Home Blog Pagina 2

MAARTEN BROUWER ROLT TOEVALLIG TRAINERSVAK IN BIJ NOORDELOOS

0

“Misschien zou ik wel een goeie trainer zijn.” Het was half voor de grap gezegd, ergens in een zomers gesprek met een paar speelsters van vrouwen 1. Een jaar later staat Maarten Brouwer (34) elke woensdagavond en zaterdag voor de groep. De oud-doelman van SV Noordeloos ruilde zijn keepershandschoenen in voor een trainerspak, en heeft daar geen moment spijt van.

Vijftien jaar onder de lat

Brouwer speelde vanaf de F-jeugd voor Noordeloos, het dorp waar hij nog altijd woont. Na zo’n vijftien jaar selectievoetbal hing hij afgelopen seizoen de handschoenen aan de wilgen. “Ik ben nooit mega-ambitieus geweest. Het was altijd gewoon een lekkere hobby voor me.” Het grootste deel van zijn carrière stond hij onder de lat bij het tweede, met uitstapjes naar het vierde en vijfde en af en toe een invalbeurt bij het eerste. Een vaste stek bij het eerste zat er nooit in, en dat raakt hem niet. De reden om te stoppen was simpel: in het tweede stond hij op een gegeven moment tussen spelers die bijna twintig jaar jonger waren. “Toen vond ik het eigenlijk wel mooi geweest.”

Een grapje dat serieus werd

Dat Brouwer nu op de bank zit bij vrouwen 1, is puur toeval. Vlak voor zijn afscheid als speler sprak hij een paar speelsters van het team, dat een rommelige periode achter de rug had met meerdere trainerswissels in korte tijd en zelfs een halfjaar zonder trainer. Zijn losse opmerking dat hij het misschien wel zou kunnen, werd door de speelsters direct serieus genomen. “Toen gingen zij daar eigenlijk gelijk op in: dat zouden wij leuk vinden, we zijn al zo lang op zoek naar iemand.” Via het bestuur werd een plan gesmeed, en voor hij het wist stond Brouwer voor de groep. Ervaring als trainer had hij niet. “Het was echt een sprong in het diepe.”

Een sprong die hem uitstekend bevalt. Brouwer, die met een eigen bedrijf video’s en content maakt voor bedrijven in de regio, geniet zichtbaar van zijn nieuwe rol. Vooral het verschil met het herenvoetbal valt hem op. “Bij de mannen is het bij een training vaak een beetje een kleuterklas voordat iedereen stil is. Bij de meiden hoef je maar te zeggen ‘even centraal’ en iedereen is er.” Die discipline maakt het trainerschap voor hem verrassend licht. “Ik vind het gewoon een hele prettige manier van werken.”

Tactisch noemt Brouwer zichzelf nog een leerling. “Op tactisch gebied kan ik nog wel veel leren. Ik ben vooral een sociaal iemand, die goed met mensen omgaat en ze weet te motiveren. Op ons niveau is dat misschien wel het belangrijkste.” Gelukkig hoeft hij het wiel niet alleen uit te vinden. Op maandag verzorgt oud-Noordeloos-trainer Hans Duijzer de training, en op zaterdag staat routinier Geerte Kooijman als grensrechter en assistent langs de lijn. Kooijman is al decennia verbonden aan de vrouwenafdeling en kreeg voor haar verdiensten zelfs een lintje van de club. “Voor mij als pas begonnen trainer is dat super waardevol. Ik leer echt super veel van die twee ervaren krachten.” Zelf overweegt Brouwer inmiddels een trainerscursus om zich verder te ontwikkelen.

Langzaam bouwen richting de derde klasse

Sportief speelt SVN vrouwen 1 komend seizoen opnieuw in de vierde klasse. “Op de korte termijn is promotie wellicht niet realistisch, maar je weet het nooit.” Hij kijkt met vertrouwen vooruit. Bij de MO13 en MO15 lopen enkele talentvolle meiden rond die op termijn kunnen doorstromen. “Als die langzaam overkomen, denk ik dat we op termijn weer richting de derde klasse kunnen, waar de vrouwenafdeling ook eerder heeft gespeeld.”

Voorlopig kijkt Brouwer niet verder dan het huidige seizoen, waarin hij in ieder geval aanblijft. Verder vooruitkijken doet hij bewust niet. “Als het van beide kanten goed bevalt, zou ik het zeker leuk vinden om door te gaan. Maar dat bekijken we dan wel weer.”

