Home Blog

Vriendenteam Irene’58 3: fanatiek op het veld, gezellig ernaast

Bij veel amateurclubs draait het eerste elftal vaak om prestaties, maar minstens zo belangrijk zijn de teams daarachter. Bij Irene’58 is het derde zondagteam daar een mooi voorbeeld van. Een vriendenteam dat ooit begon als zondag 5 en inmiddels als zondag 3 bovenin meedraait. Spits Teun Plasman vertelt over een hechte groep vrienden, sportieve ambities en vooral veel plezier binnen én buiten het veld.

De basis van het huidige team ligt al een aantal jaar terug. Waar de ploeg ooit begon als Irene’58 zondag 5, groeide het team door veranderingen binnen de club door naar het huidige derde elftal.

“Wij waren eigenlijk gewoon een vriendenteam”, vertelt Plasman. “De meesten van ons komen uit Den Hout en kennen elkaar al van jongs af aan. Iedereen is hier eigenlijk wel bevriend met elkaar. De jongste speler is nu 21 en de oudste zit net boven de dertig, dus er zit een jaar of acht verschil in.”

De verandering naar het derde elftal kwam door een herschikking binnen de vereniging. “Toen het eerste en tweede van zondag naar zaterdag gingen, stopte een groot deel van het toenmalige derde. Een paar spelers daarvan sloten bij ons aan. Daardoor werden wij uiteindelijk Irene’58 zondag 3 en schoof de rest van de teams ook een plekje op.”

Het team bestaat tegenwoordig uit een grote selectie van ruim twintig spelers. Dat zorgt ervoor dat er bijna altijd genoeg mannen beschikbaar zijn op zondag.

Sportieve prestaties

Ook sportief staat het derde elftal zijn mannetje. Dit seizoen draait Irene’58 3 bovenin mee en staat het team momenteel op de tweede plaats in de competitie.

Toch is de titel volgens Plasman voorlopig nog een lastig verhaal. “De koploper staat een stuk voor, dus daar kijken we eigenlijk niet meer echt naar. We proberen vooral mee te draaien in de subtop. Maar natuurlijk hopen we ooit een keer kampioen te worden.”

Dat kampioenschap zou meteen groots gevierd worden. “We hebben al gezegd: als we ooit kampioen worden, nemen we met het hele team een week vrij”, lacht hij.

Plasman zelf speelt als spits. Door een blessure miste hij een deel van het seizoen, maar inmiddels is hij weer terug op het veld. “Ik speel meestal zo’n twintig minuten per wedstrijd. Maar ik heb er dit seizoen toch alweer een paar gemaakt.”

Trainen wanneer het uitkomt

Ondanks de goede resultaten is Irene’58 3 geen team dat elke week fanatiek traint. De spelers hebben werk, studie of inmiddels zelfs een gezin, waardoor trainen niet altijd prioriteit heeft.

“Op woensdag wordt er altijd een polletje in de groepsapp gestuurd: wie komt er trainen? Maar dat eindigt vaak op een nee”, zegt Plasman met een lach. “Aan het begin van het seizoen zijn we altijd heel ambitieus en willen we trainen om kampioen te worden, maar dat zakt gedurende het jaar meestal een beetje weg.”

Toch staat er wel iemand voor de groep. “We hebben een coach, Jens Schalk. Die denkt dat hij er heel veel verstand van heeft”, grapt Plasman. “En samen met onze aanvoerder Bjorn Vissers geeft hij soms training. Bjorn heeft ook wat trainerspapieren, dus die weet wel wat hij doet.”

Zondagvoetbal en gezelligheid

Waar veel teams tegenwoordig naar de zaterdag overstappen, blijft Irene’58 3 bewust op zondag spelen. Volgens Plasman heeft dat vooral met gezelligheid te maken.

“Wij houden gewoon geen rekening met zondag”, zegt hij nuchter. “We staan net zo laat in de kroeg als iedereen. Maar zondag voetballen vinden we gewoon gezelliger. Na de wedstrijd drink je nog een pilsje en zo rek je het weekend eigenlijk een beetje door.”

Met een sterke vriendengroep, goede resultaten en veel gezelligheid blijft Irene’58 3 daarmee een belangrijk onderdeel van de club uit Den Hout. Of er ooit een kampioenschap komt? Dat moet nog blijken. Maar één ding is zeker: aan teamspirit ontbreekt het niet.

Klik op de link voor meer artikelen over Irene’58
Klik op de link voor meer informatie over Irene’58

Samen sterker: SJO Zwaluwe/DHV

Al vijf jaar werken de jeugdafdelingen van Zwaluwe en DHV nauw samen. Wat begon met enkele gezamenlijke teams, groeide uit tot een steeds intensievere samenwerking. Sinds afgelopen seizoen is die samenwerking officieel geworden in de vorm van een SJO. Volgens jeugdvoorzitter Rody Kroon is dat een logische stap: “De samenwerking liep al zo goed dat het eigenlijk vanzelf deze kant op groeide.”

De samenwerking tussen Zwaluwe en DHV ontstond ongeveer vijf jaar geleden. Zoals bij veel dorpsclubs speelde ook hier de uitdaging om voldoende jeugdspelers te houden en teams goed te kunnen indelen. Vooral voor kleinere verenigingen wordt dat steeds lastiger.

“DHV is net wat kleiner dan Zwaluwe,” legt jeugdvoorzitter Rody Kroon uit. “Dan wordt het soms lastig om in elke leeftijdscategorie een volledig team op de been te brengen. Door samen te werken kun je dat probleem veel beter oplossen.”

