Home Blog Pagina 2

Jacques-Dirk Langerak is de nieuwe voorzitter van VV Vuren

Soms loopt een verhaal niet via een uitgestippeld pad, maar via een moment. Voor Jacques-Dirk Langerak begon het voorzitterschap van VV Vuren niet met een ambitieplan of een lange voorbereiding, maar ergens op een trainingskamp. “Wij gaan één keer per jaar met de senioren een weekend weg,” vertelt hij. “En toen zei iemand: ‘Waarom ga jij het niet doen?’ Ik zei nog: ‘Nee joh.’ Maar toen stak iemand zijn hand op en riep: ‘We hebben een nieuwe voorzitter.’” Hij lacht er nog om, maar het was wel het moment dat iets kantelde. “Misschien was dat net het zetje wat ik nodig had.”

Formeel zit Langerak er pas net, maar feitelijk draaide hij sinds eind januari al mee. Toch zat daar wel twijfel voor. “Ik heb een drukke baan, drie kinderen die allemaal voetballen, ik voetbal zelf nog en ik zat in de jeugdcommissie. Dan ga je wel nadenken: past dit er nog bij?” Die afweging is herkenbaar voor iedereen die in het amateurvoetbal rondloopt: het is nooit één taak, het stapelt zich altijd op. “Op een gegeven moment moet je keuzes maken. Je kunt niet alles blijven doen.”

Dus stapte hij uit de jeugdcommissie, maar stapte hij wel in het voorzitterschap. En dat voelt goed, zegt hij. Niet omdat het een mooie titel is, maar omdat het werk hem ligt. “Ik vind het leuk om organisatorisch bezig te zijn. En dat je met een groep bestuursleden beleid kan bepalen voor de club, dat geeft energie. Je bent ergens mee bezig wat groter is dan jezelf.”

Langerak is geen geboren Vurenaar. Hij groeide op in Schelluinen, voetbalde daar, maakte de stap naar Unitas in de jeugd en speelde later nog bij SVW. Maar uiteindelijk kwam hij toch weer uit bij het dorpsvoetbal. “Dat past gewoon beter bij mij. Je kent mensen, het is overzichtelijk, iedereen doet wat voor de club.” Sinds vijf jaar woont hij in Vuren. “We zochten meer ruimte en dat vonden we hier. En ik vond het ook wel mooi om weer in een dorp te wonen, zoals vroeger.”

Vanaf dat moment ging het snel. Zijn kinderen gingen voetballen, hij werd trainer, rolde de jeugdcommissie in en sloot zich aan bij de 35-plus. “En dan zit je er ineens middenin.Dat gaat vanzelf.”

Dat ‘middenin zitten’ kreeg al snel een andere lading, want nog voordat hij goed en wel kon landen in zijn rol, moest er een lastige beslissing genomen worden. VV Vuren stond onderaan en het bestuur besloot de samenwerking met de hoofdtrainer te beëindigen. Langerak draait er niet omheen, maar weegt zijn woorden wel zorgvuldig. “Dat is geen makkelijke beslissing. Je hebt met een persoon te maken. Maar uiteindelijk moet je kijken naar het belang van de club.”

Hij benadrukt dat het nooit zwart-wit is. “Het is niet alleen de trainer. We hebben ook naar de spelers toe uitgesproken: jongens, kijk ook in de spiegel. Het is altijd een combinatie.” Maar de resultaten bleven uit en de signalen veranderden niet. “Dan moet je op een gegeven moment iets doen. Je kunt niet blijven wachten. Of het helpt, dat weet je pas achteraf.”

Wat hem opvalt aan de club waar hij nu leiding aan geeft, is niet zozeer iets spectaculairs, maar juist iets basaals. “Het is echt een dorpsclub. Er zijn veel vrijwilligers en als er iemand stopt, staat er vaak wel weer iemand anders op.”

Het grootste agendapunt is het grasveld. “We hebben nu nog geen kunstgras,” zegt hij. “En we willen eigenlijk over een jaar of twee dat wel realiseren. Daar komt veel bij kijken. Geld, gemeente, plannen maken. Maar we hebben dat nu wel echt op de agenda staan.”

Voor meer artikelen over VV Vuren klik hier.
Voor meer informatie over VV Vuren klik hier.

Nieuwe impuls voor meidenvoetbal bij Monster: “We doen dit echt samen”

0

Het meiden- en vrouwenvoetbal bij SC Monster groeit. Niet explosief, maar gestaag. Dat komt doordat er mensen zijn die er tijd en energie in steken. Zoals Lynn van Vliet en Mady van der Zeyden, die samen een belangrijke rol spelen binnen de technische commissie van de meiden- en damesafdeling.

Want waar die afdeling voorheen onderdeel was van de mannen-TC, staat er sinds dit seizoen een eigen structuur. En dat was nodig. “Er werden zoveel dingen besproken, dat wij er vaak niet eens aan toekwamen,” vertelt Lynn. “De mannenafdeling is groot, logisch dat daar de meeste aandacht naartoe gaat. Maar wij groeien ook, dus we wilden daar meer focus op.” Monster heeft twee senioren damesteams, vier jeugdteams en sinds kort een MO8 die vriendschappelijke partijen speelt.

De ruimte om te groeien is er nu. Met een TC van vijf mensen, waarin Lynn en Mady samen optrekken, ligt de nadruk op alles rondom de teams. Niet alleen organiseren, maar vooral: voelen wat er speelt. “Wij zitten dicht op de groepen. Vooral bij Dames 1, Dames 2 en de MO15. We proberen echt te horen hoe meiden erin staan. Wat gaat goed, wat kan beter.”

Die rol is misschien minder zichtbaar dan die van een trainer, maar minstens zo bepalend. Want sfeer en ontwikkeling lopen vaak door elkaar heen. “Als het goed gaat en je wint, is er weinig aan de hand. Maar als je vaker verliest, komt er vanzelf wat meer onrust.”

Juist daarom zoeken zij actief het gesprek op. Zo werden er recent gesprekken gevoerd met alle speelsters van de MO15. Niet uit noodzaak, maar uit aandacht. “Gewoon vragen: heb je het naar je zin, zit je ergens mee, wil je dat dingen anders gaan? Dat soort dingen.”

Voor Lynn zelf is die rol geen vanzelfsprekendheid geweest. Jarenlang stond ze zelf op het veld, tot haar lichaam haar tot stilstand dwong. Twee keer scheurde ze haar kruisband. “De eerste keer rechts, de tweede keer links. Dan weet je: dit wordt weer een lang traject.”

