Home Blog Pagina 2

Meer woorden dan tackles: Van Zuijdam pakt zijn kaarten vooral met de mond

Zeven gele kaarten in zeventien wedstrijden. Op papier is dat het soort statistiek waarbij je al snel uitkomt bij een sloper, een middenvelder die overal te laat komt en zijn tegenstanders systematisch omver schoffelt. Alleen is Daniël van Zuijdam dat juist niet. “Ik ben geen schopper hoor, helemaal niet”, zegt de 26-jarige middenvelder van Haaften 1. “Vaak word ik juist geschopt.” De verklaring voor zijn kaartenstapel ligt ergens anders. “Negentig procent van mijn kaarten is denk ik wel praten. Dat is wel dom ja” lacht Van Zuijdam.

Van Zuijdam weet dat zijn gele kaarten niet goed zijn. “Dan denk ik: ja, superstom. Zo onnodig ook. Maar op dat moment zit ik hoog in mijn emotie. De laatste jaren is het eigenlijk wel iets meer geworden. Voorheen had ik dat nooit zo.”

De middenvelder geeft aan dat hij ervan houdt om het spelletje te verdelen. En wie het spel wil verdelen, wil vaak ook dat het spel een beetje normaal verloopt. Laat dat nu net niet altijd het geval zijn in de vijfde klasse, waar Haaften dit seizoen in uitkomt. “Als je in die vijfde klasse soms bij verenigingen komt… niet best.” Waar dat dan in zit? Van Zuijdam hoeft er niet lang over na te denken. “Gewoon die onkunde soms. Je wordt zo vaak geschopt hier. En dan ook nog eens op van die velden waar net de koeien nog in hebben gestaan, weet je wel.”

Dat is de harde, weinig romantische kant van het amateurvoetbal op dit niveau. Maar tegelijk blijft Van Zuijdam er opvallend nuchter onder. Want hoe matig het soms ook is, het plezier zit voor hem nog altijd ergens anders. “Het is gewoon gezellig met ons eigen team. Dat is uiteindelijk het belangrijkste.”

“Met mijn vrienden voetballen was gewoon leuker”

Van Zuijdam speelt inmiddels twaalf jaar bij Haaften en zit al ongeveer tien seizoenen bij het eerste. Zijn voetballeven begon bij ASH. “Ik woonde eerst in Hellouw, maar ben later verhuisd naar Haaften, waar ik goede vrienden had. Toen dacht ik: het is gewoon leuker om met mijn vrienden te gaan voetballen. En zodoende ben ik naar Haaften gegaan.”

Dat besluit heeft hij zich nooit beklaagd. Integendeel. “Dat is eigenlijk gewoon superleuk geweest. En nu nog steeds, dus ja, blij dat ik dat heb gedaan.” Wat Haaften daarin volgens hem typeert, is de vanzelfsprekende menging van generaties. “Ik vind het mooi dat na de wedstrijd gewoon van alle leeftijden mensen in de kantine staan. Jong, oud, letterlijk alles staat daar door elkaar.”

Dat dorpsgevoel is gebleven, ook nu de sportieve werkelijkheid minder is geworden. Haaften speelde een aantal jaar geleden nog in de derde klasse, later in de vierde, maar is nu voor het eerst in de vijfde klasse beland. Dat heeft alles te maken met het vertrek van een flinke groep ervaren spelers. “Er zijn best wat jongens gestopt waar ik altijd mee gespeeld heb. Een stuk of zeven van het oude eerste. En als zo’n klein clubje kan je dat niet altijd helemaal opvangen.”

Toch ziet hij in die verandering niet alleen maar iets negatiefs. Ja, het is wennen geweest. Ja, de ploeg is jong en zoekende. Maar hij gelooft wel in wat er staat. “We hebben nu een hele jonge groep. Dat komt ook vanzelf wel goed, want we zijn allemaal goed genoeg. Alleen het heeft gewoon even tijd nodig. We moeten meer scoren. Voetballend zijn we eigenlijk echt wel sterk.”

Binnen die jonge ploeg is er nog iets dat voor hem prettig werkt: de trainer. Danny Verwolf, 37 jaar, is niet alleen zijn coach maar ook een goede vriend. Ze speelden jarenlang samen in het eerste. Nu staat de een langs de lijn en de ander op het veld. “Dat hij nu onze trainer is, is wel leuk. Hij is ook een goede vriend van mij, dus dat is echt top. We kunnen wel kwaad op elkaar worden. Maar na de wedstrijd is dat allemaal weer goed joh.”

Klik hier voor meer informatie over vv Haaften
Klik hier voor meer artikelen over vv Haaften

Sjaak Brunt: “Als je bij mij loopt, ben je de sjaak”

Wie hem voor het eerst ziet bij Honselersdijk, begrijpt direct waarom spelers hem met respect aankijken. Sjaak Brunt (63) is een grote, gespierde man met een imposante uitstraling. Geen schreeuwer, geen man van loze kreten, maar iemand die precies weet wat hij doet. En vooral: iemand die geen halve maatregelen neemt.

Sjaak is hersteltrainer van de selectie. Zijn taak? “De groep naar een hoger niveau brengen en de geblesseerden terug het veld op krijgen,” zegt hij nuchter. Samen met verzorgsters Marina en Patricia vormt hij de medische staf rondom de selectie-elftallen van Honselersdijk. Maar zijn rol gaat verder dan alleen tape plakken of oefeningen voordoen. Hij is onderdeel van het fundament onder de selectie.

Sjaak komt uit Den Haag en zijn sportieve achtergrond ligt niet primair in het voetbal. “Ik heb in de jeugd gevoetbald, maar niet op hoog niveau. Ik was geen groot talent.” Waar anderen misschien gefrustreerd raken als ze merken dat voetbal niet hun sterkste kant is, vond Sjaak zijn weg in een andere discipline: krachtsport.

Vanaf zijn achttiende raakte hij in de ban van het gewichtheffen. “Dat is het echte werk,” zegt hij met een glimlach. “De halter boven je hoofd trekken en stoten.” Hij werd Nederlands kampioen in zijn klasse, trok 130 kilo en stootte 170 kilo. “We draaiden tegen de wereldtop aan. Ik ben een keer vierde geworden bij een internationale wedstrijd.”

In een tijd waarin krachtsport nog lang niet zo populair was als nu, stond hij al in de hal. “Eind jaren tachtig was het simpel: zo zwaar mogelijk tillen. Tegenwoordig heb je veel meer variatie. Hyrox, conditionele vormen, powerlifters, bodybuilders. Het is allemaal veel breder geworden.”