Eerst werd begonnen met enkele gecombineerde teams, de zogenoemde ST-teams. Dat was bedoeld als een soort pilot. “Het idee was om te kijken of het zou werken. Maar eigenlijk ging het meteen goed,” vertelt Kroon. “We zagen al snel dat de samenwerking voor beide clubs voordelen had.”

Logische volgende stap

Omdat steeds meer teams gemengd werden samengesteld, begon ook de organisatie steeds meer samen te werken. Zo ontstonden gezamenlijke afspraken over trainingen, wedstrijden en begeleiding.

“Op een gegeven moment merkten we dat we eigenlijk al heel veel samen deden,” zegt Kroon. “We hadden een gezamenlijke jeugdcommissie, spraken dingen samen af en organiseerden steeds meer in gezamenlijkheid.”

Daarom besloten de verenigingen om de volgende stap te zetten en officieel verder te gaan als SJO, een Samenwerking Jeugdopleiding. In die vorm wordt de jeugdopleiding als één geheel georganiseerd.

“Voor ons voelde dat eigenlijk heel logisch,” vertelt Kroon. “Veel van de dingen die bij een SJO horen, deden we al. Het was dus vooral een bevestiging van de samenwerking die er al was.”

Eigen identiteit blijft bestaan

Hoewel de jeugd nu onder één gezamenlijke organisatie valt, blijven de verenigingen wel hun eigen identiteit behouden. Dat vinden beide clubs belangrijk.

“DHV heeft een rijk verleden en Zwaluwe natuurlijk ook,” zegt Kroon. “We zijn er trots op dat beide verenigingen nog steeds bestaan en hun eigen karakter hebben.”

Spelers blijven daarom ook ingeschreven bij hun eigen club. Wanneer zij uiteindelijk de overstap maken naar de senioren, gaan ze in principe ook spelen bij hun oorspronkelijke vereniging.

Praktische samenwerking

In de praktijk betekent de samenwerking dat trainingen en wedstrijden worden verdeeld over de accommodaties van beide clubs. Teams trainen bijvoorbeeld een deel van de tijd bij Zwaluwe en een deel bij DHV.

“We kijken daarbij naar de samenstelling van een team,” zegt Kroon. “Als er bijvoorbeeld twee spelers van DHV in een team zitten, dan trainen ze ook af en toe bij DHV. Zo proberen we het zo eerlijk mogelijk te verdelen.”

Een belangrijke verandering is dat de jeugd nu ook een gezamenlijk tenue krijgt. Daarmee krijgt de samenwerking ook letterlijk een eigen gezicht.

“Zwaluwe speelt in wit-rood en DHV heeft een rood tenue,” vertelt Kroon. “Het nieuwe shirt combineert die kleuren. Bovenin is het rood en onderin lopen er strepen doorheen. Daarbij hoort ook een nieuw logo voor de SJO.”

Ambities voor de toekomst

Voor de komende jaren hoopt Kroon vooral dat de jeugdafdeling verder kan groeien. Nieuwe woningen in de omgeving bieden volgens hem kansen om meer jeugdleden aan te trekken.

“Als het ledenaantal groeit, kun je ook makkelijker teams indelen en iedereen met plezier laten voetballen,” zegt hij.

Daarnaast wil hij dat de samenwerking tussen Zwaluwe en DHV blijft groeien. “We hebben nu een sterke basis gelegd met de SJO. Als we dat de komende jaren verder kunnen uitbouwen, dan hebben beide verenigingen daar alleen maar voordeel van.

F.C. Right-Oh verbindt generaties: “Het voelt hier echt als één grote familie”

Bij veel amateurclubs speelt familie een rol, maar bij F.C. Right-Oh lijkt het clubgevoel echt van generatie op generatie te gaan. Van opa tot kleinzoon, speler tot trainer: in de club uit Geertruidenberg lopen complete families rond. Verhalen van onder anderen Dylan Keulemans, Daan Krooswijk en Kees van der Meeren laten zien hoe diep die band zit.

Voor veel families begint het verhaal al op jonge leeftijd. Zo ook bij Dylan Keulemans, bij wie de club al decennialang een belangrijke plek inneemt.

“Mijn vader werd in 1983 lid en heeft alle jeugdelftallen doorlopen tot de selectie,” vertelt hij. “Het mooiste moment voor hem was dat hij samen met zijn broers en zwager in één team speelde.”

Die betrokkenheid bleef niet beperkt tot het veld. Ook naast de lijnen was de familie actief.

“Mijn ouders zijn allebei speler geweest en later ook leider, trainer en supporter toen mijn broertje en ik gingen voetballen. Wij werden als baby al meegenomen naar de club. Zelfs middagdutjes deden we daar.”

Ook bij Daan Krooswijk speelt familie een grote rol in zijn keuze voor F.C. Right-Oh.

“Mijn vader begon hier al op zijn vijfde en heeft zelfs in het eerste gespeeld. Hij vertelde altijd over de sfeer: ons kent ons. Dat sprak mij enorm aan.”

Van speler tot vrijwilliger: iedereen draagt bij

Wat opvalt in de verhalen, is dat vrijwel iedereen binnen de familie op zijn eigen manier bijdraagt aan de club. Niet alleen als speler, maar juist ook als vrijwilliger.

Krooswijk is daar een goed voorbeeld van.

“Ik ben nu trainer, scheidsrechter én speler bij het derde. Mijn opa was jeugdtrainer en mijn vader heeft ook altijd veel gedaan bij de club.”

Ook bij Kees van der Meeren is die veelzijdigheid duidelijk zichtbaar. Hoewel hij zelf nooit bij F.C. Right-Oh voetbalde, groeide hij uit tot een bekend gezicht binnen de vereniging.

“Ik ben hier zo’n dertig jaar actief. Ik begon als trainer en leider bij mijn zoon Marc, maar werd al snel ook scheidsrechter. Eerst bij de jeugd en later bij de dames en zelfs als grensrechter bij het eerste.”