Stoppen bij de voetbalclub? Geen moment serieus overwogen. “Ik vind het veel te leuk. Dus dan ga je kijken: hoe kan ik toch betrokken blijven?” Die betrokkenheid vond ze in de TC, waar ze samen met vier andere vrijwilligers een brug vormt tussen speelsters en beleid. Iets wat, zeker in een groeiende afdeling, onmisbaar is.

Want groeien doet het meidenvoetbal bij Monster. Met teams van de jongste jeugd tot aan de senioren ligt er inmiddels een stevige basis. “Als je ziet wat er nu staat, dat is gewoon mooi. “En we willen verder groeien, maar wel op een manier dat iedereen het naar zijn zin heeft.”

Of Lynn zelf ooit nog terugkeert op het veld, is nog onzeker. De wil is er, maar het risico ook. “Ze kunnen niet garanderen dat als ik nog een keer mijn kruisband scheur ik alles kan blijven doen wat ik nu kan. Dus dat weegt wel mee.”

Klik op SC Monster voor de laatste artikelen over de club.
Klik op SC Monster voor meer informatie over de club.

Huib van Driel is al zeventig jaar lid van ASV Arkel: “Ik blijf er altijd bij betrokken”

Bij ASV Arkel loopt een man rond die er altijd al was. Hij was er letterlijk vanaf de eerste dag. Huib van Driel is 87 jaar en sinds de oprichting in 1956 lid van de club en daarmee het oudste lid van Arkel. Huib speelde is een clubman pur sang die niet alleen zijn wedstrijden speelde, maar daarna ook bleef hangen. Eerst als voetballer, later als vrijwilliger, als manusje-van-alles, als supporter en als vaste verschijning op sportpark Schoonzigt.

Huib kwam in 1956 bij ASV Arkel terecht, in de tijd dat de club opnieuw werd opgebouwd. Daar zat ook meteen iets persoonlijks in, want zijn vader speelde een rol bij die heroprichting. “Hij haalde contributie op. In die tijd moest je nog gewoon langs de deuren gaan. Een andere tijd.”

Zelf had hij voor die tijd al in Gorinchem gevoetbald, bij SVW. Maar toen twee mensen hem vroegen om mee te helpen bij het nieuwe Arkel, hoefde hij daar niet lang over na te denken. Hij ging, bleef en ging nooit meer weg.

Er waren wel clubs die aan hem trokken, vertelt hij. Zeker nadat hij in Gorinchem had laten zien dat hij aardig uit de voeten kon. Maar Huib koos voor de dorpsclub die Arkel was en nog altijd is. Op het veld stond Huib rechtsbuiten. “Ik was de gevaarlijke man op rechts,” zegt hij met zichtbaar plezier. “Ik was snel, handig en ik pikte geregeld een doelpunt mee. Er waren weinig wedstrijden dat ik niet scoorde.”

Of hij net zo goed was als zijn buurjongen Frenkie de Jong? “Nee dat ook weer niet. Mijn vrouw en ik houden Frenkie goed in de gaten, hij doet het fantastisch in Barcelona en we zijn trots op hem. Frenkie woonde altijd naast ons en we zagen hem vaak op zijn fiets stappen met een bal onder zijn snelbinders.”

Zoals dat bij echte clubmensen gaat, bleef het niet bij spelen alleen. Huib werd leider, zat in werkcommissies, hielp met onderhoud en pakte op wat er nodig was. Dat doet hij nog steeds, zij het in beperktere vorm. Met een stok, soms met een scootmobiel, en na een nare val waarbij hij zelfs over de kop sloeg met dat ding. Toch laat hij zich daar niet helemaal door tegenhouden. Hij rijdt nog steeds geregeld naar sportpark, kijkt rond, praat wat, helpt waar dat kan en blijft bovenal aanwezig. “Voor een bakje koffie, een praatje, een hand- en spandienst, een kritische blik op de kantine of de kleedkamers.”

En dan is er natuurlijk nog het eerste elftal. Want ook nu volgt Huib Arkel nog op de voet. “Uit en thuis. Het lijkt erop dat we kampioen worden. Daar kan ik nu al naar uitkijken. Als die jongens op de platte kar door het dorp gaan rijden, stap ik er ook op.”

Een leven lang Arkel

Inmiddels is Huib onderscheiden door Arkel. Hij kreeg de zilveren en gouden speld van de club, werd lid van verdienste en ontving ook buiten de voetbal waardering voor zijn vrijwilligerswerk. Maar het meest trots klinkt hij misschien nog wel als hij vertelt dat hij al zeventig jaar lid is van Arkel. Dat hij er nog steeds komt. Dat mensen hem nog steeds kennen. Dat hij nog steeds mag meepraten over de club.

Klik op ASV Arkel voor de laatste artikelen over de club.
Klik op ASV Arkel voor meer informatie over de club.

Rik Helleman (22) is goud waard voor Quintus

0

Als je bij Quintus rondloopt, kom je Rik Helleman (22) vroeg of laat vanzelf tegen. Op zaterdag vanaf zeven uur ’s ochtends tot een uur of zes ’s avonds is hij er. Doordeweeks ook. Training geven, keeperstraining verzorgen, randzaken regelen, even bij het eerste kijken. Vijf dagen per week is hij op de club. “Als je andere leiders ziet, ben ik meestal de jongste,” zegt hij lachend. Maar dat hoor je hem niet als bezwaar uitspreken. Voor Rik voelt het logisch.

Zijn voetbalverhaal begon bij VELO, waar hij tien jaar keepte. Hij volgde de opleiding Sport en Bewegen en zat met vriend Timo van Houten in de klas, die nog een keeper zocht. Uiteindelijk koos Rik voor een overstap naar Quintus. “Bij VELO werden dingen beloofd die niet werden waargemaakt. Ik zou hoger komen, maar dat gebeurde niet. Ook keek die club niet om naar teams die geen selectie waren.”

Bij Quintus vond hij iets anders. “Het is een kleinere club. Iedereen kent elkaar en je wordt gewaardeerd voor wat je doet.” Dat gevoel van erkenning maakte het verschil. Timo van Houten vroeg hem destijds om te komen keepen, en zo begon zijn hoofdstuk in Kwintsheul.

Hij keepte er drie jaar, maar zijn lichaam werkte niet mee. Twee keer schoot zijn schouder uit de kom, één keer zijn elleboog. “Toen was het klaar.”

Van onder de lat naar langs de lijn

Tijdens zijn blessureperiode werd hij gevraagd om te vlaggen en leider te worden bij het eerste. “Ik regel alles rondom de wedstrijden. Kleding, randzaken, wedstrijdformulier. Sinds kort hoort daar ook een VEO-camera bij om wedstrijden op te nemen.”