Die achtergrond vormt nog altijd de basis van zijn werk. Zijn loopbaan in het voetbal begon in 1989 als masseur en sportverzorger. “Ik ben bij allerlei clubs actief geweest.” Vanaf 2000 ontwikkelde hij zich tot hersteltrainer, onder meer bij Haaglandia. Daar bouwde hij ervaring op in het begeleiden van spelers die terugkwamen van blessures.

Een jaar of tien geleden werd hij gevraagd bij Honselersdijk. “En hier ben ik blijven hangen.” Niet omdat het toevallig zo liep, maar omdat de club hem de ruimte geeft om zijn werk serieus te doen.

Die ruimte is letterlijk zichtbaar in het krachthonk van de club. “Negen van de tien amateurclubs hebben dat niet. Hier hebben we gewoon een ruimte waar we structureel kunnen trainen. Dat is fantastisch.”

Elke maandagavond staan er ongeveer twintig selectiespelers klaar. Twee groepen van tien tot twaalf. “Ik leg uit wat ze beter kunnen doen. Het gaat niet alleen om kracht, maar om bewegen. Hoe sta je? Hoe land je? Hoe draai je?” Hij ziet duidelijk effect. “Ze bewegen beter. Je merkt dat het helpt.”

22 geblesseerden

Dit seizoen begon heftig. “In de eerste periode hadden we 22 man geblesseerd,” zegt hij. “Dat is extreem.” Blessures hebben niet alleen fysieke gevolgen, maar beïnvloeden ook de teamdynamiek. “Als je steeds moet schuiven, raak je automatismen kwijt. Dat doet iets met de chemie.”

Daar ligt zijn motivatie. Minder blessures, sneller herstel. Niet om cijfers te halen, maar om stabiliteit te creëren. “Als spelers terugkomen en weer mee kunnen doen, zie je dat het vertrouwen groeit bij de elftallen.”

Hij begeleidt spelers individueel, met gerichte schema’s. Conditioneel trainer, medische training – hij heeft er opleidingen voor gevolgd. Maar ervaring is minstens zo belangrijk. “Je moet aanvoelen wanneer iemand echt pijn heeft en wanneer het vooral weerstand is.”

‘Het leven is makkelijker dan jouw oefeningen’

Sjaak staat bekend om zijn stevige aanpak. “Als je bij mij loopt, ben je ‘de sjaak’,” zegt hij met een brede glimlach. Dat betekent niet dat hij spelers sloopt, maar wel dat hij ze uitdaagt. “Je moet meer doen dan je denkt dat je kunt.”

Vuilnisbakkie

Sommige spelers zoeken tijdens zware sessies drie keer een vuilnisbakkie op. “Dan hoor ik: ‘Het leven is makkelijker dan jouw oefeningen, Sjaak.’” Hij lacht erom, maar blijft streng. “Pijn is emotie. Je moet leren onderscheiden wat echte schade is en wat gewoon vermoeidheid is.”

Hij benadrukt dat hij geen einzelgänger is binnen de selectie. “Je moet onderdeel zijn van het team. Als je los staat van de groep, werkt het niet.” Spelers moeten hem vertrouwen. Weten dat hij hen sterker terugbrengt dan ze waren. “Op het moment dat ze bij mij terugkomen op het veld, zijn ze beter dan ze geweest waren,” zegt hij overtuigd.

Naast de selectie is hij ook betrokken bij de jeugd. “Bij jonge spelers gaat het niet om kracht, maar om bewegen. Coördinatie, stabiliteit. De basis moet goed zijn.”

Hij ziet dat sport tegenwoordig breder wordt aangeboden. “Vroeger had je eigenlijk alleen maar voetbal, nu kun je van alles doen.” Die ontwikkeling vindt hij positief, zolang de basis maar goed wordt gelegd. Tegelijkertijd vindt Sjaak dat op scholen het bewegen wordt geminimaliseerd. “Tezamen met het gebruik van sociale media krijg je bewegingsarmoede.”

Zelf probeert hij ook fit te blijven. “Ik probeer een beetje op gewicht te blijven.” De halters van 170 kilo tilt hij niet meer, maar zijn fysiek verraadt nog altijd zijn verleden.

Sportief kende Honselersdijk een lastige fase, mede door het blessureleed. “Dat was gewoon pech,” vindt hij. Maar inmiddels ziet hij herstel. “We hebben een uitgebalanceerde selectie. Degelijk middenveld en de beste spitsen uit het Westland. Ik heb vertrouwen.”

Voor Sjaak draait het niet om applaus. Hij hoeft niet op de voorgrond te staan. Zijn werk gebeurt achter de schermen, in het krachthonk, op de behandelbank, in de looplijnen op het veld. Hij is de man die spelers weer laat geloven in hun lichaam. Die ze sterker maakt dan ze waren. Die ervoor zorgt dat ze terugkeren. En als ze bij hem lopen, weten ze het zeker: dan zijn ze de sjaak.

Klik op SV Honselersdijk voor de laatste artikelen over de club.
Klik op SV Honselersdijk voor meer informatie over de club.

Jacques-Dirk Langerak is de nieuwe voorzitter van VV Vuren

Soms loopt een verhaal niet via een uitgestippeld pad, maar via een moment. Voor Jacques-Dirk Langerak begon het voorzitterschap van VV Vuren niet met een ambitieplan of een lange voorbereiding, maar ergens op een trainingskamp. “Wij gaan één keer per jaar met de senioren een weekend weg,” vertelt hij. “En toen zei iemand: ‘Waarom ga jij het niet doen?’ Ik zei nog: ‘Nee joh.’ Maar toen stak iemand zijn hand op en riep: ‘We hebben een nieuwe voorzitter.’” Hij lacht er nog om, maar het was wel het moment dat iets kantelde. “Misschien was dat net het zetje wat ik nodig had.”

Formeel zit Langerak er pas net, maar feitelijk draaide hij sinds eind januari al mee. Toch zat daar wel twijfel voor. “Ik heb een drukke baan, drie kinderen die allemaal voetballen, ik voetbal zelf nog en ik zat in de jeugdcommissie. Dan ga je wel nadenken: past dit er nog bij?” Die afweging is herkenbaar voor iedereen die in het amateurvoetbal rondloopt: het is nooit één taak, het stapelt zich altijd op. “Op een gegeven moment moet je keuzes maken. Je kunt niet alles blijven doen.”

Dus stapte hij uit de jeugdcommissie, maar stapte hij wel in het voorzitterschap. En dat voelt goed, zegt hij. Niet omdat het een mooie titel is, maar omdat het werk hem ligt. “Ik vind het leuk om organisatorisch bezig te zijn. En dat je met een groep bestuursleden beleid kan bepalen voor de club, dat geeft energie. Je bent ergens mee bezig wat groter is dan jezelf.”