Het meest bijzondere aspect bij F.C. Right-Oh is misschien wel dat meerdere generaties daadwerkelijk samen actief zijn binnen de club. Van der Meeren maakt dat van dichtbij mee.

“Het mooiste is dat ik nu met de derde generatie op het veld sta: vader, zoon en kleinzoon. Mijn kleinzoon Joep is nu lid en ik geef samen met mijn schoonzoon training aan zijn team.”

Ook bij de familie Keulemans komt die generatielijn duidelijk naar voren.

“Mijn broertje en ik hebben allebei in het oude team van onze vader en ooms gespeeld,” vertelt Dylan. “Dat team heeft dus twee generaties van onze familie gekend.”

Dat zorgt voor bijzondere momenten.

“Bij onze eerste wedstrijd stonden mijn vader en ooms langs de lijn te kijken. Daarna keken we samen naar het eerste. Dat zijn momenten die je niet snel vergeet.”

Wat de club volgens alle drie zo bijzonder maakt, is het sterke gemeenschapsgevoel. Iedereen kent elkaar en dat zorgt voor een warme, vertrouwde omgeving.

“Het voelt hier echt als een familie,” zegt Krooswijk. “Iedereen kent elkaar en dat maakt het gewoon heel prettig.”

Ook Van der Meeren herkent dat.

“Je kent bijna iedereen binnen de club. Dat ‘ons kent ons’-gevoel is prachtig. Je ziet kinderen opgroeien, geeft ze training en later zie je ze terug in het eerste elftal.”

Voor Dylan Keulemans is dat precies wat Right-Oh zo speciaal maakt.

“Het is een plek waar je jezelf kunt zijn en waar iedereen welkom is, ongeacht je niveau.”

De wens van alle drie is duidelijk: dat ook toekomstige generaties dit clubgevoel blijven ervaren. Bij F.C. Right-Oh is één ding duidelijk: hier stopt een voetbalverhaal niet bij één generatie, het wordt doorgegeven.

Klik op FC Right-Oh voor de laatste artikelen over de club.
Klik op FC Right-Oh voor meer informatie over de club.

Samen sterk in de JO9: Jeroen van der Velden bouwt mee aan de jeugd van Madese Boys

Bij Madese Boys draait het in de jeugdopleiding niet alleen om talent, maar vooral om plezier en ontwikkeling. In de JO9 is dat goed zichtbaar. Trainer Jeroen van der Velden maakt daar sinds kort deel van uit en draagt samen met andere ouders én hoofdtrainers bij aan een hechte structuur binnen de club.

Het avontuur van Jeroen van der Velden bij Madese Boys begon pas anderhalf jaar geleden, toen hij met zijn gezin verhuisde van Den Hout naar Made.

Zijn zoon werd lid van Madese Boys en daarmee kwam ook de vraag om te helpen. “Er was een tekort aan trainers, dus ik heb aangegeven dat ik wilde ondersteunen,” vertelt Van der Velden. Wat begon als invallen, groeide dit seizoen uit tot een vaste rol binnen de JO9-6.

Bijzonder is dat hij die rol niet alleen vervult. Binnen het team werkt hij samen met Erwin, Nick en Dirk, ieder met een eigen aandeel in de trainingen en begeleiding. Door werk en privéverplichtingen is er gekozen voor een flexibele aanpak, waarbij trainers elkaar afwisselen. Zo blijft het voor iedereen haalbaar én leuk.

Vier trainers, één team

Van der Velden staat zelf één keer in de twee weken op het veld voor de training, terwijl andere trainers de overige sessies verzorgen. Op zaterdag zijn het vooral Nick en Erwin die langs het veld staan, maar ook Dirk is hier regelmatig bij. Die flexibiliteit zorgt ervoor dat het team altijd begeleiding heeft, zonder dat het voor één persoon te belastend wordt.

Het team zelf bestaat uit een enthousiaste groep van zes spelers en één keeper, waaronder ook een meisje. Een gemengd en energiek gezelschap dat steeds beter op elkaar ingespeeld raakt.

Unieke structuur binnen de JO9

Wat de JO9 bij Madese Boys extra bijzonder maakt, is de opzet binnen de hele lichting. Waar bij veel clubs al vroeg wordt geselecteerd op niveau, kiest Madese Boys voor een andere aanpak.

Hoewel de JO9-1 als selectieteam geldt, zijn de overige teams, van JO9-2 tot en met JO9-6, grotendeels gelijkwaardig ingedeeld. Dat zorgt ervoor dat plezier en ontwikkeling voorop blijven staan, zonder dat kinderen te vroeg in hokjes worden geplaatst.

Daarnaast werken alle teams onder begeleiding van twee overkoepelende hoofdtrainers: Niels en Peter. Zij bewaken de lijn binnen de hele JO9, zorgen voor structuur in de trainingen en ondersteunen de ouder-trainers waar nodig.

“Dat is echt mooi om te zien,” zegt Van der Velden. “Er zit een duidelijke visie achter en je krijgt als trainer handvatten aangereikt. Je hoeft het niet allemaal zelf te bedenken.”

Plezier en ontwikkeling

Op het veld draait het bij de JO9 vooral om plezier, maar dat betekent niet dat er geen ontwikkeling zichtbaar is.

Zo wist de JO9-6 onlangs zeven wedstrijden op rij te winnen en werd het officieus periodekampioen. Een prestatie die natuurlijk gevierd werd, ook al worden er op deze leeftijd nog geen officiële standen bijgehouden.

“Je merkt dat ze echt willen winnen,” vertelt Van der Velden. “Dat zit er al in, maar het belangrijkste blijft dat ze het leuk hebben en zich ontwikkelen.”