Daarnaast werd Rik jeugdtrainer. Inmiddels zit hij in zijn vijfde jaar als trainer. “Ik begon bij de JO11 en groeide mee met de groep naar de JO15. Ik zie hoe ze beter worden. Niet alleen voetballend, maar ook als team. Ze spreken buiten de training met elkaar af. Het is echt een vriendenteam. Ook de ouders zijn betrokken. Ik heb mijn trainersdiploma’s gehaald, maar voor nu zie ik geen noodzaak om nog meer diploma’s te halen.”

Meer dan alleen trainen

Rik beperkt zich niet tot twee avonden per week training geven. Hij organiseert het E- en F-weekend van de club. Een compleet weekend vol voetbalspellen, stormbanen, springkussens, penalty’s tegen de keeper van het eerste, samen eten en slapen op de club. “Zo’n weekend kost veel voorbereiding, maar het is geweldig om te zien hoe die kinderen genieten.”

Daarnaast fluit hij af en toe als scheidsrechter, geeft hij keeperstraining op donderdag en ondersteunt hij andere jeugdteams waar nodig. Vanaf volgend seizoen treedt hij toe tot de technische commissie van de jeugd. Daar gaat hij meewerken aan een beleidsplan en wordt zijn rol het ondersteunen van andere trainers. “Ik wil trainers helpen waar ze tegenaan lopen. Niet alles zelf doen, maar zorgen dat zij beter worden.”

Wat drijft hem? “Als je jongens iets probeert te leren – tactiek, nadenken in het veld – en je ziet dat ze het gaan snappen, dat is mooi.” Naast het voetbal werkt Rik 31 uur per week in de kinderopvang en daarnaast negen uur als onderwijsassistent. Zijn leven draait om kinderen, op het werk en op het veld. Toch voelt de club niet als een verplichting. “Het is veel,” erkent hij. “Maar als je het met veel mensen samen doet en je krijgt er energie van, dan voelt het niet als veel.”

Klik op vv Quintus voor de laatste artikelen over de club.
Klik op vv Quintus voor meer informatie over de club.

Mark van der Sluijs is regelneef bij HVC’10

0

Mark van der Sluijs is 54, Rotterdammer van oorsprong, en via de liefde in Hoek van Holland terechtgekomen. Het type vrijwilliger dat je bij vrijwel iedere amateurclub nodig hebt, maar zelden in één functie kunt vangen. Trainer was hij, wedstrijdsecretaris is hij nog steeds, daarnaast draait hij mee in de toernooicommissie, gaat hij mee op jeugdkamp en is hij sinds dit seizoen hoofdcoördinator jeugd bij HVC’10. Zelf zegt hij het liever wat luchtiger: “Ik ben meer de regelneef van de club.”

Zijn verhaal bij HVC’10 begon zoals het bij veel vrijwilligers begint: met een kind dat ging voetballen. Zijn zoon kwam bij de mini’s terecht en via goede vriend Jeroen Kramer werd ook Mark de club ingezogen. “Jeroen vroeg: kan je me helpen bij de mini’s? Toen zei ik: ja, tuurlijk.” Dat helpen werd een vaste rol. Eerst ondersteunde hij trainingen en coaching, van de mini’s tot en met ongeveer de JO11. Daarna ging hij zelfstandig verder en groeide hij mee met de lichting van zijn zoon.

Dat hij zijn eigen zoon trainde, voelde voor hem nooit gek. “Mijn vader deed dat vroeger ook bij mij. Dus voor mij was dat eigenlijk heel logisch. Een vereniging is iets wat je samen doet. Als je je kind bij een club hebt, dan moet je ook iets bijdragen. Als niemand het doet, zijn er geen trainingen, geen coaching en geen activiteiten.” Dat betekent niet dat hij geen valkuilen zag. Zoals zoveel ouders die trainer worden, merkte ook hij dat je soms te veel verwacht van zo’n groep. Zeker als je fanatiek bent en graag wilt dat dingen goed gaan. “Dan verwacht je soms meer van die jongens dan erin zit en word je negatief. Dan maak je het voor jezelf eigenlijk moeilijker.”

Uiteindelijk stopte hij als trainer, maar zeker niet als vrijwilliger. Integendeel. Hij verschoof van het veld naar de organisatie. Eerst kwam de rol van wedstrijdsecretaris op zijn pad. Vanuit het wedstrijdsecretariaat rolde hij verder de club in. Hij kwam in de kampleiding terecht, ging thuistoernooien mede organiseren en schoof steeds vaker aan bij jeugdvergaderingen.

Als hoofdcoördinator is hij nu de schakel tussen coördinatoren per leeftijdscategorie, jeugdvoorzitter en ouders. Hij verzamelt agendapunten, denkt mee over beleid en springt bij waar nodig.

Toch wil hij beslist niet de indruk wekken dat het allemaal op zijn schouders rust. Integendeel. Tijdens het gesprek komt hij daar meerdere keren op terug. “Schrijf wel op dat we het met elkaar doen. Het is niet de Mark van der Sluijs-show.” Dat is voor hem wezenlijk. Hij is voorgedragen door het bestuur, maar ziet zichzelf niet als iemand die boven de rest staat. “Elke vrijwilliger is net zo belangrijk als de voorzitter. Zo zie ik dat echt. Zonder vrijwilligers kan een vereniging gewoon niks.”

Jeugdkamp

Het jeugdkamp neemt bij HVC’10 een bijzondere plek in. Mark noemt het een voetbalkamp, maar voegt er meteen aan toe dat voetbal eigenlijk bijzaak is. Vijf dagen lang gaan kinderen van grofweg de JO9 tot en met de oudste jeugd samen naar een kamphuis. Daar worden teams gemaakt met een mix van leeftijden, waarbij de oudste spelers aanvoerder zijn van de groep. Vervolgens draait de week om spellen, uitdagingen, onderlinge competitie en plezier. “We proberen drie spellen per dag te doen. Natuurlijk wordt er ook gevoetbald, maar het gaat vooral om samen dingen beleven. Het is echt zo’n week waar kinderen nog lang over napraten.”

HVC’10 is een regioclub, maar niet van het formaat Westlandia of ’s-Gravenzande, waar selectieteams op divisieniveau spelen en de ambities nog verder reiken. HVC’10 zit daaronder, sportief gezien, maar probeert zich te onderscheiden op sfeer, betrokkenheid en jeugdbeleving. “Als kinderen echt heel goed zijn en naar een grotere club willen, dan snappen we dat. Maar we willen wel zorgen dat kinderen hier met plezier blijven voetballen.” De clubindeling is dan ook niet alleen gericht op niveau, maar ook op plezier. “Ieder kind moet in zijn eigen kracht kunnen voetballen.”