Langerak is geen geboren Vurenaar. Hij groeide op in Schelluinen, voetbalde daar, maakte de stap naar Unitas in de jeugd en speelde later nog bij SVW. Maar uiteindelijk kwam hij toch weer uit bij het dorpsvoetbal. “Dat past gewoon beter bij mij. Je kent mensen, het is overzichtelijk, iedereen doet wat voor de club.” Sinds vijf jaar woont hij in Vuren. “We zochten meer ruimte en dat vonden we hier. En ik vond het ook wel mooi om weer in een dorp te wonen, zoals vroeger.”

Vanaf dat moment ging het snel. Zijn kinderen gingen voetballen, hij werd trainer, rolde de jeugdcommissie in en sloot zich aan bij de 35-plus. “En dan zit je er ineens middenin.Dat gaat vanzelf.”

Dat ‘middenin zitten’ kreeg al snel een andere lading, want nog voordat hij goed en wel kon landen in zijn rol, moest er een lastige beslissing genomen worden. VV Vuren stond onderaan en het bestuur besloot de samenwerking met de hoofdtrainer te beëindigen. Langerak draait er niet omheen, maar weegt zijn woorden wel zorgvuldig. “Dat is geen makkelijke beslissing. Je hebt met een persoon te maken. Maar uiteindelijk moet je kijken naar het belang van de club.”

Hij benadrukt dat het nooit zwart-wit is. “Het is niet alleen de trainer. We hebben ook naar de spelers toe uitgesproken: jongens, kijk ook in de spiegel. Het is altijd een combinatie.” Maar de resultaten bleven uit en de signalen veranderden niet. “Dan moet je op een gegeven moment iets doen. Je kunt niet blijven wachten. Of het helpt, dat weet je pas achteraf.”

Wat hem opvalt aan de club waar hij nu leiding aan geeft, is niet zozeer iets spectaculairs, maar juist iets basaals. “Het is echt een dorpsclub. Er zijn veel vrijwilligers en als er iemand stopt, staat er vaak wel weer iemand anders op.”

Het grootste agendapunt is het grasveld. “We hebben nu nog geen kunstgras,” zegt hij. “En we willen eigenlijk over een jaar of twee dat wel realiseren. Daar komt veel bij kijken. Geld, gemeente, plannen maken. Maar we hebben dat nu wel echt op de agenda staan.”

Voor meer artikelen over VV Vuren klik hier.
Voor meer informatie over VV Vuren klik hier.

Nieuwe impuls voor meidenvoetbal bij Monster: “We doen dit echt samen”

0

Het meiden- en vrouwenvoetbal bij SC Monster groeit. Niet explosief, maar gestaag. Dat komt doordat er mensen zijn die er tijd en energie in steken. Zoals Lynn van Vliet en Mady van der Zeyden, die samen een belangrijke rol spelen binnen de technische commissie van de meiden- en damesafdeling.

Want waar die afdeling voorheen onderdeel was van de mannen-TC, staat er sinds dit seizoen een eigen structuur. En dat was nodig. “Er werden zoveel dingen besproken, dat wij er vaak niet eens aan toekwamen,” vertelt Lynn. “De mannenafdeling is groot, logisch dat daar de meeste aandacht naartoe gaat. Maar wij groeien ook, dus we wilden daar meer focus op.” Monster heeft twee senioren damesteams, vier jeugdteams en sinds kort een MO8 die vriendschappelijke partijen speelt.

De ruimte om te groeien is er nu. Met een TC van vijf mensen, waarin Lynn en Mady samen optrekken, ligt de nadruk op alles rondom de teams. Niet alleen organiseren, maar vooral: voelen wat er speelt. “Wij zitten dicht op de groepen. Vooral bij Dames 1, Dames 2 en de MO15. We proberen echt te horen hoe meiden erin staan. Wat gaat goed, wat kan beter.”

Die rol is misschien minder zichtbaar dan die van een trainer, maar minstens zo bepalend. Want sfeer en ontwikkeling lopen vaak door elkaar heen. “Als het goed gaat en je wint, is er weinig aan de hand. Maar als je vaker verliest, komt er vanzelf wat meer onrust.”

Juist daarom zoeken zij actief het gesprek op. Zo werden er recent gesprekken gevoerd met alle speelsters van de MO15. Niet uit noodzaak, maar uit aandacht. “Gewoon vragen: heb je het naar je zin, zit je ergens mee, wil je dat dingen anders gaan? Dat soort dingen.”

Voor Lynn zelf is die rol geen vanzelfsprekendheid geweest. Jarenlang stond ze zelf op het veld, tot haar lichaam haar tot stilstand dwong. Twee keer scheurde ze haar kruisband. “De eerste keer rechts, de tweede keer links. Dan weet je: dit wordt weer een lang traject.”

Stoppen bij de voetbalclub? Geen moment serieus overwogen. “Ik vind het veel te leuk. Dus dan ga je kijken: hoe kan ik toch betrokken blijven?” Die betrokkenheid vond ze in de TC, waar ze samen met vier andere vrijwilligers een brug vormt tussen speelsters en beleid. Iets wat, zeker in een groeiende afdeling, onmisbaar is.

Want groeien doet het meidenvoetbal bij Monster. Met teams van de jongste jeugd tot aan de senioren ligt er inmiddels een stevige basis. “Als je ziet wat er nu staat, dat is gewoon mooi. “En we willen verder groeien, maar wel op een manier dat iedereen het naar zijn zin heeft.”

Of Lynn zelf ooit nog terugkeert op het veld, is nog onzeker. De wil is er, maar het risico ook. “Ze kunnen niet garanderen dat als ik nog een keer mijn kruisband scheur ik alles kan blijven doen wat ik nu kan. Dus dat weegt wel mee.”

Klik op SC Monster voor de laatste artikelen over de club.
Klik op SC Monster voor meer informatie over de club.

Huib van Driel is al zeventig jaar lid van ASV Arkel: “Ik blijf er altijd bij betrokken”

Bij ASV Arkel loopt een man rond die er altijd al was. Hij was er letterlijk vanaf de eerste dag. Huib van Driel is 87 jaar en sinds de oprichting in 1956 lid van de club en daarmee het oudste lid van Arkel. Huib speelde is een clubman pur sang die niet alleen zijn wedstrijden speelde, maar daarna ook bleef hangen. Eerst als voetballer, later als vrijwilliger, als manusje-van-alles, als supporter en als vaste verschijning op sportpark Schoonzigt.