Meer dan alleen voetbal

Voor Van der Velden zelf is het trainerschap meer dan alleen langs de lijn staan. Het is ook een manier om onderdeel te worden van het dorp en nieuwe mensen te leren kennen.

“Via het voetbal bouw je echt een netwerk op,” legt hij uit. “Dat is voor ons als nieuwkomers in Made heel waardevol geweest.”

Daarnaast droeg hij samen met andere trainers ook bij aan een sponsorinitiatief binnen de JO9. Alle trainers werden voorzien van een herkenbare outfit, waardoor ze duidelijk zichtbaar zijn op het veld.

Bouwen aan de toekomst

Met betrokken ouders, duidelijke begeleiding en een sterke focus op plezier en ontwikkeling lijkt de basis bij Madese Boys stevig. Trainers zoals Jeroen van der Velden spelen daarin een belangrijke rol.

TSC leidt eigen pupillenscheidsrechters op

Scheidsrechters zijn onmisbaar op het voetbalveld, maar voor veel verenigingen wordt het steeds lastiger om voldoende arbiters te vinden. Ook bij TSC herkennen ze dat probleem. Scheidsrechtercoördinator Marc van Zijl besloot daarom het anders aan te pakken: beginnen bij de jeugd. Door jonge spelers zelf op te leiden tot pupillenscheidsrechter hoopt de club niet alleen wedstrijden beter te organiseren, maar ook de scheidsrechters van de toekomst te ontwikkelen.

Het idee om jonge scheidsrechters op te leiden ontstond toen TSC zag hoe lastig het werd om iedere jeugdwedstrijd van een scheidsrechter te voorzien.

“Zoals bij veel clubs hebben ook wij regelmatig moeite om scheidsrechters te vinden,” vertelt Van Zijl. “Als er niemand beschikbaar is, moet er vaak iemand van het team zelf fluiten. Dat is natuurlijk niet ideaal.”

Zelf begon hij ooit op die manier. Toen zijn zoon bij TSC voetbalde en er geen scheidsrechter beschikbaar was, pakte hij de fluit. Wat begon als een tijdelijke oplossing groeide uiteindelijk uit tot een grotere rol binnen de vereniging.

Enkele jaren geleden werd Van Zijl gevraagd om samen met een collega de rol van scheidsrechtercoördinator op zich te nemen. Vanuit die functie ging hij actief op zoek naar oplossingen om het scheidsrechters tekort aan te pakken.

Een belangrijke inspiratie kwam van een andere vereniging waar Van Zijl een goed georganiseerd systeem voor scheidsrechters zag. Daar begon men al vroeg met het opleiden van jeugdige arbiters.

“Daar werd gezegd: begin bij de jeugd,” legt Van Zijl uit. “Als je jongeren van dertien, veertien of vijftien enthousiast maakt om te fluiten, dan heb je kans dat ze daar later ook mee doorgaan.”

Met dat idee ging hij bij TSC aan de slag. In gesprekken met trainers en teambegeleiders werd gekeken welke jeugdspelers interesse zouden kunnen hebben in het fluiten van wedstrijden.

Dat leverde meteen resultaat op. In korte tijd meldden zich meerdere jongeren die het wel wilden proberen. Uiteindelijk volgden acht jeugdspelers van TSC een cursus om pupillenscheidsrechter te worden.

De jonge scheidsrechters volgden een officiële cursus via de KNVB. Tijdens die opleiding leren deelnemers de belangrijkste spelregels, maar ook hoe ze een wedstrijd begeleiden.

“Zo’n cursus bestaat uit twee avonden van ongeveer drie uur,” vertelt Van Zijl. “Daarin krijgen ze uitleg over de regels, situaties uit wedstrijden en hoe je beslissingen neemt op het veld.”

Naast de theorie moeten de deelnemers ook daadwerkelijk wedstrijden fluiten. Die praktijkervaring is volgens Van Zijl minstens zo belangrijk.

“Tijdens de laatste bijeenkomst fluiten ze een wedstrijd onder begeleiding van een ervaren scheidsrechter. Die kijkt mee en geeft tips. Op basis daarvan krijgen ze uiteindelijk hun certificaat.”

Na het behalen van hun certificaat blijven de jonge scheidsrechters niet aan hun lot overgelaten. Van Zijl begeleidt hen tijdens hun eerste wedstrijden.

“De eerste keren sta ik langs het veld om te helpen,” zegt hij. “In de rust bespreken we bijvoorbeeld wat er goed ging en waar ze op kunnen letten.”

Tijdens de wedstrijd zelf grijpt hij bewust niet in. “Hun beslissing op het veld is leidend. Pas daarna praten we erover. Zo leren ze zelf nadenken over hun keuzes.”

De meeste jonge scheidsrechters beginnen bij wedstrijden van de jongste jeugd, zoals de Onder 11 en Onder 12. Als ze meer ervaring krijgen, kunnen ze doorgroeien naar oudere leeftijdscategorieën.

Volgens Van Zijl hebben sommige jongeren al duidelijk talent voor het leiden van wedstrijden. Een aantal van hen heeft inmiddels ook wedstrijden op een groter veld gefloten.

“Bij de jongste jeugd speel je op een kleiner veld en zijn de regels iets anders. Zodra je naar Onder 13 of Onder 14 gaat, wordt het spel sneller en het veld groter. Dat vraagt weer andere vaardigheden.”

Het doel is dat de jongeren zich blijven ontwikkelen en uiteindelijk misschien doorgroeien tot verenigingsscheidsrechter.

“Dat zou natuurlijk het mooiste zijn,” zegt Van Zijl. “Dan heb je niet alleen wedstrijden voor de jeugd opgelost, maar ook nieuwe scheidsrechters voor de club.”