VOS ZET ZICH OVERAL VOOR IN BIJ AMEIDE

0

Jonah Vos (18) maakte afgelopen seizoen zijn eerste jaar mee in het eerste van Ameide. Een lastig seizoen in een klasse die achteraf te hoog gegrepen bleek. Maar op en naast het veld doen weinig achttienjarigen hem na.

Ameide werd het seizoen ervoor kampioen en promoveerde naar de derde klasse in een andere regio. Al snel bleek het niveau een klasse te hoog. Eén overwinning en vier gelijke spelen, meer leverde het seizoen niet op. “Dat is niet best helaas. Het was echt te hoog gegrepen.” Wat bleef, was de mentaliteit. “Verliezen is nooit leuk, maar we zijn als team wel goed bij elkaar gebleven. Ook als we tegen de nummer één moesten, bleven we ervoor gaan en probeerden we het beste eruit te halen.” Dat de club nu weer een klasse zakt, ziet Vos vooral als opluchting. “Je gaat liever naar een niveau waar je af en toe wint. Dat maakt voetballen leuker.” Een concrete titelambitie durft hij nog niet uit te spreken, mede omdat de samenstelling van de groep nog kan wijzigen. Maar ergens bovenin meedraaien lijkt hem haalbaar.

Vroege doorbraak

Vos zelf sloeg de Onder 19 helemaal over. Vanuit de onder 17, waar hij al af en toe mocht meedoen, werd hem aan het einde van dat seizoen gevraagd de overstap naar het eerste te maken. Dit was zijn eerste volledige seizoen daar. Vooraf had hij zichzelf als doel gesteld ongeveer de helft van de wedstrijden in de basis te staan, en dat lukte, met vooral richting het einde van het seizoen steeds meer basisminuten. Drie doelpunten en een assist leverde dat op, wat hij zelf aan de lage kant vindt voor het aantal wedstrijden. Verzachtende omstandigheid: het hele team scoorde weinig, en als buitenspeler stond hij vaak op een eilandje. Over zijn eigen plafond is Vos nuchter. “Ik zeg niet dat ik nooit meer weg zal gaan, dat weet je nooit. Maar zoals ik er nu in zit, ga ik niet zeggen dat ik er over een paar jaar bovenuit steek.” Voor komend seizoen mikt hij op zo’n tien doelpunten en assists samen.

Meer dan alleen voetballen

Komend seizoen gaat Vos de JO9 trainen, iets wat hij al eerder deed en graag weer oppakt, al ziet hij zichzelf niet als toekomstig gediplomeerd trainer. “Ik heb het eerder gedaan en vond het leuk, dus waarom zou ik het niet weer doen? Maar er echt in doorgroeien, dat zie ik niet per se voor me.” Daarnaast fluit hij wedstrijden, draait hij bardiensten, staat hij als supporter langs de lijn en helpt hij mee aan vuurwerk en spandoeken. “Ik probeer eigenlijk zoveel mogelijk voor de club te doen omdat ik het hartstikke leuk vind.” Zelfs het fluiten, met soms schreeuwende ouders langs de zijlijn, doet hij er graag bij. Bij de jongste jeugd vindt hij het fluiten zelf overzichtelijk genoeg. “Maar dat geschreeuw is niet altijd normaal. Toch doe ik het gewoon voor de clubliefde.” Waar die inzet vandaan komt, is voor Vos geen ingewikkelde vraag. “Ik vind voetbal een fantastische sport en ik wil die liefde graag overdragen aan anderen. Het helpen van mensen vind ik ook gewoon leuk. En de club is een hartstikke gezellige plek om te zijn.”

GOUDRIAAN BREEKT DOOR BIJ DE ALBLAS

0

Thijs Goudriaan (18) heeft zich afgelopen seizoen in de basis gespeeld bij De Alblas. Sinds februari is de buitenspeler eigenlijk niet meer uit het team weg te denken.

Vorig seizoen speelde Goudriaan zijn tweede jaar bij de onder 19. De trainer van het eerste had vanaf het begin duidelijk gemaakt de jeugd nadrukkelijk te willen betrekken. Zo speelde Goudriaan een paar keer vijf minuutjes vroeg in het seizoen, meer was het niet. Tot de winterstop. “Toen zei hij tegen me: we willen je er helemaal bij hebben nu.” Vanaf dat moment trainde Goudriaan alleen nog met het eerste, inclusief trainingskamp. In februari volgden zijn eerste dertig minuten en scoorde hij meteen twee keer. De week erna volgde zijn basisdebuut. Sindsdien is hij er eigenlijk niet meer uit geweest. “Eén wedstrijdje zat hij nog op de bank, maar dat was het.”