Huib kwam in 1956 bij ASV Arkel terecht, in de tijd dat de club opnieuw werd opgebouwd. Daar zat ook meteen iets persoonlijks in, want zijn vader speelde een rol bij die heroprichting. “Hij haalde contributie op. In die tijd moest je nog gewoon langs de deuren gaan. Een andere tijd.”

Zelf had hij voor die tijd al in Gorinchem gevoetbald, bij SVW. Maar toen twee mensen hem vroegen om mee te helpen bij het nieuwe Arkel, hoefde hij daar niet lang over na te denken. Hij ging, bleef en ging nooit meer weg.

Er waren wel clubs die aan hem trokken, vertelt hij. Zeker nadat hij in Gorinchem had laten zien dat hij aardig uit de voeten kon. Maar Huib koos voor de dorpsclub die Arkel was en nog altijd is. Op het veld stond Huib rechtsbuiten. “Ik was de gevaarlijke man op rechts,” zegt hij met zichtbaar plezier. “Ik was snel, handig en ik pikte geregeld een doelpunt mee. Er waren weinig wedstrijden dat ik niet scoorde.”

Of hij net zo goed was als zijn buurjongen Frenkie de Jong? “Nee dat ook weer niet. Mijn vrouw en ik houden Frenkie goed in de gaten, hij doet het fantastisch in Barcelona en we zijn trots op hem. Frenkie woonde altijd naast ons en we zagen hem vaak op zijn fiets stappen met een bal onder zijn snelbinders.”

Zoals dat bij echte clubmensen gaat, bleef het niet bij spelen alleen. Huib werd leider, zat in werkcommissies, hielp met onderhoud en pakte op wat er nodig was. Dat doet hij nog steeds, zij het in beperktere vorm. Met een stok, soms met een scootmobiel, en na een nare val waarbij hij zelfs over de kop sloeg met dat ding. Toch laat hij zich daar niet helemaal door tegenhouden. Hij rijdt nog steeds geregeld naar sportpark, kijkt rond, praat wat, helpt waar dat kan en blijft bovenal aanwezig. “Voor een bakje koffie, een praatje, een hand- en spandienst, een kritische blik op de kantine of de kleedkamers.”

En dan is er natuurlijk nog het eerste elftal. Want ook nu volgt Huib Arkel nog op de voet. “Uit en thuis. Het lijkt erop dat we kampioen worden. Daar kan ik nu al naar uitkijken. Als die jongens op de platte kar door het dorp gaan rijden, stap ik er ook op.”

Een leven lang Arkel

Inmiddels is Huib onderscheiden door Arkel. Hij kreeg de zilveren en gouden speld van de club, werd lid van verdienste en ontving ook buiten de voetbal waardering voor zijn vrijwilligerswerk. Maar het meest trots klinkt hij misschien nog wel als hij vertelt dat hij al zeventig jaar lid is van Arkel. Dat hij er nog steeds komt. Dat mensen hem nog steeds kennen. Dat hij nog steeds mag meepraten over de club.

Klik op ASV Arkel voor de laatste artikelen over de club.
Klik op ASV Arkel voor meer informatie over de club.

Rik Helleman (22) is goud waard voor Quintus

0

Als je bij Quintus rondloopt, kom je Rik Helleman (22) vroeg of laat vanzelf tegen. Op zaterdag vanaf zeven uur ’s ochtends tot een uur of zes ’s avonds is hij er. Doordeweeks ook. Training geven, keeperstraining verzorgen, randzaken regelen, even bij het eerste kijken. Vijf dagen per week is hij op de club. “Als je andere leiders ziet, ben ik meestal de jongste,” zegt hij lachend. Maar dat hoor je hem niet als bezwaar uitspreken. Voor Rik voelt het logisch.

Zijn voetbalverhaal begon bij VELO, waar hij tien jaar keepte. Hij volgde de opleiding Sport en Bewegen en zat met vriend Timo van Houten in de klas, die nog een keeper zocht. Uiteindelijk koos Rik voor een overstap naar Quintus. “Bij VELO werden dingen beloofd die niet werden waargemaakt. Ik zou hoger komen, maar dat gebeurde niet. Ook keek die club niet om naar teams die geen selectie waren.”

Bij Quintus vond hij iets anders. “Het is een kleinere club. Iedereen kent elkaar en je wordt gewaardeerd voor wat je doet.” Dat gevoel van erkenning maakte het verschil. Timo van Houten vroeg hem destijds om te komen keepen, en zo begon zijn hoofdstuk in Kwintsheul.

Hij keepte er drie jaar, maar zijn lichaam werkte niet mee. Twee keer schoot zijn schouder uit de kom, één keer zijn elleboog. “Toen was het klaar.”

Van onder de lat naar langs de lijn

Tijdens zijn blessureperiode werd hij gevraagd om te vlaggen en leider te worden bij het eerste. “Ik regel alles rondom de wedstrijden. Kleding, randzaken, wedstrijdformulier. Sinds kort hoort daar ook een VEO-camera bij om wedstrijden op te nemen.”

Daarnaast werd Rik jeugdtrainer. Inmiddels zit hij in zijn vijfde jaar als trainer. “Ik begon bij de JO11 en groeide mee met de groep naar de JO15. Ik zie hoe ze beter worden. Niet alleen voetballend, maar ook als team. Ze spreken buiten de training met elkaar af. Het is echt een vriendenteam. Ook de ouders zijn betrokken. Ik heb mijn trainersdiploma’s gehaald, maar voor nu zie ik geen noodzaak om nog meer diploma’s te halen.”

Meer dan alleen trainen

Rik beperkt zich niet tot twee avonden per week training geven. Hij organiseert het E- en F-weekend van de club. Een compleet weekend vol voetbalspellen, stormbanen, springkussens, penalty’s tegen de keeper van het eerste, samen eten en slapen op de club. “Zo’n weekend kost veel voorbereiding, maar het is geweldig om te zien hoe die kinderen genieten.”

Daarnaast fluit hij af en toe als scheidsrechter, geeft hij keeperstraining op donderdag en ondersteunt hij andere jeugdteams waar nodig. Vanaf volgend seizoen treedt hij toe tot de technische commissie van de jeugd. Daar gaat hij meewerken aan een beleidsplan en wordt zijn rol het ondersteunen van andere trainers. “Ik wil trainers helpen waar ze tegenaan lopen. Niet alles zelf doen, maar zorgen dat zij beter worden.”

Wat drijft hem? “Als je jongens iets probeert te leren – tactiek, nadenken in het veld – en je ziet dat ze het gaan snappen, dat is mooi.” Naast het voetbal werkt Rik 31 uur per week in de kinderopvang en daarnaast negen uur als onderwijsassistent. Zijn leven draait om kinderen, op het werk en op het veld. Toch voelt de club niet als een verplichting. “Het is veel,” erkent hij. “Maar als je het met veel mensen samen doet en je krijgt er energie van, dan voelt het niet als veel.”