Klik op TSC voor de laatste artikelen over de club.
Klik op TSC voor meer informatie over de club.

Olympia’60 bouwt aan de toekomst: groeiende club investeert in modern sportpark

Bij Olympia’60 staat de komende periode volledig in het teken van vooruitgang. De club uit Dongen is de afgelopen jaren flink gegroeid en dat brengt nieuwe uitdagingen met zich mee. Met de aanleg van kunstgrasvelden, de modernisering van het sportcomplex en een actieve, jonge sponsorgroep zet de vereniging vol in op de toekomst.

Corné Thomassen is inmiddels vier jaar voorzitter van Olympia’60 en ziet in korte tijd hoe de club zich ontwikkelt.

“De club is sinds 2010 gegroeid van 400 à 450 leden naar zo’n 670 leden nu,” vertelt Thomassen. “Dat is natuurlijk heel positief, maar het zorgt ook voor uitdagingen. Vooral op het gebied van accommodatie lopen we tegen grenzen aan.”

Die groei is niet bewust ingezet, maar komt vooral voort uit de kracht van de vereniging zelf.

“De sfeer, het familiaire gevoel en het idee dat iedereen zichzelf kan zijn, dat spreekt mensen aan. Dat heeft een aanzuigende werking.”

Kunstgras als oplossing voor capaciteit

Om de groei op te vangen, is enkele jaren geleden al het gesprek met de gemeente gestart. De uitkomst: de aanleg van anderhalf kunstgrasveld.

“We krijgen een volledig kunstgras hoofdveld en een half veld op de plek van de huidige oefenhoek,” legt Thomassen uit. “Dat zorgt ervoor dat we meer trainingscapaciteit hebben en het hele jaar door gebruik kunnen maken van de velden.”

Die stap is hard nodig. Door de intensieve belasting van de huidige natuurgrasvelden ontstaan regelmatig problemen.

“De kwaliteit van de velden gaat achteruit en we hebben vaak te maken met afgelastingen. Met kunstgras lossen we dat grotendeels op en vergroten we het voetbalplezier.”

Modernisering van het sportpark

De aanleg van de kunstgrasvelden is meteen het startsein voor een bredere modernisering van het sportcomplex. Waar de gemeente verantwoordelijk is voor de velden, pakt Olympia’60 de rest zelf aan.

“Ons complex stamt uit de jaren tachtig en is toe aan vernieuwing,” zegt Thomassen. “We gaan nieuwe paden aanleggen, het terras vergroten en zorgen voor een modernere uitstraling.”

Het clubhuis en het terras vormen daarbij het hart van de vereniging.

“Daar gebeurt het. Dat is de plek waar mensen samenkomen. Die verbinding willen we versterken, zodat het nog meer een ontmoetingsplek wordt voor iedereen binnen de club.”

Samen bouwen met jonge sponsoren

Een opvallende rol in het toekomstplan heeft de sponsorcommissie. Deze bestaat uit een groep enthousiaste jonge leden, ondersteunt door enkele ervaren krachten, die zich volledig inzet voor de club.

“Die jongens, begin twintig, zetten echt de schouders eronder,” vertelt Thomassen trots. “Zij hebben het thema ‘Bouwen aan de toekomst’ omarmd en daar invulling aan gegeven.”

Tijdens een recente sponsoravond met Leo Alkemade als speciale gast kwam dat duidelijk naar voren. Met bijna honderd aanwezigen stonden we uitgebreid stil bij de plannen van de club.

“Ze hebben de sponsoren meegenomen in wat er allemaal gaat gebeuren. Van de nieuwe velden tot de kansen die dat biedt voor de club en voor hen als sponsor.”

Vrijwilligers als fundament

Naast de sponsorgroep is er ook een speciaal uitvoeringsteam opgericht. Dit team richt zich op de praktische uitvoering van de modernisering.

“We doen een groot deel in eigen beheer,” legt Thomassen uit. “Het uitvoeringsteam onderhoudt contact met lokale bedrijven en vrijwilligers om alles voor te bereiden en straks ook uit te voeren.”

Klaar voor de toekomst

Met de plannen die nu op tafel liggen, zet Olympia’60 een belangrijke stap richting de toekomst. Niet alleen op sportief vlak, maar vooral als vereniging.

“Dat familiaire, dat warme gevoel. Dat iedereen zich welkom voelt. En tegelijk willen we een plek blijven waar iedereen met plezier kan voetballen, van jong tot oud.

Als we dat kunnen behouden en tegelijkertijd ons complex verbeteren, dan zijn we echt klaar voor de toekomst.”

En precies daar draait het om bij Olympia’60: samen bouwen aan een club waar ook de volgende generaties zich thuis voelen.

Klik op de link voor meer artikelen over Olympia’60
Klik op de link voor meer informatie over Olympia’60

Kees van der Hagen heeft soms een schop onder zijn kont nodig bij Lekvogels

Kees van der Hagen (23) is centrale verdediger bij Lekvogels. Dit seizoen pakte hij vijf gele kaarten. “Die gele kaarten, dat zijn er te veel. Ik ben centrale verdediger, dus dat helpt al niet echt mee. Maar ik moet eerlijk zeggen: er zaten ook twee praatkaarten tussen. Dat is gewoon dom.”

Hij zegt het zonder omweg. Maar tegelijkertijd weet hij ook hoe het werkt op het veld. “Als je in zo’n wedstrijd zit, zeker een derby tegen Hei- en Boeicop of een ander dorp, dan loopt het gewoon hoog op. Adrenaline, emoties… dan flap je er soms wat uit. Achteraf denk je: waarom zeg ik dat?”