Twee keer raak tegen IJsselmonde

Hoe die eerste dertig minuten verliepen, vertelt Goudriaan met plezier. “We speelden uit tegen IJsselmonde, die stonden net iets onder ons. Dat was echt een pot die we moesten winnen. Na zestig minuten stonden we 1-0 achter toen ik erin kwam, samen met nog een jongen van de Onder 19. De Alblas scoorde er al snel twee, dus toen stond het 2-1. Er kwam wat energie in, en rond de 75e minuut kreeg ik de bal met een stuit voor mijn voeten. Vanaf de zestien, een afvallende bal, en het was een beetje aan het regenen. Die gleed er heerlijk in. De tweede was wat minder mooi. Ik ging een-op-een, schoot tegen de keeper aan en de rebound ging erin.”

De week na zijn invalbeurt volgde zijn eerste basisplaats. Ook daar was Goudriaan trefzeker. Rond de veertiende minuut vroeg hij zelf om de bal, gaf de centrale verdediger een panna en schoot raak. Zijn vierde en laatste goal van het seizoen viel in de nacompetitie, in een gespannen finale om handhaving. “We stonden na de eerste helft al 2-0 voor, maar kwamen op 2-1, dus toen werd het spannend. Rond de 76e minuut schoot ik de 3-1 erin. Een hoge bal die ik in één keer uit de lucht met binnenkant voet plaatste.” Handhaving was binnen.

Zomaar overstappen van de Onder 19 naar het eerste elftal gaat niet vanzelf. “Het niveau is echt heel anders. Veel fysieker. Je staat ineens naast een paar vaders, terwijl ik normaal tussen leeftijdsgenoten sta.”

Onzeker over een basisplek

Voor komend seizoen hoopt Goudriaan een vaste basisspeler te worden. Of hem dat gaat lukken, weet hij niet. Een aantal ervaren spelers, oude bekenden van de club, keert terug. “Ik denk dat het heel lastig wordt. Het zou zomaar kunnen dat ik geen basis speel. Voor mij wordt het wel een stukje harder werken nu.”

Wat betreft het team is er nog geen concrete doelstelling, al hoopt Goudriaan minimaal op een zorgeloze handhaving, met eventueel een gooi naar promotie via een periodetitel. Zijn persoonlijke doel? “Ik hoop uiteindelijk het hoogst mogelijke niveau te halen. Daar ga ik mijn best voor doen.”

Naast voetballen is Goudriaan samen met een ploeggenoot trainer bij de Onder 15. Echte ambitie in het trainerschap heeft hij nog niet. “Dat lijkt me op zich leuk, maar dan pas als ik zelf ben gestopt met voetballen.” Voorlopig doet hij het vooral voor de gezelligheid met de jongens waarmee hij het samen doet, en omdat hij het gewoon leuk vindt om training te geven. “En de club had het ook gewoon nodig.”

VAN BEKERHELD TOT CLUBHISTORICUS BIJ PAPENDRECHT

0

Peter Michielse (64) is 56 jaar lid van Papendrecht. Hij was er als achtjarige jongen al bij toen de club op het hoogste amateurniveau speelde. Hij speelde er zelf in de mooiste jaren uit de clubgeschiedenis en hij schrijft er tegenwoordig de in memoriams. Een club-icoon, zonder het zelf zo te willen noemen.

De jaren 1983 tot 1988 vormen één van de twee glorieperiodes uit de geschiedenis van Papendrecht. Beker gewonnen, kampioenschap en promotie naar de hoofdklasse, destijds het hoogste amateurniveau. Michielse, toen controlerende middenvelder, speelde in 1985 drie wedstrijden in de landelijke bekercompetitie tegen DWV en Volendam, en scoorde daarin zelf. Begin 1986 volgde de uitwedstrijd bij Groningen, die werd met 3-0 verloren. “We hadden een goed team, en eigenlijk kwam bijna iedereen uit Papendrecht zelf, meestal via de eigen jeugdafdeling. Het was echt een team vanuit het dorp.”