Klik op vv Quintus voor de laatste artikelen over de club.
Klik op vv Quintus voor meer informatie over de club.

Mark van der Sluijs is regelneef bij HVC’10

0

Mark van der Sluijs is 54, Rotterdammer van oorsprong, en via de liefde in Hoek van Holland terechtgekomen. Het type vrijwilliger dat je bij vrijwel iedere amateurclub nodig hebt, maar zelden in één functie kunt vangen. Trainer was hij, wedstrijdsecretaris is hij nog steeds, daarnaast draait hij mee in de toernooicommissie, gaat hij mee op jeugdkamp en is hij sinds dit seizoen hoofdcoördinator jeugd bij HVC’10. Zelf zegt hij het liever wat luchtiger: “Ik ben meer de regelneef van de club.”

Zijn verhaal bij HVC’10 begon zoals het bij veel vrijwilligers begint: met een kind dat ging voetballen. Zijn zoon kwam bij de mini’s terecht en via goede vriend Jeroen Kramer werd ook Mark de club ingezogen. “Jeroen vroeg: kan je me helpen bij de mini’s? Toen zei ik: ja, tuurlijk.” Dat helpen werd een vaste rol. Eerst ondersteunde hij trainingen en coaching, van de mini’s tot en met ongeveer de JO11. Daarna ging hij zelfstandig verder en groeide hij mee met de lichting van zijn zoon.

Dat hij zijn eigen zoon trainde, voelde voor hem nooit gek. “Mijn vader deed dat vroeger ook bij mij. Dus voor mij was dat eigenlijk heel logisch. Een vereniging is iets wat je samen doet. Als je je kind bij een club hebt, dan moet je ook iets bijdragen. Als niemand het doet, zijn er geen trainingen, geen coaching en geen activiteiten.” Dat betekent niet dat hij geen valkuilen zag. Zoals zoveel ouders die trainer worden, merkte ook hij dat je soms te veel verwacht van zo’n groep. Zeker als je fanatiek bent en graag wilt dat dingen goed gaan. “Dan verwacht je soms meer van die jongens dan erin zit en word je negatief. Dan maak je het voor jezelf eigenlijk moeilijker.”

Uiteindelijk stopte hij als trainer, maar zeker niet als vrijwilliger. Integendeel. Hij verschoof van het veld naar de organisatie. Eerst kwam de rol van wedstrijdsecretaris op zijn pad. Vanuit het wedstrijdsecretariaat rolde hij verder de club in. Hij kwam in de kampleiding terecht, ging thuistoernooien mede organiseren en schoof steeds vaker aan bij jeugdvergaderingen.

Als hoofdcoördinator is hij nu de schakel tussen coördinatoren per leeftijdscategorie, jeugdvoorzitter en ouders. Hij verzamelt agendapunten, denkt mee over beleid en springt bij waar nodig.

Toch wil hij beslist niet de indruk wekken dat het allemaal op zijn schouders rust. Integendeel. Tijdens het gesprek komt hij daar meerdere keren op terug. “Schrijf wel op dat we het met elkaar doen. Het is niet de Mark van der Sluijs-show.” Dat is voor hem wezenlijk. Hij is voorgedragen door het bestuur, maar ziet zichzelf niet als iemand die boven de rest staat. “Elke vrijwilliger is net zo belangrijk als de voorzitter. Zo zie ik dat echt. Zonder vrijwilligers kan een vereniging gewoon niks.”

Jeugdkamp

Het jeugdkamp neemt bij HVC’10 een bijzondere plek in. Mark noemt het een voetbalkamp, maar voegt er meteen aan toe dat voetbal eigenlijk bijzaak is. Vijf dagen lang gaan kinderen van grofweg de JO9 tot en met de oudste jeugd samen naar een kamphuis. Daar worden teams gemaakt met een mix van leeftijden, waarbij de oudste spelers aanvoerder zijn van de groep. Vervolgens draait de week om spellen, uitdagingen, onderlinge competitie en plezier. “We proberen drie spellen per dag te doen. Natuurlijk wordt er ook gevoetbald, maar het gaat vooral om samen dingen beleven. Het is echt zo’n week waar kinderen nog lang over napraten.”

HVC’10 is een regioclub, maar niet van het formaat Westlandia of ’s-Gravenzande, waar selectieteams op divisieniveau spelen en de ambities nog verder reiken. HVC’10 zit daaronder, sportief gezien, maar probeert zich te onderscheiden op sfeer, betrokkenheid en jeugdbeleving. “Als kinderen echt heel goed zijn en naar een grotere club willen, dan snappen we dat. Maar we willen wel zorgen dat kinderen hier met plezier blijven voetballen.” De clubindeling is dan ook niet alleen gericht op niveau, maar ook op plezier. “Ieder kind moet in zijn eigen kracht kunnen voetballen.”

Opvallend is hoe vaak in zijn verhaal de ouders terugkomen. Goede, betrokken ouders zijn volgens hem goud waard voor een team. Niet alleen omdat ze rijden of limonade meenemen, maar omdat ze helpen om een groep te maken. Een teamuitje, een seizoensafsluiting, net even dat extra. “Je gunt elk team betrokken ouders.Dat maakt zoveel verschil.” Tegelijk ziet hij ook de andere kant: ouders die hun kind afzetten, wegrijden en verder weinig binding met de club opbouwen. Dat vindt hij soms lastig. Niet verwijtend, wel eerlijk. “Je ziet vaak dezelfde mensen. En ik snap dat iedereen druk is, maar ik vind wel dat je in een vereniging iets mag verwachten.”

Hij noemt als voorbeeld de bardiensten. Bij HVC’10 wordt aan ouders gevraagd om een paar keer per seizoen een dienst te draaien. Niet veel, zeker niet als je het uitsmeert. Toch is er weerstand. Te druk, al genoeg gedaan, contributie betaald, de redenen kent hij inmiddels wel. Maar hij merkt ook dat mensen die het eenmaal doen, vaak verrast zijn. “Dan zeggen ze: het valt eigenlijk best mee, en het is nog gezellig ook.”