Zijn route richting Lekvogels is minder recht dan je misschien zou verwachten. Hij begon er als klein jochie, vertrok daarna en kwam pas later echt terug. “Van mijn vierde tot mijn tiende zat ik hier. Daarna ben ik naar SteDoCo gegaan voor een jaartje en vervolgens vijf jaar bij Geinoord gespeeld, wat nu Parkhout is.”

Dat was geen toevallige stap. “Ik zat op school in Nieuwegein, dus dat was gewoon praktischer. En toen ging ik ook nog niet echt om met jongens uit het dorp. Dat kwam pas later.”

Hij herinnert zich die periode nog goed. Andere omgeving, ander niveau ook. “Bij Parkhout lag het niveau in de jeugd wel hoger. We speelden ook oefenwedstrijden tegen bijvoorbeeld FC Utrecht. Dat was gewoon goed.”

En toch keerde hij terug. “Vanaf mijn veertiende, vijftiende ging ik steeds meer om met gasten uit Lexmond. Toen ben ik eigenlijk weer hier gaan voetballen. Achteraf denk je misschien wel eens: had er meer ingezeten? Maar ik vind met mijn vrienden hier voetballen gewoon leuker. Echt, dat weegt voor mij zwaarder dan dat niveauverschil.”

Sinds zijn negentiende speelt hij in het eerste. Inmiddels zijn dat vier seizoenen. Hij weet wat hij kan, maar ook wat hij laat liggen. En daar is hij opvallend open over. “Vroeger zat er misschien wat meer in dan nu. Maar dat komt door mezelf. Ik ben soms gewoon een beetje laks, ja. Dat moet ik ook eerlijk zeggen. Ik heb af en toe echt een schop onder m’n kont nodig. Als een trainer mij echt motiveert, dan ga ik er ook vol voor. Dan wil ik laten zien dat ik het kan. Maar dat moet soms wel even getriggerd worden.”

Het zit hem vooral in de trainingen. Niet in de wedstrijden. “Op zaterdag sta ik er wel, hoor. Maar op trainingen… ja, dan ben je met vrienden, dan wordt er gelachen, een beetje geouwehoerd. Dan heb je soms iemand nodig die zegt: hé, even serieus.”

Het seizoen van Lekvogels is er eentje die schuurt. “Vorig jaar zijn we al gedegradeerd uit de derde klasse. Dat was een hele sterke competitie, daar waren we gewoon niet tegenop gewassen.”

Maar dit jaar ligt dat anders. “We hadden gehoopt om een beetje rond de top zes te spelen. Maar ja, we staan nu ver daaronder. Dat valt gewoon tegen. Wel moet ik zeggen dat we bijna nooit met grote cijfers verliezen. Het is vaak 1-0 of 2-1. Dat maakt het ook zo zuur.”

De realiteit is duidelijk: het wordt vechten voor lijfsbehoud “Dat is het belangrijkste. Alles daarboven is mooi, maar dit is realistisch.”

Voor volgend seizoen verandert er wel iets. De huidige trainer vertrekt, en Pieter van Zessen komt over van VV Ameide. “We hebben al wat verhalen gehoord via jongens die hem kennen. Allemaal positief.”

Zelf blijft hij sowieso. Daar hoeft hij niet lang over na te denken. “Ja, ik blijf gewoon bij Lekvogels. Ik heb het hier goed naar mijn zin.”

Klik hier voor meer informatie over Lekvogels
Klik hier voor meer artikelen over Lekvogels

TSC Girls United geeft meiden- en vrouwenvoetbal bij TSC Oosterhout nieuwe ambitie en structuur

Het meiden- en vrouwenvoetbal bij TSC Oosterhout heeft een flinke impuls gekregen met de oprichting van TSC Girls United. Met dit initiatief wil de vereniging het meisjesvoetbal niet alleen laten groeien in kwantiteit, maar ook in kwaliteit en ambitie.

Binnen TSC Oosterhout leefde al langer de wens om het meiden- en vrouwenvoetbal sterker neer te zetten. Hoewel er al meisjes bij de club voetbalden, vonden betrokkenen dat er meer mogelijk was. Die gedachte vormde uiteindelijk de basis voor het initiatief TSC Girls United.

Volgens Richard Breedijk, één van de initiatiefnemers, ontstond het idee vanuit de ambitie om het meidenvoetbal binnen de club naar een hoger niveau te tillen. “We wilden het niet alleen laten groeien in aantallen, maar ook in kwaliteit en structuur,” legt hij uit. “Het moest een serieus onderdeel van de club worden.”

Met TSC Girls United kreeg dat plan een duidelijke vorm. Het initiatief bundelt alle meiden- en vrouwenactiviteiten binnen de club en moet ervoor zorgen dat het meisjesvoetbal een herkenbare plek krijgt binnen de vereniging.

Ruimte voor iedereen

Een belangrijk uitgangspunt van TSC Girls United is dat er plek moet zijn voor verschillende soorten speelsters. Niet iedere voetbalster heeft dezelfde ambitie, en juist daarom wil de club meerdere niveaus aanbieden.

“Er moet ruimte zijn voor meiden die gewoon lekker willen voetballen met vriendinnen,” zegt Breedijk. “Maar tegelijkertijd willen we ook een omgeving creëren voor meiden die echt prestatiegericht bezig willen zijn.”

Die combinatie moet ervoor zorgen dat het meidenvoetbal breed groeit, terwijl er tegelijkertijd ook een duidelijke ontwikkelingslijn ontstaat voor talentvolle speelsters.

Dezelfde kansen als de jongens

Een belangrijk uitgangspunt binnen TSC Girls United is dat meisjesvoetbal binnen de club net zo serieus wordt genomen als het jongensvoetbal. Dat betekent dat er bewust wordt gekeken naar faciliteiten, trainingsmogelijkheden en begeleiding.