Opvallend is hoe vaak in zijn verhaal de ouders terugkomen. Goede, betrokken ouders zijn volgens hem goud waard voor een team. Niet alleen omdat ze rijden of limonade meenemen, maar omdat ze helpen om een groep te maken. Een teamuitje, een seizoensafsluiting, net even dat extra. “Je gunt elk team betrokken ouders.Dat maakt zoveel verschil.” Tegelijk ziet hij ook de andere kant: ouders die hun kind afzetten, wegrijden en verder weinig binding met de club opbouwen. Dat vindt hij soms lastig. Niet verwijtend, wel eerlijk. “Je ziet vaak dezelfde mensen. En ik snap dat iedereen druk is, maar ik vind wel dat je in een vereniging iets mag verwachten.”

Hij noemt als voorbeeld de bardiensten. Bij HVC’10 wordt aan ouders gevraagd om een paar keer per seizoen een dienst te draaien. Niet veel, zeker niet als je het uitsmeert. Toch is er weerstand. Te druk, al genoeg gedaan, contributie betaald, de redenen kent hij inmiddels wel. Maar hij merkt ook dat mensen die het eenmaal doen, vaak verrast zijn. “Dan zeggen ze: het valt eigenlijk best mee, en het is nog gezellig ook.”

Zelf weet Mark niet precies hoe lang hij dit alles nog blijft doen. Dat hangt deels samen met zijn zoon, die inmiddels in de JO15 zit en daarnaast judo op hoog niveau doet. Misschien kiest hij straks volledig voor judo. Misschien blijft hij voetballen. En misschien verandert daarmee ook de rol van Mark en zijn vrouw binnen de club. Zijn vrouw is namelijk ook betrokken, onder meer via de kledingcommissie en activiteiten voor de jeugd. “We hebben het er thuis wel over. Wat doen we als hij stopt? Stoppen wij dan ook?” Het antwoord weet hij nog niet. “Aan de ene kant haal ik veel plezier uit mijn werk bij de club en uit de sociale contacten die erbij horen. Aan de andere kant weet ik ook dat veel van mijn betrokkenheid gegroeid is vanuit het langs de lijn staan.”

Voorlopig is dat nog niet aan de orde. Hij blijft nog wel even. Daar lijkt hij zelf ook van overtuigd. Niet omdat het moet, maar omdat hij zich er thuis voelt. Omdat organiseren hem ligt. Omdat hij energie haalt uit een goed lopend toernooi, een geslaagde kampweek of een kind dat met een glimlach naar huis gaat. En misschien ook gewoon omdat een club als HVC’10 mensen nodig heeft die net iets verder kijken dan hun eigen zoon of dochter.

Klik op HVC’10 voor de laatste artikelen over de club.
Klik op HVC’10 voor meer informatie over de club.

Martijn van Beckhoven rolde via zijn drie zoons het voetbal in: “Met een bepaalde instelling kun je alles”

Martijn van Beckhoven groeide niet op als voetbaldier, speelde zelf nauwelijks en kwam ook niet uit een familie waarin alles om de zaterdag draaide. En toch staat hij inmiddels al jaren, meerdere avonden per week, op het veld bij Asperen. Niet met één team, maar met twee. De JO16 en de JO11. Met zijn oudste en jongste zoon daarin, en met een betrokkenheid die je eerder verwacht van iemand die zelf dertig jaar in het voetbal heeft gezeten.

“Ik heb zelf eigenlijk helemaal niks met voetbal gehad. In mijn jongste jeugd heb ik een jaartje gevoetbald, maar daarna eigenlijk niet meer.” Zijn sport lag ergens anders: roeien. Op zijn veertiende werd hij zelfs Nederlands kampioen in een gestuurde vier. Rond zijn zeventiende stopte hij ermee. De ploeg viel uit elkaar, studies begonnen, interesses veranderden.

Dat het voetbal later toch zo’n grote plek in zijn leven zou krijgen, kwam vooral door zijn drie zoons. Jesse, Noah en Luuk. Alle drie gek van voetbal. Alle drie bij Asperen. En dus rolde ook hun vader langzaam mee die wereld in.

“De oudste begon bij de kabouters, de allerkleinsten. Een club zoekt dan ouders die willen helpen, iemand moet het doen, en ik help graag als er iets geregeld moet worden. Ik ben altijd wel enthousiast, ondernemend en een aanpakker. Dus ik zei: dat doe ik wel.”

Zijn oudste zoon groeide door, zijn middelste begon ook, en uiteindelijk kreeg Martijn steeds meer verantwoordelijkheid. Met de oudste groep trok hij jarenlang op, ondertussen alweer zo’n negen jaar. Daarnaast traint hij nu ook de JO11, waar zijn jongste zoon in speelt. Dat betekent dus twee teams, twee trainingsavonden, en op zaterdag vaak ook nog twee wedstrijden. Plus een middelste zoon die ook speelt en die hij tussendoor probeert te volgen. “Maandag en woensdag ben ik van zes tot tien op de club. En zaterdag sta je er eigenlijk de hele dag.”

Geen voetballer, wel trainer

Het opvallende is misschien wel dat Martijn dat allemaal doet zonder klassieke voetbalachtergrond. Bij de JO11 doet hij dat samen met Laurens, bij de JO16 met Wilco. Allebei mannen met een echte voetbalachtergrond. “Voetbaltechnisch lift ik wel een beetje mee op hun succes,” lacht Martijn. “Zeker bij de JO16 is Wilco wel echt de hoofdtrainer. En ik ondersteun op alle vlakken, en probeer ook de groep bij elkaar te houden. Dat vind ik misschien nog wel het mooist. Dat het lukt om die jongens op een positieve manier bij elkaar te houden. Die harde voetbalwereld, met heel veel geschreeuw en pushen, dat is niet mijn stijl.”

Jeugdcommissie

“Ik denk dat het voor mij juist goed was dat ik er niet zo technisch of hard in zat. Misschien keek ik daardoor ook wat menselijker naar indelingen en naar kinderen.” Dat menselijk kijken speelde ook een rol toen hij jarenlang in de technische jeugdcommissie zat. Zes jaar lang was hij daar betrokken bij het indelen van jeugdteams, iets waar vrijwel elke club elk jaar gedoe mee heeft. Ouders die het er niet mee eens zijn, kinderen die liever bij vriendjes spelen, trainers die anders kijken naar kwaliteit. “Wij probeerden dat altijd goed te onderbouwen. En bij Asperen moet je ook blij zijn dat je op elke leeftijd een goed team hebt. Dan is het soms belangrijker om groepen goed te houden dan om alleen op kwaliteit te selecteren.”

