. Dan heb je nog maar een tweede en een derde elftal.” Juist daarom kijkt de club nu veel nadrukkelijker naar de onderbouw.

“Wat ons doel is, is dat wij de jeugd van WNC juist zo hoog mogelijk willen laten voetballen. Zodat we later in de toekomst wel jongens uit Waardenburg in een eerste elftal kunnen krijgen.” Dat is volgens hem niet alleen een wens, maar inmiddels ook echt beleid. Jongens uit de jeugd trainen mee, krijgen eerder aansluiting bij oudere teams en worden dichter tegen de seniorenselecties aan gezet. “Met de jeugd die daaraan toe is, wordt ook in het programma met het eerste meegekeken. Om te kijken of ze die aansluiting kunnen treffen.”

“Je ziet dat de jeugd kwalitatief beter wordt”

Een belangrijk onderdeel van die nieuwe lijn is de samenwerking met Romano, een man van een voetbalschool die binnen de club is gehaald om trainers en leiders te begeleiden, maar ook de jeugd trainingen geeft. William ziet daarin een duidelijk verschil. “Dan zie je dat het niveau  omhoog gaat. Je kunt echt zien dat de jeugd beter wordt.”

Toch ziet hij ook waar de grootste uitdaging ligt. Niet bij de jongste jeugd, maar juist bij de leeftijd daarna. “Wat wij wel zien, en dat is denk ik voor alle verenigingen in de omgeving lastig, is de jeugd vanaf zestien, zeventien, achttien nog te kunnen behouden.” Daar spelen volgens hem allerlei dingen mee: werk, geld, afleiding, een veranderde mentaliteit. “Vroeger had je in een dorp eigenlijk maar één sport, en dat was voetbal”, zegt hij. “Tegenwoordig is er veel te veel afleiding buiten het voetbal om.”

Klik op WNC voor het laatste artikel over de club.
Klik op WNC voor meer informatie over de club.

Nieuwe koers bij VV Oosterhout: Maikel Nijst staat voor nieuwe uitdaging

Met de komst van Maikel Nijst als nieuwe hoofdtrainer slaat VV Oosterhout een nieuwe weg in. De ambitieuze oefenmeester neemt vanaf het seizoen 2026/2027 het stokje over en brengt een duidelijk plan, frisse energie en een rijke ervaring met zich mee.

Het trainerspad van Nijst begon opvallend vroeg. Al op vijftienjarige leeftijd stond hij voor de groep bij VV Woudrichem, waar hij zijn eerste stappen zette als jeugdtrainer. Wat begon als een hobby, groeide al snel uit tot een serieuze ambitie. Tijdens zijn opleiding aan de sporthogeschool ontwikkelde hij zich verder en werd duidelijk dat zijn toekomst langs de lijn lag.

Na jarenlange ervaring in de jeugd en als assistent bij GVV Unitas, waar hij betrokken was bij het eerste elftal dat speelt op zondag en uitkomt in de derde divisie, besloot Nijst zich volledig op het trainerschap te richten. Een bewuste keuze, ingegeven door zijn ambitie om het maximale uit zichzelf en zijn teams te halen. “Op een gegeven moment moet je kiezen: zelf blijven voetballen of alles op het trainerschap zetten. Voor mij was dat duidelijk.”

Via een tussenstap bij Baronie kwam hij uiteindelijk terecht bij JEKA. Daar maakte hij indruk, eerst met de O19 en later als hoofdtrainer van het eerste elftal. Met kampioenschappen en een duidelijke speelstijl liet hij zien klaar te zijn voor een volgende stap.

De interesse vanuit meerdere clubs bleef niet uit, maar Nijst koos uiteindelijk bewust voor VV Oosterhout. De eerste gesprekken, nog voor de winterstop, gaven direct een goed gevoel. “Er was meteen een klik, zowel met de staf als met de spelersgroep. Dat is voor mij ontzettend belangrijk.”

Wat hem vooral aanspreekt, is de combinatie van ambitie en potentie binnen de club. De huidige selectie maakt al indruk in de derde klasse en staat stevig in de subtop. Bovendien ziet Nijst volop mogelijkheden om verder te groeien. “Dit is een ploeg die wil voetballen, die initiatief neemt en durft vooruit te spelen. Dat past bij mijn visie.”

Nijst staat bekend om zijn aanvallende en verzorgde speelstijl. Zijn ploegen proberen het spel te maken, met de bal aan de voet en vanuit eigen kracht. “Ik hou van aantrekkelijk voetbal, over de grond, met veel beweging en initiatief. Dat is ook wat de supporters mogen verwachten.”

Tegelijkertijd is hij realistisch. Met de invoering van het weekendvoetbal kan de competitie-indeling er volgend seizoen anders uitzien dan verwacht. Toch blijft de ambitie helder: meedoen om de bovenste plaatsen. “Een club als Oosterhout hoort wat mij betreft minimaal in de top vijf thuis. En als het kan, wil je natuurlijk meer.”