“De meiden moeten dezelfde kansen krijgen als de jongens,” zegt Breedijk. “Dus goede trainers, goede trainingsmomenten en de mogelijkheid om jezelf te ontwikkelen.”

Voor de prestatieteams betekent dat bijvoorbeeld dat zij meerdere keren per week kunnen trainen, vergelijkbaar met veel jongensteams binnen de club. Op die manier wil de vereniging een omgeving creëren waarin talent zich echt kan ontwikkelen.

Daarnaast kijkt de club met het oog op de toekomst ook naar de piramidestructuur. De ambitie is om in iedere leeftijdscategorie meerdere meidenteams te hebben. Daardoor ontstaat er uiteindelijk ook ruimte om te selecteren en teams samen te stellen op niveau.

“Als je meerdere teams per lichting hebt, kun je de volgende stap in de ontwikkeling van het meidenvoetbal binnen de vereniging zetten,” legt Breedijk uit.

Regionale aantrekkingskracht

De nieuwe aanpak begint inmiddels ook buiten de club aandacht te trekken. Volgens Breedijk merkt de vereniging dat het initiatief steeds meer bekendheid krijgt in de regio.

Steeds vaker melden zich meisjes die niet alleen uit Oosterhout komen, maar ook uit omliggende plaatsen. Zo ziet de club bijvoorbeeld interesse vanuit steden zoals Tilburg en Bergen op Zoom.

“Je merkt dat het rondgaat,” zegt Breedijk. “Meiden horen dat er hier serieus wordt gewerkt aan het meidenvoetbal en dat trekt natuurlijk aandacht.”

Ambitie voor een vrouwenelftal

De plannen van TSC Girls United reiken bovendien verder dan alleen de jeugdteams. De club wil ook een sterke doorlopende lijn creëren richting het seniorenvoetbal.

Een belangrijk doel is daarom om op korte termijn een vrouwenelftal in te schrijven. Dat moet ervoor zorgen dat talentvolle speelsters vanuit de jeugd kunnen doorstromen naar een seniorenteam binnen de eigen vereniging.

“Dat is uiteindelijk waar je naartoe wilt,” zegt Breedijk. “Dat meiden hier beginnen als jeugdspeler en uiteindelijk ook in een vrouwenelftal van de club kunnen spelen.”

Met TSC Girls United hoopt TSC Oosterhout de komende jaren flinke stappen te zetten. De basis ligt er volgens Breedijk inmiddels. “We hebben een duidelijke visie en een plan. Nu gaan we het stap voor stap verder uitbouwen.”

Klik op TSC voor de laatste artikelen over de club.
Klik op TSC voor meer informatie over de club.

Remon van Soest keert terug naar HSSC’61 “Ik wil plezier maken en belangrijk zijn”

Drie jaar geleden vertrok Van Soest bij HSSC’61 naar LRC Leerdam. Een stap die op dat moment logisch voelde. Hij was achttien en merkte dat hij toe was aan iets anders. “De intentie was toen om te kijken of ik dat niveau aan kon. Bij HSSC had ik wel het gevoel dat ik daar een beetje klaar was. Dan wil je weten hoe ver je kunt komen.” In Leerdam kwam hij terecht in een andere realiteit. Het tempo lag hoger, de concurrentie was groter. “In het begin was het vooral wennen aan het niveau, aan het spel, maar ook aan de concurrentie. Je merkt dat er betere spelers om je heen staan. Je gaat zelf ook beter voetballen, maar het wordt ook moeilijker om te spelen.”

Zijn rol in het team bewoog mee met dat proces. Veel invalbeurten, af en toe langere fases, soms belangrijk zijn, soms ook niet. “Ik heb wel momenten gehad dat ik belangrijk was. Maar ik denk ook dat ik belangrijker had kunnen zijn dan dat ik uiteindelijk ben geweest.”

Dat gevoel werd versterkt in zijn tweede seizoen, toen het juist de goede kant op leek te gaan. “In de voorbereiding ging het goed. Ik stond er goed op maar ik scheurde mijn hamstring. Dan moet je eigenlijk weer helemaal opnieuw beginnen.”

Na drie jaar maakt Van Soest de balans op. “Ik heb het geprobeerd. En het is niet helemaal gelopen zoals je misschien hoopt. Dat is jammer, maar ik kan daar wel mee leven.” Hij is 21 en weet dat er nog genoeg kan gebeuren, maar voelt ook dat dit het moment is om een andere keuze te maken. Die keuze lag niet vast. Er waren meerdere clubs die interesse hadden, uit verschillende klassen. Toch koos hij niet voor de volgende stap omhoog, maar voor een stap die beter bij hem past. “Ik wilde gewoon zekerheid dat ik ga spelen. En dat ik weer plezier krijg. Bij andere clubs is het toch weer afwachten hoe het loopt. Dat risico wilde ik nu niet.”

Zo kwam hij weer uit bij HSSC’61. De club waar het begon, waar zijn broer speelt en waar de lijnen kort zijn. “Daar weet ik gewoon dat ik veel ga spelen. En dat ik weer kan genieten. Mijn vader heeft hier ook gevoetbald en is nu coach. Mijn zus speelt bij de vrouwen, mijn broers voetballen ook. Iedereen zit eigenlijk wel in het voetbal. Het is gewoon mooi om straks weer met mijn broer te spelen.”

Zijn terugkeer betekent niet dat hij genoegen neemt met alleen minuten maken. Hij wil een rol hebben, invloed uitoefenen. “Ik wil belangrijk zijn ja. Ik ga niet terug om alleen maar negentig minuten te spelen en verder niks te doen. Ik wil wel echt iets toevoegen. Ik hoop dat ik de ervaring die ik heb opgedaan een beetje kan meenemen en dat ik het team daarmee kan helpen.”