Martijn ziet dat vrijwilligers lastig te vinden zijn. Scheidsrechters zijn schaars, trainers en ouders staan wel vaak langs de lijn, maar zetten de stap naar het veld niet zomaar. “Dat vind ik soms wel jammer. Er staan zoveel ouders te kijken, en als je dan vraagt of iemand wil helpen, lukt het vaak niet.”

Hij snapt het ergens ook wel. Niet iedereen durft voor een groep te staan. Niet iedereen denkt dat hij of zij er geschikt voor is. Maar hij gelooft tegelijk dat veel meer mensen het zouden kunnen dan ze zelf denken. “Ik kon het ook niet. Je moet het gewoon doen. Met een bepaalde instelling kun je alles.”

Klik op VV Asperen voor de laatste artikelen over de club
Klik op VV Asperen voor meer informatie over de club.

Noah Abid speelde ooit voor Manchester City en nu voor Westlandia

Noah Abid is 26, speler van Westlandia, technisch begaafd, emotioneel, soms te fel en volgens eigen zeggen ook gewoon koppig. Hij loopt tegen gele kaarten aan en kan op het veld nog altijd reageren vanuit zijn gevoel. Maar wie alleen dát ziet, ziet maar een deel van het verhaal. Want achter de middenvelder die nu met plezier in Naaldwijk voetbalt, schuilt een route die allesbehalve recht is geweest.

Die route liep van Manchester City naar Vitesse, van Ajax naar Almere City, van Tunesië terug naar Nederland, van helemaal klaar zijn met voetbal naar opnieuw beginnen in de eerste klasse, en uiteindelijk naar Westlandia. Onderweg verloor hij mensen, brak hij met anderen, liep hij kansen mis, leerde hij zichzelf beter kennen en kwam hij erachter dat plezier in voetbal geen luxe is, maar een voorwaarde.

Acht gele kaarten

Het begon voor dit verhaal eigenlijk met een statistiek. Acht gele kaarten in twintig wedstrijden. Dat trok de aandacht. Abid moet er zelf ook om lachen, al weet hij dat het niet ideaal is. “De scheids zat ook niet altijd mee, maar ik ben wel gewoon een speler die elk duel wil winnen.” Met 1,66 meter is hij niet de grootste, zegt hij erbij, dus hij moet het hebben van agressie, van felheid, van duels op het randje.

Niet alle kaarten zijn voor te laat inkomen of een harde tackle. Een paar zijn ook voor praten. “Ik ben best emotioneel, best gevoelig ook. Als ik het ergens niet mee eens ben, kan ik daar wel op reageren.” Matig van zichzelf? “Jawel,” zegt hij meteen. “Zeker wel. De trainer zegt het ook. Maar ik ben daar wel mee bezig, hoor.”

Het is een kleine ingang tot een groter verhaal. Want dat gevoel, dat reageren vanuit boosheid of teleurstelling, heeft hem eerder in zijn loopbaan ook in de weg gezeten.

Manchester op je negende

Abid was pas negen toen hij naar Manchester ging. Daar woonde hij tot zijn dertiende. Voor veel jongens is dat de droom: op jonge leeftijd naar een club als Manchester City, trainen met uitzonderlijke talenten als Phil Foden en Cole Palmer, onderdeel zijn van een topsysteem. En natuurlijk, dat was het ergens ook. Maar Abid praat er opvallend nuchter over.

“Als andere mensen het zeggen, dan besef ik wel van: dat is eigenlijk wel bijzonder. Maar zelf ben ik daar best nuchter onder.” Hij gaat niet springen omdat hij bij City heeft gespeeld, zegt hij.

Hoe het leven in Manchester was? “Top, ik voelde me daar gewoon thuis.” Op school, in de omgeving, in het dagelijkse leven. Alleen bij City zelf had hij het moeilijker. “Ik was daar niet echt zeker van mezelf. Dat had ook met thuis te maken.”

Chaos thuis, geen rust in je hoofd

Over zijn jeugd praat Abid open. Zijn vader is Tunesisch, zijn moeder Colombiaans, en later kwam er ook een Nederlandse stiefmoeder in zijn leven die voor hem van grote betekenis werd. Maar zijn thuissituatie was onrustig. Er waren ruzies, spanningen en agressie. Op een gegeven moment verhuisde hij van Engeland naar Nederland, vanuit een situatie waarin de verhoudingen thuis volledig ontwricht raakten.

Veel details wil hij niet breed uitmeten, en dat hoeft ook niet om te begrijpen wat het met hem gedaan heeft. Wat vooral blijft hangen, is de rol van zijn stiefmoeder. Zij ving hem op, gaf hem stabiliteit en zorgde ervoor dat hij weer kon voetballen, eerst bij Vitesse. “Zij was er gewoon voor me. Ze bracht me naar voetbal, ze bleef positief, ook als ik slecht speelde. Als ik wilde opgeven, zei zij dat ik niet moest opgeven.”

Vitesse, Ajax en de fout van niet praten

Via Vitesse kwam Abid uiteindelijk bij Ajax terecht. Daar beleefde hij een aantal van zijn mooiste voetbalmomenten. Kampioen worden met Ajax Onder 19 bijvoorbeeld. Maar ook zijn debuut in het betaalde voetbal bij Jong Ajax. Dat zijn, zegt hij zelf, drie van de mooiste momenten uit zijn loopbaan, samen met zijn oproep voor het eerste elftal van Tunesië. “Als Tunesische jongen is dat geweldig natuurlijk.”

Toch is Ajax voor hem ook de plek waar hij achteraf inziet dat hij zichzelf soms tekortdeed. Hij noemt een situatie met trainer John Heitinga. Abid begon dat seizoen goed, zat lekker in zijn vel, speelde veel en had het gevoel dat hij een van de betere spelers was. Tot hij tegen FC Utrecht opeens op de bank zat. Voor hem kwam dat onverwacht. Hij werd woest.

“Toen ging ik gewoon niet meer met hem praten. De hele week niet. Ik vermeed hem gewoon.” Dat is precies het soort reactie waar hij nu anders op terugkijkt. Niet omdat hij toen geen reden had om boos te zijn, maar omdat hij het volledig liet vastlopen. “Nu zou ik gewoon naar de trainer toe gaan en vragen waarom. Gewoon praten. Toen deed ik dat niet. Toen zat ik helemaal in mijn eigen gevoel.”