Daarbij sluit hij promotie naar de tweede klasse niet uit, al benadrukt hij dat stabiliteit en ontwikkeling voorop staan. Het behouden van de kern van de selectie wordt daarbij cruciaal, net als het gericht versterken waar nodig.

Een belangrijk speerpunt in de werkwijze van Nijst is het inpassen van jeugdspelers. Bij JEKA gaf hij in korte tijd meer dan twintig spelers de kans om te debuteren in het eerste elftal. Die lijn wil hij doortrekken. “Als jongens er klaar voor zijn, moeten ze die kans krijgen. Dat is goed voor de club én voor de speler.”

Zijn ervaring in het opleiden van talent en het begeleiden van jonge spelers sluit goed aan bij de ambities van Oosterhout. De club beschikt over een sterke jeugdopleiding, wat mogelijkheden biedt voor de toekomst.

Voordat Nijst daadwerkelijk aan de slag gaat in Oosterhout, wacht hem nog een belangrijke taak: het seizoen goed afsluiten bij JEKA. Handhaving staat daarbij centraal. “Je wil een periode altijd goed afsluiten. Dat is belangrijk voor jezelf, maar ook voor de club en de spelers.”

Daarna kan de blik volledig op Oosterhout. Met een duidelijke visie, een sterke drive en een bewezen staat van dienst lijkt de club met Nijst een trainer binnen te halen die klaar is voor de volgende stap.

Klik op VVO voor de laatste artikelen over de club.
Klik op VVO meer informatie over de club.

Niek van Velzen vond een nieuwe rol bij Haaften “Als ik ga kijken, begint het altijd weer te kriebelen”

Voor Niek van Velzen is het voetbal bij Haaften nooit echt weggeweest. Alleen zijn rol is veranderd. Jarenlang liep hij er zelf rond in het eerste elftal, als een speler die je ongeveer overal kon neerzetten zolang het maar geen keepersshirt betrof. Inmiddels staat hij niet meer op het veld, maar ernaast. Als jeugdtrainer van de Onder 7, waar zijn oudste zoontje rondloopt. De stap van speler naar trainer kwam niet voort uit een langgekoesterde ambitie, maar uit noodzaak.

Van Velzen is 32 en stopte met voetbal na een zware knieblessure. “Ik heb mijn kruisband afgescheurd. Ik ben wel geopereerd en gerevalideerd, dus in principe zou ik wel weer kunnen voetballen. Maar ik ben bang dat het nog een keer gebeurd. En met drie jonge kinderen vind ik het nou eigenlijk wel prima geweest.”

Dat klinkt nuchter, maar er zit wel degelijk twijfel achter. Of misschien beter gezegd: een soort terugkerende verleiding. Want wie hem vraagt of het nog kriebelt, krijgt geen stoer ontkennend antwoord. Integendeel. “Als ik ga kijken bij het eerste, begint het altijd wel te kriebelen. Dan denk je toch: misschien heb ik wel weer zin om mee te doen.”

Alleen komt daar meteen de realiteit achteraan. Niet die van een beetje spierpijn of een stijve zondagmorgen, maar van krukken, operaties en een revalidatie die het hele gezin raakt. “Als het nog een keer gebeurt, dan loop je weer zes weken met krukken na een operatie, moet je weer een jaar revalideren en twee keer in de week naar de fysio. Dat is best wel intensief.”

Met een zoontje van vijf, een van drie en een dochtertje van tien maanden is dat een risico. “Je kan gewoon echt niks. Je kan nog geen glas drinken voor jezelf pakken als je met twee krukken loopt.” En dus trekt hij voorlopig een harde conclusie: terugkeren in het eerste ziet hij niet meer gebeuren. “Misschien ooit nog eens in een lager elftal of zo. Maar nu nog even niet.”

“Je bent toch lekker met voetbal bezig”

Dat hij toch verbonden bleef aan Haaften, is ergens logisch. Van Velzen heeft er zijn hele voetballeven doorgebracht. Vanaf de F’jes tot en met het eerste. Nooit ergens anders gevoetbald, nooit serieus overwogen om dat wel te doen. “Ik vond het altijd wel thuis.”

Ook zijn familie zit diep in die club verankerd. Zijn vader Roelof voetbalde er zelf, trainde jeugdteams, was leider en staat tegenwoordig langs de lijn te vlaggen bij het eerste. Zijn broertje speelt nog in de hoofdmacht. “Toen ik zes was en bij de F’jes ging voetballen, zochten ze een jeugdtrainer en toen is mijn vader dat gaan doen. En eigenlijk is hij ook nooit meer gestopt met iets doen.”

Zo gezien is het ook weer niet vreemd dat Van Velzen zelf opnieuw aanhaakte toen zijn oudste zoon begon met voetballen. Er werd gevraagd wie training wilde geven. Hij hoefde er niet lang over na te denken. “Als ze het niet hadden gevraagd, had ik mezelf ook opgegeven.”

En dat bevalt hem beter dan hij misschien zelf had verwacht. “Ik moet eigenlijk zeggen dat het wel heel goed bevalt. Je bent toch lekker met voetbal bezig. Niet zelf, maar gewoon om die jochies een leuke avond of ochtend te laten hebben. Het gaat heel gemoedelijk. Dat maakt het ook leuk.”