Zelf weet Mark niet precies hoe lang hij dit alles nog blijft doen. Dat hangt deels samen met zijn zoon, die inmiddels in de JO15 zit en daarnaast judo op hoog niveau doet. Misschien kiest hij straks volledig voor judo. Misschien blijft hij voetballen. En misschien verandert daarmee ook de rol van Mark en zijn vrouw binnen de club. Zijn vrouw is namelijk ook betrokken, onder meer via de kledingcommissie en activiteiten voor de jeugd. “We hebben het er thuis wel over. Wat doen we als hij stopt? Stoppen wij dan ook?” Het antwoord weet hij nog niet. “Aan de ene kant haal ik veel plezier uit mijn werk bij de club en uit de sociale contacten die erbij horen. Aan de andere kant weet ik ook dat veel van mijn betrokkenheid gegroeid is vanuit het langs de lijn staan.”

Voorlopig is dat nog niet aan de orde. Hij blijft nog wel even. Daar lijkt hij zelf ook van overtuigd. Niet omdat het moet, maar omdat hij zich er thuis voelt. Omdat organiseren hem ligt. Omdat hij energie haalt uit een goed lopend toernooi, een geslaagde kampweek of een kind dat met een glimlach naar huis gaat. En misschien ook gewoon omdat een club als HVC’10 mensen nodig heeft die net iets verder kijken dan hun eigen zoon of dochter.

Klik op HVC’10 voor de laatste artikelen over de club.
Klik op HVC’10 voor meer informatie over de club.

Martijn van Beckhoven rolde via zijn drie zoons het voetbal in: “Met een bepaalde instelling kun je alles”

Martijn van Beckhoven groeide niet op als voetbaldier, speelde zelf nauwelijks en kwam ook niet uit een familie waarin alles om de zaterdag draaide. En toch staat hij inmiddels al jaren, meerdere avonden per week, op het veld bij Asperen. Niet met één team, maar met twee. De JO16 en de JO11. Met zijn oudste en jongste zoon daarin, en met een betrokkenheid die je eerder verwacht van iemand die zelf dertig jaar in het voetbal heeft gezeten.

“Ik heb zelf eigenlijk helemaal niks met voetbal gehad. In mijn jongste jeugd heb ik een jaartje gevoetbald, maar daarna eigenlijk niet meer.” Zijn sport lag ergens anders: roeien. Op zijn veertiende werd hij zelfs Nederlands kampioen in een gestuurde vier. Rond zijn zeventiende stopte hij ermee. De ploeg viel uit elkaar, studies begonnen, interesses veranderden.

Dat het voetbal later toch zo’n grote plek in zijn leven zou krijgen, kwam vooral door zijn drie zoons. Jesse, Noah en Luuk. Alle drie gek van voetbal. Alle drie bij Asperen. En dus rolde ook hun vader langzaam mee die wereld in.

“De oudste begon bij de kabouters, de allerkleinsten. Een club zoekt dan ouders die willen helpen, iemand moet het doen, en ik help graag als er iets geregeld moet worden. Ik ben altijd wel enthousiast, ondernemend en een aanpakker. Dus ik zei: dat doe ik wel.”

Zijn oudste zoon groeide door, zijn middelste begon ook, en uiteindelijk kreeg Martijn steeds meer verantwoordelijkheid. Met de oudste groep trok hij jarenlang op, ondertussen alweer zo’n negen jaar. Daarnaast traint hij nu ook de JO11, waar zijn jongste zoon in speelt. Dat betekent dus twee teams, twee trainingsavonden, en op zaterdag vaak ook nog twee wedstrijden. Plus een middelste zoon die ook speelt en die hij tussendoor probeert te volgen. “Maandag en woensdag ben ik van zes tot tien op de club. En zaterdag sta je er eigenlijk de hele dag.”

Geen voetballer, wel trainer

Het opvallende is misschien wel dat Martijn dat allemaal doet zonder klassieke voetbalachtergrond. Bij de JO11 doet hij dat samen met Laurens, bij de JO16 met Wilco. Allebei mannen met een echte voetbalachtergrond. “Voetbaltechnisch lift ik wel een beetje mee op hun succes,” lacht Martijn. “Zeker bij de JO16 is Wilco wel echt de hoofdtrainer. En ik ondersteun op alle vlakken, en probeer ook de groep bij elkaar te houden. Dat vind ik misschien nog wel het mooist. Dat het lukt om die jongens op een positieve manier bij elkaar te houden. Die harde voetbalwereld, met heel veel geschreeuw en pushen, dat is niet mijn stijl.”

Jeugdcommissie

“Ik denk dat het voor mij juist goed was dat ik er niet zo technisch of hard in zat. Misschien keek ik daardoor ook wat menselijker naar indelingen en naar kinderen.” Dat menselijk kijken speelde ook een rol toen hij jarenlang in de technische jeugdcommissie zat. Zes jaar lang was hij daar betrokken bij het indelen van jeugdteams, iets waar vrijwel elke club elk jaar gedoe mee heeft. Ouders die het er niet mee eens zijn, kinderen die liever bij vriendjes spelen, trainers die anders kijken naar kwaliteit. “Wij probeerden dat altijd goed te onderbouwen. En bij Asperen moet je ook blij zijn dat je op elke leeftijd een goed team hebt. Dan is het soms belangrijker om groepen goed te houden dan om alleen op kwaliteit te selecteren.”

Martijn ziet dat vrijwilligers lastig te vinden zijn. Scheidsrechters zijn schaars, trainers en ouders staan wel vaak langs de lijn, maar zetten de stap naar het veld niet zomaar. “Dat vind ik soms wel jammer. Er staan zoveel ouders te kijken, en als je dan vraagt of iemand wil helpen, lukt het vaak niet.”

Hij snapt het ergens ook wel. Niet iedereen durft voor een groep te staan. Niet iedereen denkt dat hij of zij er geschikt voor is. Maar hij gelooft tegelijk dat veel meer mensen het zouden kunnen dan ze zelf denken. “Ik kon het ook niet. Je moet het gewoon doen. Met een bepaalde instelling kun je alles.”

Klik op VV Asperen voor de laatste artikelen over de club
Klik op VV Asperen voor meer informatie over de club.

Noah Abid speelde ooit voor Manchester City en nu voor Westlandia

Noah Abid is 26, speler van Westlandia, technisch begaafd, emotioneel, soms te fel en volgens eigen zeggen ook gewoon koppig. Hij loopt tegen gele kaarten aan en kan op het veld nog altijd reageren vanuit zijn gevoel. Maar wie alleen dát ziet, ziet maar een deel van het verhaal. Want achter de middenvelder die nu met plezier in Naaldwijk voetbalt, schuilt een route die allesbehalve recht is geweest.