Op het veld ziet hij zichzelf als een aanvaller die op meerdere posities kan spelen. “Links, rechts of in de spits. Dat maakt niet zoveel uit. Vooral het rennen en achter de verdediging komen, is mijn kracht.”

Over de ambities van HSSC’61 blijft hij realistisch. “Ik denk dat het dit seizoen lastig wordt. Ze staan nu onderin. Misschien met heel veel geluk nog een periode, maar het belangrijkste is dat ze erin blijven.” De blik gaat daarom al snel naar volgend seizoen. “Als iedereen fit is en je spreekt met elkaar een duidelijk doel af, dan moet er wel wat kunnen. Daar wil ik wel mijn bijdrage aan leveren. Een stuk of vijftien goals. Dat moet wel kunnen.”

Klik op HSSC’61 voor de laatste artikelen over de club.
Klik op HSSC’61 voor meer informatie over de club.

Judith Nijsen terug bij RFC: ‘Met structuur en passie bouwen aan de toekomst’

Na vijf jaar afwezigheid is Judith Nijsen terug bij RFC. De club heeft haar aangesteld als hoofd voetbalzaken, een rol waarin ze met veel energie en ervaring wil bouwen aan een duidelijke structuur binnen de jeugdopleiding. Met een achtergrond in verschillende sporten, jarenlange ervaring als trainer en haar huidige rol als scout voor de KNVB, brengt ze een schat aan kennis mee terug naar de club waar ze eerder al actief was.

Hoewel Nijsen inmiddels stevig verankerd is in de voetbalwereld, begon haar sportcarrière eigenlijk in een andere sport. “Van origine kom ik uit de hockeywereld,” vertelt ze. “Daar heb ik al mijn trainerspapieren gehaald en allerlei teams getraind, van jeugd tot senioren. Maar op een gegeven moment gingen mijn kinderen voetballen en rolde ik vanzelf het voetbalwereldje in.”

In de jaren die volgden bekleedde ze verschillende rollen bij clubs in de regio. Ze was onder meer hoofd jeugdopleiding bij Madese Boys en trainde diverse selectieteams bij andere verenigingen. Ook bij RFC was ze al eerder actief, onder andere rondom de fusie van de club, waar ze hielp bij het opzetten van een technisch jeugdplan.

Op een bepaald moment besloot Nijsen een stap terug te doen bij RFC. “Ik stond bijna iedere avond op het veld en was daarnaast ook nog fulltime aan het werk. Dat werd simpelweg te veel.” Toch bleef het voetbal altijd trekken.

In die periode ging ze aan de slag als scout voor de KNVB binnen het programma Jeugdplan Nederland. Daar bekijkt ze talentvolle spelers en speelsters in de leeftijdscategorie van elf tot veertien jaar. “Het mooie van scouten is dat je wedstrijden kijkt, spelers beoordeelt en verslagen maakt. Als een speler opvalt, kan die worden uitgenodigd voor district trainingen.”

Toen de nieuwe voorzitter van RFC haar benaderde om opnieuw mee te denken over de voetbalorganisatie van de club, begon het bij Nijsen toch weer te kriebelen. “Ik heb nog eens gevraagd naar het beleidsplan dat destijds was geschreven. Toen bleek dat ze eigenlijk nog steeds werkten met het plan dat ik vijf jaar geleden had gemaakt. Toen dacht ik: misschien is dit wel het moment om weer iets voor de club te betekenen.”

Haar terugkeer werd bovendien met enthousiasme ontvangen binnen de vereniging. “Toen bekend werd dat ik terugkwam, stroomde mijn mailbox meteen vol met positieve berichtjes. Dat was heel leuk om te merken.”

In haar nieuwe rol als hoofd voetbalzaken wil Nijsen vooral zorgen voor meer structuur binnen de jeugdopleiding. “Bij veel teams zijn het enthousiaste ouders die training geven. Dat is fantastisch, want vrijwilligers zijn onmisbaar. Maar die mensen hebben ook ondersteuning nodig.”

Daarom werkt ze aan een systeem met trainerscoördinatoren die op het veld begeleiding geven aan trainers. “Het idee is dat we maandelijks thematrainingen organiseren, waarbij trainers handvatten krijgen om hun teams beter te begeleiden.”

Daarnaast wil ze meer lijn brengen in de speelwijze en opleiding binnen de club. “Het maakt niet uit of een team op hoog niveau speelt of recreatief, maar het is wel belangrijk dat iedereen dezelfde basisprincipes leert. Dan kunnen spelers ook makkelijker doorstromen naar hogere teams.”

Nijsen benadrukt dat veranderingen tijd nodig hebben. “Je kunt niet verwachten dat alles in één jaar perfect loopt. Het gaat erom dat je stap voor stap werkt aan verbetering.”

Daarbij kijkt ze niet alleen naar voetbaltechnische zaken, maar ook naar cultuur en gedrag binnen de club. “Normen en waarden vind ik heel belangrijk. Respect voor scheidsrechters, elkaar helpen op het veld en samen verantwoordelijk zijn voor de club.”

Met haar ervaring als trainer, bestuurder en scout hoopt ze de komende jaren bij te dragen aan een sterke basis voor RFC. “Als we ervoor zorgen dat kinderen zich goed kunnen ontwikkelen en trainers zich gesteund voelen, dan volgt de rest vanzelf.”

Klik op RFC voor de laatste artikelen over de club.
Klik op RFC voor meer informatie over de club.

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Ontvang nu ook maandelijkse het laatste nieuws uit het amateurvoetbal in jouw regio.