Van Almere naar Tunesië

Na Ajax volgde Almere City, waar hij bij Jong Almere terechtkwam. Dat voelde voor hem niet als een stap omhoog. Eerder als een tussenstation waarin hij het nog steeds liet zien, tot corona alles stillegde en de club besloot schoon schip te maken. “Iedereen was gewoon weggestuurd uit ons team. Terwijl ik daar nog jaren had kunnen spelen.”

Daarna vertrok hij naar Tunesië. Op papier een interessant avontuur, in de praktijk viel het tegen. Salarissen kwamen te laat of niet volledig, afspraken werden niet nagekomen en het leven daar maakte hem vooral duidelijk hoe goed hij het in Nederland eigenlijk had. “Dan ga je Nederland wel waarderen. Ik miste niet eens alleen thuis, maar gewoon hoe goed alles hier geregeld is.”

Twee jaar geen voetbal

Na Tunesië kwam Abid terug naar Nederland, waar hij een tijd bij zijn oma terechtkon. Hij dacht niet aan voetbal. Echt niet. “Ik was er helemaal klaar mee,” zegt hij. Twee jaar lang werkte hij gewoon en liet hij het voetbal liggen.

Tot zijn neef bleef aandringen om een keer mee te trainen bij SV Die Haghe. Abid had er geen zin in. Toch ging hij mee. Hij moest bijna overgeven van de inspanning, zegt hij lachend, zo lang had hij niets gedaan. Na één jaar viel hij opnieuw op. Er kwam belangstelling van HBS, Westlandia en van clubs daarbuiten. Eerst koos hij voor HBS, vooral omdat het dicht bij huis was.

Bij HBS liep hij vast op de manier van spelen die de trainer van hem vroeg. Abid had het gevoel dat hij te strak werd gestuurd en te weinig vrijheid kreeg. “Ik heb een trainer nodig die zegt: Noah, doe je ding. Werk keihard, neem je taken serieus, maar speel vanuit je kwaliteiten.”

Bij HBS moest hij volgens hem vooral diep lopen en rennen. “Maar ik ben geen renner. Ik wil voetballen, in de bal komen en ruimtes zoeken.” Door die manier van spelen voelde hij zich beperkt, terwijl hij juist vanuit vrijheid het beste rendeert.

Westlandia als warme club

Toen Westlandia opnieuw belde, voelde dat anders. Niet alleen door de trainer, maar ook door de manier waarop hij werd benaderd. “Mauricio liet echt merken dat hij me graag wilde hebben.” Hij kwam binnen en voelde zich al snel thuis.

Nu, in zijn tweede seizoen, omschrijft hij Westlandia als “een super warme club”. Niet zomaar een mooie zin, maar echt iets wat hij ervaart. “Wat mooi is van Westlandia: het heeft geen groepjes. Iedereen is goed met elkaar. Of ik nou met de keeper op trainingskamp op een kamer lig of met iemand anders, maakt niet uit. Iedereen trekt goed op met elkaar.”

Dat familiegevoel betekent veel voor hem. “Ik voel me belangrijk in het team. Ik speel veel, ik heb het naar mijn zin. Dan is er ook niet echt een reden om weg te gaan.”

Toch is zijn toekomst nog niet honderd procent zeker. Niet omdat hij per se weg wil, maar omdat de trainer vertrekt. En Abid is eerlijk genoeg om toe te geven dat hij mede voor die trainer naar Westlandia kwam. “Ik moet met de nieuwe trainer een goed gesprek hebben. Kijken hoe hij voetbal ziet, hoe hij mij ziet, of er een klik is.”

Klik op RKVV Westlandia voor de laatste artikelen over de club.
Klik op RKKV Westlandia voor meer informatie over de club.

Khalid Benlahsen blijft doelman bij Everstein 45+ “Voor mij is dit gewoon ontspanning”

Wie Khalid Benlahsen alleen kent van Feyenoord of van de KNVB, zou bijna vergeten dat zijn verhaal niet in De Kuip begon, maar gewoon in Everdingen. Bij SC Everstein, op een amateurveld waar hij als jonge keeper zijn eerste ballen pakte, waar hij op zijn zestiende debuteerde in het eerste elftal en waar het voetbal, ook nu nog, iets heel anders oproept dan de wereld waarin hij doordeweeks werkt. “Voor mij is het echt wel ontspanning om bij Everstein te zijn. Ik kijk er daar niet vanuit mijn bril van professioneel voetbal. Daar is amateurvoetbal ook voor.”

Dat zegt iemand die inmiddels al jarenlang op het hoogste niveau van het Nederlandse keepersvak meedraait. Benlahsen werkte bij Feyenoord, eerst in de academy en later bij het eerste elftal, en is tegenwoordig keeperstrainer van Jong Oranje. Daarnaast is hij bij de KNVB hoofddocent voor alle keepersopleidingen in Nederland. Een hoge functietitel, waar hij zelf nuchter over spreekt. “Ik vind het wel een eer om voor de KNVB te werken. Maar ik ben niet zo bezig met: kijk mij eens wat ik bereikt heb. In voetbal doe je het altijd met meerdere mensen. Je probeert samen tot iets moois te komen.”

“Met Jong Oranje haal ik mijn voldoening uit het winnen van wedstrijden. Maar ik haal ook voldoening uit het ondersteunen van jonge keepers in hun carrière. En uit het zien dat jonge keeperscoaches mooie stappen maken.”

“Je moet keepers  in een ontwikkelmodus krijgen”

Op de vraag wat een goede keeperstrainer goed maakt, hoeft Benlahsen niet met een snelle one-liner te komen. Daarvoor is het vak te groot en te gelaagd. Hij noemt trainingsvormen, wedstrijdgericht werken, coaching, empathie en samenwerking met de hoofdcoach. Maar vooral dat laatste komt steeds terug in zijn verhaal: begrijpen met wie je werkt. “Je moet een goede professionele relatie kunnen opbouwen. Waardoor je samen werkt aan ontwikkeldoelen van het team en het individu. Je moet empathisch vermogen hebben, inlevingsvermogen. En je moet een keeper in een ontwikkelmodus kunnen krijgen. Voornamelijk in de teamtrainingen liggen daar mooie uitdagingen voor zowel de hoofdcoach als keeperscoach.”

Binnen de KNVB probeert hij die manier van kijken nu breder neer te zetten. Vijf jaar geleden begon de bond met een nieuwe opzet rondom keepersopleidingen. Benlahsen is daar een belangrijke kracht in. Het doel is niet alleen om keeperscoaches op topniveau te helpen, maar juist ook om trainers op alle niveaus beter toe te rusten. “We willen keeperscoaches en hoofdcoaches enthousiasmeren door middel van opleidingen. Waardoor ze hun kennis vergroten en keepers daar meer profijt van krijgen.”