Die route liep van Manchester City naar Vitesse, van Ajax naar Almere City, van Tunesië terug naar Nederland, van helemaal klaar zijn met voetbal naar opnieuw beginnen in de eerste klasse, en uiteindelijk naar Westlandia. Onderweg verloor hij mensen, brak hij met anderen, liep hij kansen mis, leerde hij zichzelf beter kennen en kwam hij erachter dat plezier in voetbal geen luxe is, maar een voorwaarde.

Acht gele kaarten

Het begon voor dit verhaal eigenlijk met een statistiek. Acht gele kaarten in twintig wedstrijden. Dat trok de aandacht. Abid moet er zelf ook om lachen, al weet hij dat het niet ideaal is. “De scheids zat ook niet altijd mee, maar ik ben wel gewoon een speler die elk duel wil winnen.” Met 1,66 meter is hij niet de grootste, zegt hij erbij, dus hij moet het hebben van agressie, van felheid, van duels op het randje.

Niet alle kaarten zijn voor te laat inkomen of een harde tackle. Een paar zijn ook voor praten. “Ik ben best emotioneel, best gevoelig ook. Als ik het ergens niet mee eens ben, kan ik daar wel op reageren.” Matig van zichzelf? “Jawel,” zegt hij meteen. “Zeker wel. De trainer zegt het ook. Maar ik ben daar wel mee bezig, hoor.”

Het is een kleine ingang tot een groter verhaal. Want dat gevoel, dat reageren vanuit boosheid of teleurstelling, heeft hem eerder in zijn loopbaan ook in de weg gezeten.

Manchester op je negende

Abid was pas negen toen hij naar Manchester ging. Daar woonde hij tot zijn dertiende. Voor veel jongens is dat de droom: op jonge leeftijd naar een club als Manchester City, trainen met uitzonderlijke talenten als Phil Foden en Cole Palmer, onderdeel zijn van een topsysteem. En natuurlijk, dat was het ergens ook. Maar Abid praat er opvallend nuchter over.

“Als andere mensen het zeggen, dan besef ik wel van: dat is eigenlijk wel bijzonder. Maar zelf ben ik daar best nuchter onder.” Hij gaat niet springen omdat hij bij City heeft gespeeld, zegt hij.

Hoe het leven in Manchester was? “Top, ik voelde me daar gewoon thuis.” Op school, in de omgeving, in het dagelijkse leven. Alleen bij City zelf had hij het moeilijker. “Ik was daar niet echt zeker van mezelf. Dat had ook met thuis te maken.”

Chaos thuis, geen rust in je hoofd

Over zijn jeugd praat Abid open. Zijn vader is Tunesisch, zijn moeder Colombiaans, en later kwam er ook een Nederlandse stiefmoeder in zijn leven die voor hem van grote betekenis werd. Maar zijn thuissituatie was onrustig. Er waren ruzies, spanningen en agressie. Op een gegeven moment verhuisde hij van Engeland naar Nederland, vanuit een situatie waarin de verhoudingen thuis volledig ontwricht raakten.

Veel details wil hij niet breed uitmeten, en dat hoeft ook niet om te begrijpen wat het met hem gedaan heeft. Wat vooral blijft hangen, is de rol van zijn stiefmoeder. Zij ving hem op, gaf hem stabiliteit en zorgde ervoor dat hij weer kon voetballen, eerst bij Vitesse. “Zij was er gewoon voor me. Ze bracht me naar voetbal, ze bleef positief, ook als ik slecht speelde. Als ik wilde opgeven, zei zij dat ik niet moest opgeven.”

Vitesse, Ajax en de fout van niet praten

Via Vitesse kwam Abid uiteindelijk bij Ajax terecht. Daar beleefde hij een aantal van zijn mooiste voetbalmomenten. Kampioen worden met Ajax Onder 19 bijvoorbeeld. Maar ook zijn debuut in het betaalde voetbal bij Jong Ajax. Dat zijn, zegt hij zelf, drie van de mooiste momenten uit zijn loopbaan, samen met zijn oproep voor het eerste elftal van Tunesië. “Als Tunesische jongen is dat geweldig natuurlijk.”

Toch is Ajax voor hem ook de plek waar hij achteraf inziet dat hij zichzelf soms tekortdeed. Hij noemt een situatie met trainer John Heitinga. Abid begon dat seizoen goed, zat lekker in zijn vel, speelde veel en had het gevoel dat hij een van de betere spelers was. Tot hij tegen FC Utrecht opeens op de bank zat. Voor hem kwam dat onverwacht. Hij werd woest.

“Toen ging ik gewoon niet meer met hem praten. De hele week niet. Ik vermeed hem gewoon.” Dat is precies het soort reactie waar hij nu anders op terugkijkt. Niet omdat hij toen geen reden had om boos te zijn, maar omdat hij het volledig liet vastlopen. “Nu zou ik gewoon naar de trainer toe gaan en vragen waarom. Gewoon praten. Toen deed ik dat niet. Toen zat ik helemaal in mijn eigen gevoel.”

Van Almere naar Tunesië

Na Ajax volgde Almere City, waar hij bij Jong Almere terechtkwam. Dat voelde voor hem niet als een stap omhoog. Eerder als een tussenstation waarin hij het nog steeds liet zien, tot corona alles stillegde en de club besloot schoon schip te maken. “Iedereen was gewoon weggestuurd uit ons team. Terwijl ik daar nog jaren had kunnen spelen.”

Daarna vertrok hij naar Tunesië. Op papier een interessant avontuur, in de praktijk viel het tegen. Salarissen kwamen te laat of niet volledig, afspraken werden niet nagekomen en het leven daar maakte hem vooral duidelijk hoe goed hij het in Nederland eigenlijk had. “Dan ga je Nederland wel waarderen. Ik miste niet eens alleen thuis, maar gewoon hoe goed alles hier geregeld is.”

Twee jaar geen voetbal

Na Tunesië kwam Abid terug naar Nederland, waar hij een tijd bij zijn oma terechtkon. Hij dacht niet aan voetbal. Echt niet. “Ik was er helemaal klaar mee,” zegt hij. Twee jaar lang werkte hij gewoon en liet hij het voetbal liggen.

Tot zijn neef bleef aandringen om een keer mee te trainen bij SV Die Haghe. Abid had er geen zin in. Toch ging hij mee. Hij moest bijna overgeven van de inspanning, zegt hij lachend, zo lang had hij niets gedaan. Na één jaar viel hij opnieuw op. Er kwam belangstelling van HBS, Westlandia en van clubs daarbuiten. Eerst koos hij voor HBS, vooral omdat het dicht bij huis was.

Bij HBS liep hij vast op de manier van spelen die de trainer van hem vroeg. Abid had het gevoel dat hij te strak werd gestuurd en te weinig vrijheid kreeg. “Ik heb een trainer nodig die zegt: Noah, doe je ding. Werk keihard, neem je taken serieus, maar speel vanuit je kwaliteiten.”