Als speler was Van Velzen jarenlang het type dat trainers graag in de selectie hadden. Niet omdat hij per se op één plek uitblonk, maar juist omdat hij overal inzetbaar was. Hij moet er zelf om lachen als het ter sprake komt. “Ja, zo kan je het wel zeggen. Mij zetten ze eigenlijk overal neer, behalve op doel.”

Klik hier voor meer informatie over vv Haaften
Klik hier voor meer artikelen over vv Haaften

Ingrid de Vries drijvende kracht achter de horeca van SCO: “De kantine moet voelen als een huiskamer”

Bij veel amateurclubs is de kantine een belangrijk onderdeel van het verenigingsleven, maar bij SCO speelt de horeca een nog grotere rol: het is uitgegroeid tot een van de belangrijkste inkomstenbronnen, met horecamanager Ingrid de Vries al jaren aan het roer.

De Vries rolde eigenlijk per toeval in haar rol binnen de club. Zoals bij veel verenigingen begon het met haar kind dat ging voetballen en een vraag om een handje te helpen.

“Ik ben moeder van twee kinderen en mijn zoon ging op jonge leeftijd bij SCO voetballen,” vertelt ze. “Op een gegeven moment vroegen ze of ik eens achter de bar wilde helpen, omdat vrijwilligers altijd schaars zijn.”

Hoewel ze geen ervaring had in de horeca, besloot ze het toch te proberen. “Ik dacht eerst: ik heb helemaal geen horeca-ervaring. Maar ik ben wel iemand met een vlotte babbel, dus dat durfde ik wel aan.”

Van het een kwam het ander. Toen de toenmalige horecamanager stopte, werd De Vries gevraagd om zijn rol over te nemen.

“Hij vroeg of het niets voor mij zou zijn. Ik dacht eerst: ik heb ook gewoon een baan, dus hoe moet dat? Maar uiteindelijk ben ik er toch ingerold. Inmiddels doe ik het al sinds de coronaperiode echt als horecamanager.”

De rol van horecamanager blijkt een stuk uitgebreider dan alleen biertjes tappen. De Vries is verantwoordelijk voor een groot deel van de organisatie rondom de kantine.

“Ik zorg voor de inkopen, alles wat met eten en drinken te maken heeft en ik maak de personeelsplanning. Daarnaast regel ik de contacten met leveranciers en vertegenwoordigers, bijvoorbeeld van de drank.”

Ook staat ze zelf nog regelmatig achter de bar. “Op donderdagavond hebben we een vaste clubavond en dan sta ik er zelf. Op zaterdag ben ik er ook vaak vanaf het begin van de middag tot sluitingstijd.”

Een belangrijk onderdeel van het succes van de horeca bij SCO is volgens De Vries de sfeer in de kantine. Vanaf het moment dat zij horecamanager werd, probeerde ze daar bewust aandacht aan te besteden.

“Vroeger was het soms om acht uur gewoon klaar. Wij doen dat anders. Als het nog gezellig druk is, dan laten we het als horecateam gewoon nog even doorgaan.”

Tijdens de coronaperiode moest ook de kantine van SCO zich aanpassen. Toch wist De Vries er samen met anderen het beste van te maken.

“Toen mochten teams alleen onderling tegen elkaar spelen. Dat was natuurlijk vreemd, maar het zorgde ook voor meer verbondenheid binnen de club.”

Ook ontstonden er creatieve ideeën, zoals de inmiddels bekende ‘anderhalve meter’.

“Dat is een plank waar precies twaalf biertjes op passen. Je betaalt er tien en krijgt er twaalf. Dat hebben we tijdens corona bedacht en tot op de dag van vandaag is dat nog steeds een groot succes.”

Door de jaren heen is de kantine uitgegroeid tot een belangrijke pijler onder de vereniging. Volgens De Vries heeft dat vooral te maken met luisteren naar de leden.

“Ik probeer altijd te kijken waar mensen behoefte aan hebben. Soms proberen we nieuwe drankjes uit of organiseren we evenementen.”

Dat merkt de club uiteindelijk ook financieel, waardoor er weer geïnvesteerd kan worden in materialen, faciliteiten en activiteiten voor de leden.

“De horeca is inmiddels echt een belangrijke inkomstenbron geworden,” zegt De Vries. “Maar het belangrijkste blijft dat mensen zich hier thuis voelen. Als het gezellig is, komen ze vanzelf terug.”

“Natuurlijk doe ik dit niet alleen,” benadrukt De Vries. “We hebben een team van betrokken vrijwilligers die er alles aan doen om het iedereen naar de zin te maken. Daar ben ik ontzettend trots op. Wat we de afgelopen jaren samen hebben neergezet, motiveert mij om de horeca nog verder te ontwikkelen.”

Met een glimlach voegt ze toe: “Wij durven best te zeggen dat VV SCO de gezelligste club van Oosterhout is.”

Klik op SCO voor de laatste artikelen over de club.
Klik op SCO voor meer informatie over de club.