Dat begint niet pas in het betaalde voetbal. Integendeel. Benlahsen praat juist met overtuiging over vrijwilligers, goedwillende vaders en moeders en amateurtrainers die jonge keepers wat extra aandacht willen geven, maar niet altijd weten hoe. Daarom komt er volgens hem ook een extra basiscursus bij, gericht op de jongste leeftijdsgroepen.

“Hoe leer ik nou de basisvaardigheden van het keepen aan? Dat staat centraal. Dus: hoe creëer ik de ideale leeromgeving voor keepers tot twaalf jaar?”

Dat Benlahsen uiteindelijk niet als speler de absolute top haalde, zit hem niet dwars. Daar is hij helder in. “Als je het uiteindelijk niet redt, dan was je niet goed genoeg of anderen waren beter. En is dat erg? Nee, helemaal niet.” Profvoetballer werd hij wel. Tot zijn 26ste speelde hij betaald voetbal, daarna volgden de topamateurs.

Ondertussen blijft Everstein voor hem de plek waar alles weer even teruggebracht wordt tot de kern. “Er lopen daar allemaal mensen rond die je al jarenlang kent. Dat maakt het gewoon heel prettig.”

Voor jonge keepers en keeperstrainers heeft hij dan ook een eenvoudige boodschap. “Zorg dat je plezier houdt in wat je doet want het is gewoon een hartstikke leuke positie in het veld. En het is ook hartstikke leuk om als keeperstrainer actief te zijn binnen een amateurvereniging.”

Klik voor meer artikelen op SC Everstein.
Klik voor meer informatie over SC Everstein.

Kees van der Gaag neemt afscheid van Naaldwijk 2

0

Drie seizoenen lang stond hij voor de groep bij Naaldwijk 2. Altijd rustig, altijd benaderbaar, maar met een duidelijke visie op voetbal. Na dit seizoen zet Kees van der Gaag een punt achter zijn trainerschap bij het tweede elftal van Naaldwijk. Niet omdat hij er klaar mee is. Niet omdat het plezier weg is. Integendeel. Maar juist omdat hij het moment vóór wil zijn waarop de energie minder wordt. “Ik ben ze zeker niet zat,” zegt hij. “Maar ik doe dit niet half. Als ik het doe, moet er heel veel energie in zitten.”

Kees groeide op bij KMD. Daar doorliep hij alle jeugdelftallen en schopte het uiteindelijk tot het eerste elftal. “Ik heb altijd zelf gevoetbald bij KMD, vanaf de jeugd tot het eerste. Dat was in die tijd ook heel normaal. Iedereen bleef bij zijn eigen cluppie. Dat clubgevoel, daar houd ik van.”

Na zijn verhuizing naar Naaldwijk raakte voetbal even op de achtergrond. Werk, gezin, jonge kinderen – het leven kreeg andere prioriteiten. “Een tijdje heb ik helemaal niks met voetbal gedaan.” Totdat zijn zoon op een gegeven moment wilde gaan voetballen.

Zijn vrouw zag het tafereel bij de club: één trainer met een groep van dertig jonge kinderen. “Ze zei: ‘Wil jij niet gaan helpen?’” Kees lacht. “Ik dacht: hoe moeilijk kan het zijn? Ik kan zelf aardig voetballen, dus dat komt wel goed.”

Dat bleek toch iets genuanceerder te liggen. “Je zit in je hoofd nog met seniorenvoetbal. En dan kom je ineens bij jongens van zes of zeven jaar. Die hebben helemaal geen zin om naar je te luisteren. Die zijn met veters bezig, met een bal die de andere kant op rolt, of met iets wat naast het veld gebeurt.”

Waar hij als speler gewend was aan tactiek, intensiteit en discipline, moest hij als jeugdtrainer ineens leren omgaan met belevingswereld, concentratieboog en speelsheid. “Daar zijn trucjes voor. Maar die moet je wel leren.”

Hij begon zich te verdiepen in het trainersvak. Las boeken en volgde interne cursussen. “Je pikt overal dingen uit die voor jou interessant zijn. Uiteindelijk moet je er je eigen draai aan geven. In de praktijk leer je het meest.”

En eerlijk is eerlijk: hij vond het geweldig. “Die kleine kereltjes in de kleedkamer, dat is fantastisch. Dat enthousiasme. Dat pure.” Niet ieder jaar was hij trainer van zijn eigen zoon. “Dat vond ik ook wel goed. Soms is het verfrissend als er een ander voor de groep staat.”

Even klaar met het trainerschap

Na tien jaar jeugdtrainerschap merkte hij dat het wat begon te knagen. “Ik was er een beetje klaar mee. Een beetje op uitgekeken.” Het was intensief, zeker in combinatie met werk en privé. Hij twijfelde of hij nog wel door wilde.

Totdat de technische commissie van Naaldwijk belde met de vraag of hij assistent-trainer van het eerste elftal wilde worden. “Dat zag ik niet zitten,” zegt hij eerlijk. “Dat voelde niet goed. Misschien wel omdat ik de touwtjes liever in handen heb.”

Niet veel later kwam de vraag of hij het tweede elftal wilde trainen. Daar moest hij over nadenken. “Ik heb het thuis besproken. Ik kende een deel van die selectiegroep nog uit de jeugd. Het was een leuke, hechte groep. Ook wel een vriendengroep. Dat sprak me aan.”

Hij zei ja. En daar heeft hij geen seconde spijt van gehad. Inmiddels zit hij in zijn derde seizoen.

Team boven alles

Wat hem het meeste plezier geeft? Dat is niet een tactisch hoogstandje of een individuele uitblinker. “Ik beleef het meeste plezier als spelers echt als team spelen. En dat merk je bij ons. Het is een hechte groep.”

“Die hechtheid zie je ook buiten het veld terug. Het eerste en tweede elftal gingen samen op trainingskamp. De onderlinge band werd sterker, de club hechter. Dat vind ik mooi om te zien. Je bent niet twee losse werelden.”

Sportief gezien gaat het ook goed. Er werd gepromoveerd en ook in de nieuwe competitie doet Naaldwijk 2 weer goed mee. “Voor dat succes wil ik in het bijzonder teammanager Gert-Jan Otto bedanken. Hij heet daar een groot aandeel in gehad. Samen zijn we een goed koppel.”