Bij HBS moest hij volgens hem vooral diep lopen en rennen. “Maar ik ben geen renner. Ik wil voetballen, in de bal komen en ruimtes zoeken.” Door die manier van spelen voelde hij zich beperkt, terwijl hij juist vanuit vrijheid het beste rendeert.

Westlandia als warme club

Toen Westlandia opnieuw belde, voelde dat anders. Niet alleen door de trainer, maar ook door de manier waarop hij werd benaderd. “Mauricio liet echt merken dat hij me graag wilde hebben.” Hij kwam binnen en voelde zich al snel thuis.

Nu, in zijn tweede seizoen, omschrijft hij Westlandia als “een super warme club”. Niet zomaar een mooie zin, maar echt iets wat hij ervaart. “Wat mooi is van Westlandia: het heeft geen groepjes. Iedereen is goed met elkaar. Of ik nou met de keeper op trainingskamp op een kamer lig of met iemand anders, maakt niet uit. Iedereen trekt goed op met elkaar.”

Dat familiegevoel betekent veel voor hem. “Ik voel me belangrijk in het team. Ik speel veel, ik heb het naar mijn zin. Dan is er ook niet echt een reden om weg te gaan.”

Toch is zijn toekomst nog niet honderd procent zeker. Niet omdat hij per se weg wil, maar omdat de trainer vertrekt. En Abid is eerlijk genoeg om toe te geven dat hij mede voor die trainer naar Westlandia kwam. “Ik moet met de nieuwe trainer een goed gesprek hebben. Kijken hoe hij voetbal ziet, hoe hij mij ziet, of er een klik is.”

Klik op RKVV Westlandia voor de laatste artikelen over de club.
Klik op RKKV Westlandia voor meer informatie over de club.

Khalid Benlahsen blijft doelman bij Everstein 45+ “Voor mij is dit gewoon ontspanning”

Wie Khalid Benlahsen alleen kent van Feyenoord of van de KNVB, zou bijna vergeten dat zijn verhaal niet in De Kuip begon, maar gewoon in Everdingen. Bij SC Everstein, op een amateurveld waar hij als jonge keeper zijn eerste ballen pakte, waar hij op zijn zestiende debuteerde in het eerste elftal en waar het voetbal, ook nu nog, iets heel anders oproept dan de wereld waarin hij doordeweeks werkt. “Voor mij is het echt wel ontspanning om bij Everstein te zijn. Ik kijk er daar niet vanuit mijn bril van professioneel voetbal. Daar is amateurvoetbal ook voor.”

Dat zegt iemand die inmiddels al jarenlang op het hoogste niveau van het Nederlandse keepersvak meedraait. Benlahsen werkte bij Feyenoord, eerst in de academy en later bij het eerste elftal, en is tegenwoordig keeperstrainer van Jong Oranje. Daarnaast is hij bij de KNVB hoofddocent voor alle keepersopleidingen in Nederland. Een hoge functietitel, waar hij zelf nuchter over spreekt. “Ik vind het wel een eer om voor de KNVB te werken. Maar ik ben niet zo bezig met: kijk mij eens wat ik bereikt heb. In voetbal doe je het altijd met meerdere mensen. Je probeert samen tot iets moois te komen.”

“Met Jong Oranje haal ik mijn voldoening uit het winnen van wedstrijden. Maar ik haal ook voldoening uit het ondersteunen van jonge keepers in hun carrière. En uit het zien dat jonge keeperscoaches mooie stappen maken.”

“Je moet keepers  in een ontwikkelmodus krijgen”

Op de vraag wat een goede keeperstrainer goed maakt, hoeft Benlahsen niet met een snelle one-liner te komen. Daarvoor is het vak te groot en te gelaagd. Hij noemt trainingsvormen, wedstrijdgericht werken, coaching, empathie en samenwerking met de hoofdcoach. Maar vooral dat laatste komt steeds terug in zijn verhaal: begrijpen met wie je werkt. “Je moet een goede professionele relatie kunnen opbouwen. Waardoor je samen werkt aan ontwikkeldoelen van het team en het individu. Je moet empathisch vermogen hebben, inlevingsvermogen. En je moet een keeper in een ontwikkelmodus kunnen krijgen. Voornamelijk in de teamtrainingen liggen daar mooie uitdagingen voor zowel de hoofdcoach als keeperscoach.”

Binnen de KNVB probeert hij die manier van kijken nu breder neer te zetten. Vijf jaar geleden begon de bond met een nieuwe opzet rondom keepersopleidingen. Benlahsen is daar een belangrijke kracht in. Het doel is niet alleen om keeperscoaches op topniveau te helpen, maar juist ook om trainers op alle niveaus beter toe te rusten. “We willen keeperscoaches en hoofdcoaches enthousiasmeren door middel van opleidingen. Waardoor ze hun kennis vergroten en keepers daar meer profijt van krijgen.”

Dat begint niet pas in het betaalde voetbal. Integendeel. Benlahsen praat juist met overtuiging over vrijwilligers, goedwillende vaders en moeders en amateurtrainers die jonge keepers wat extra aandacht willen geven, maar niet altijd weten hoe. Daarom komt er volgens hem ook een extra basiscursus bij, gericht op de jongste leeftijdsgroepen.

“Hoe leer ik nou de basisvaardigheden van het keepen aan? Dat staat centraal. Dus: hoe creëer ik de ideale leeromgeving voor keepers tot twaalf jaar?”

Dat Benlahsen uiteindelijk niet als speler de absolute top haalde, zit hem niet dwars. Daar is hij helder in. “Als je het uiteindelijk niet redt, dan was je niet goed genoeg of anderen waren beter. En is dat erg? Nee, helemaal niet.” Profvoetballer werd hij wel. Tot zijn 26ste speelde hij betaald voetbal, daarna volgden de topamateurs.

Ondertussen blijft Everstein voor hem de plek waar alles weer even teruggebracht wordt tot de kern. “Er lopen daar allemaal mensen rond die je al jarenlang kent. Dat maakt het gewoon heel prettig.”

Voor jonge keepers en keeperstrainers heeft hij dan ook een eenvoudige boodschap. “Zorg dat je plezier houdt in wat je doet want het is gewoon een hartstikke leuke positie in het veld. En het is ook hartstikke leuk om als keeperstrainer actief te zijn binnen een amateurvereniging.”

Klik voor meer artikelen op SC Everstein.
Klik voor meer informatie over SC Everstein.

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Ontvang nu ook maandelijkse het laatste nieuws uit het amateurvoetbal in jouw regio.