Voor Kees is winnen essentieel. “Gezelligheid is belangrijk. Maar als de prestatie heel slecht is, dan vind ik dat niet top. We zijn met z’n allen bezig om te winnen.”

En dat winnen, dat zit diep bij hem. “Al mijn trainingen zijn gericht op winnen. Als het competitief is, vinden spelers het interessant. Ik houd punten bij op trainingen. Dat deed ik bij de jeugd ook al. Dat pure willen winnen, dat vind ik belangrijk.”

Hij weet ook wel dat opleiden essentieel is. Zeker in de jeugd. “Maar die winnaarsmentaliteit, dat houd ik er graag in.”

Hoewel hij het trainen van jeugd altijd leuk heeft gevonden, merkt hij dat seniorenvoetbal hem nog beter ligt. “Je kunt veel meer over voetbal praten. Over keuzes, over tactiek, over situaties in de wedstrijd.”

Daarnaast regelen senioren ook veel zelf. “Dat scheelt. Je hoeft niet overal bovenop te zitten. Toch blijft het intensief. Het houdt je jong. Die spanning rondom een wedstrijd, dat is lekker.”

Maar diezelfde spanning maakt het ook zwaar. Het is een verplichting. “Je kunt minder makkelijk zeggen: we gaan een weekendje weg. Er is altijd een training, een wedstrijd, een verantwoordelijkheid richting de groep.”

Juist daarom kiest hij ervoor om nu te stoppen. Niet omdat het moet, maar omdat hij wil voorkomen dat het straks tegen gaat staan. “Ik wil het vóór zijn dat ik in oktober denk: waar ben ik aan begonnen?”

Clubman in hart en nieren

Kees houdt van clubvoetbal. Van herkenbare gezichten langs de lijn. Van spelers die elkaar al jaren kennen. “Ik vind het prettig dat je veel bekenden hebt. En ik vind het ook leuk dat je niet elk jaar vijftien nieuwe spelers hebt.”

Hij ziet dat het voetbal veranderd is. “Vroeger bleef iedereen bij zijn eigen club. Nu wisselen spelers veel sneller.” Dat mag, vindt hij, maar zijn hart ligt bij het vertrouwde. Hij is een trainer die van positiviteit houdt. “Die gasten komen niet naar training om het niet naar hun zin te hebben. Dat moet je koesteren.”

De samenwerking met het eerste elftal is volgens hem een van de sterke punten van de afgelopen jaren. “Het klikt goed tussen het eerste en tweede. Dat is belangrijk.” Er is overleg, afstemming en onderling respect.

Wat nu?

Na dit seizoen stopt hij dus. Maar helemaal loslaten? Dat is lastig voor een voetbaldier. “Ik ga zeker nog kijken. Maar anders. Niet meer bezig met tactiek of opstelling. Gewoon kijken, veel ontspannender.”

Of dat echt lukt, moet nog blijken. “Die spanning vind ik ook wel lekker,” geeft hij toe.

Voor de groep kan zijn vertrek ook verfrissend zijn. “Misschien is het goed als er een ander voor de groep staat. Iemand met een nieuwe blik.”

Klik op v.v. Naaldwijk voor de laatste artikelen over de club.
Klik op v.v. Naaldwijk voor meer informatie over de club.

Focus Academy wil drempels verlagen “Ieder kind moet de kans krijgen om beter te worden”

Soms ontstaat een idee niet aan een tekentafel, maar gewoon op het veld. Tussen trainingen door, langs de lijn, in gesprekken met ouders en spelers. Bij Focus Academy begon het precies zo. Wat eind 2024 nog een gedachte was, groeide in korte tijd uit tot een concreet plan. En inmiddels, in 2025, staat er een voetbalschool.

“Wij zagen dat veel kinderen nét dat beetje extra nodig hebben,” vertelt Robby Vroegh, één van de initiatiefnemers. “Binnen reguliere teamtrainingen is daar simpelweg niet altijd ruimte voor. En juist daar ligt voor ons de uitdaging.”

Die constatering werd het vertrekpunt van Focus Academy, opgericht door drie trainers (Robby Vroegh, Rachid Badaoui en Said Salah) die hun sporen al verdiend hebben binnen SVW. Mannen van het veld, die de club kennen, de omgeving begrijpen en vooral weten hoe jeugdvoetbal in de praktijk werkt. “De samenwerking met SVW voelde eigenlijk meteen logisch. We zijn daar al jaren actief, kennen de mensen en de cultuur. Dan is het mooi als je vanuit die basis iets nieuws kunt opbouwen.”

Wat Focus Academy onderscheidt, zit niet alleen in de inhoud van de trainingen, maar juist in de keuzes daarachter. Want waar veel voetbalscholen zich richten op exclusiviteit, kiest Focus bewust voor toegankelijkheid. “Als je eerlijk bent, zie je dat veel voetbalscholen behoorlijk prijzig zijn. Niet iedereen kan of wil honderd euro per maand betalen. Maar dat betekent niet dat die kinderen geen recht hebben op goede begeleiding. Ieder kind verdient de kans om beter te worden. Zo simpel is het eigenlijk.”

Technische vaardigheden

Die filosofie vertaalt zich ook naar het veld. Geen massale groepen waarin spelers verdwijnen in de anonimiteit, maar kleine settings waarin aandacht centraal staat. Waar een trainer niet alleen kijkt, maar echt ziet. “We werken bewust met kleine groepen. Zodat we iedere speler kunnen begeleiden op zijn of haar niveau. Het gaat niet om wie het beste is, maar om wie zich ontwikkelt. In die ontwikkeling staat techniek centraal. Wij willen ervoor zorgen dat elke speler die bij ons komt zijn of haar technische vaardigheid verbeterd.”

Op het veld zelf is Focus Academy geen vrijblijvende bezigheid. De trainingen hebben een duidelijke opbouw, er wordt gewerkt met intensiteit en herhaling, maar altijd met een positieve insteek. “Kinderen moeten het leuk vinden om te komen. Dat is de basis. Maar binnen dat plezier moet er wel gewerkt worden. Structuur is daarin belangrijk, net als duidelijkheid.”

De omgeving helpt daarbij. Dankzij de samenwerking met SVW traint Focus Academy op een complex dat alles in zich heeft. “Het is een vertrouwde plek voor veel kinderen. En dat helpt enorm. Je ziet dat ze zich sneller op hun gemak voelen en daardoor ook sneller stappen maken.”

“Wij zijn er voor ieder kind dat beter wil worden,” vat hij samen. “Op zijn of haar eigen tempo, op zijn of haar eigen niveau.”

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Ontvang nu ook maandelijkse het laatste nieuws uit het amateurvoetbal in jouw regio.