Twee keer been gebroken

Aan die mooie periode kwam voor Michielse zelf abrupt een einde. In april 1986, hij was 23, brak hij zijn scheenbeen. Anderhalf jaar later volgde een tweede breuk, ditmaal scheen- én kuitbeen. Daarna speelde hij nooit meer op het hoogste niveau. Dat hij stopte, had ook met zijn werk te maken. Michielse was destijds promovendus wiskunde aan de TU Delft. “Als je twee keer je been breekt, moet je toch wat voorzichtiger worden. En als je dan weer tien tot twaalf weken uitvalt, is dat niet zo handig voor je werk, dat moest binnen vier jaar af.” Toch knaagt de beslissing nog altijd een beetje. “Ik was pas 25. Achteraf had ik het misschien een jaar moeten laten zakken, en dan kijken of ik nog op dat niveau kon terugkomen. Maar dat is achteraf hè. Daar kun je nu niks meer aan doen.”

Het geheugen van de club

Al sinds zijn achtste is Michielse nauw betrokken bij zijn club.  Verbazend is zijn opmerkelijk geheugen. “Vraag me naar het seizoen 1985-1986, en ik kan je de exacte data, tegenstanders en uitslagen van het hele seizoen geven. Ik maakte dat jaar tien competitiedoelpunten en drie in de beker.” Jarenlang zat hij in de redactie van het clubblad en hij droeg bij aan het jubileumboek uit 2020. Daar nam hij vooral de jaren zestig, zeventig en tachtig voor zijn rekening. Ook schrijft hij de in memoriams van overleden clubleden. Het afgelopen jaar overleden er opvallend veel uit de vorige gouden generatie, eerste elftal spelers uit de jaren zestig van de vorige eeuw. “Als kind keek ik op tegen die spelers van het eerste, op zo’n hoog niveau op het hoofdveld. Dat is magisch. Sommigen ken ik nu nog persoonlijk, en dan is er altijd nog een praatje.”

Ook nu, jaren na zijn laatste wedstrijd, is erelid Michielse niet weg te denken bij Papendrecht. Hij was jarenlang bestuurslid en zit nu nog in de commissie onderscheidingen, die vrijwilligers voordraagt als lid van verdienste, was afgelopen seizoen even jeugdvoorzitter en helpt af en toe mee met klein onderhoud aan de accommodatie. Wie hem buiten de club spreekt, ontdekt bovendien een heel ander verhaal. Als gepromoveerd wiskundige bouwde Michielse een carrière op rond supercomputers, en houdt hij zich tegenwoordig bezig met de organisatie rond een nieuwe Nederlandse AI-faciliteit in Groningen.

Na zijn blessures duurde het jaren voordat Michielse weer serieus voetbalde. Eerst nog een seizoen in het tweede, en daarna gestaag richting een veteranenteam. Wat daar begon, is nooit meer gestopt. Elke vrijdagavond staat hij nog op het veld, met een onderling partijtje en aansluitend een derde helft. “De tijd dat we fanatiek waren, is wel geweest. Het is nu vooral gewoon gezellig.” Naast het veld doet hij nog volop vrijwilligerswerk voor de club, en ook zijn vrouw is er nauw bij betrokken, ooit jarenlang aanvoerder van het dameselftal. “Het is gewoon een belangrijk onderdeel van je leven.”

LEON VAN DALEN NAAR HET EERSTE VAN DRECHTSTREEK

0

Na een jaar rust is Leon van Dalen (47) terug bij Drechtstreek. Dit keer als assistent-trainer van jeugdvriend John den Dunnen. En voor het eerst met zijn eigen zoon in de senioren.

De aanleiding kwam in januari, via een telefoontje van Den Dunnen. Van Dalen en hij kennen elkaar al jaren, speelden ooit samen bij FC Dordrecht en komen allebei van Drechtstreek. Een informele afspraak lag er al langer. “We hadden ooit al eens gezegd dat als het ooit zo uitkomt, we samen iets bij Drechtstreek zouden doen.” Toen de toenmalige assistent-trainer stopte, was dat het moment. “John belde me en toen zijn we ervoor gegaan.”

Van Dalen speelde zelf jarenlang in de eerste divisie, en had op zijn twintigste de mogelijkheid om naar FC Groningen of Roda JC te gaan. Met nog maar één jaar te gaan voor zijn Pabo-diploma bedankte hij voor de clubs. “Ik wist wel dat ik goed kon voetballen, maar ik wist niet waar mijn plafond lag. Ik ben meer het type dat zekerheid wil, en die opleiding gaf me dat.” Toen zijn contract bij TOP Oss op zijn 29e niet werd verlengd, stond hij binnen één sollicitatiegesprek voor de klas. “Voor mij was dat nul stress.” De eerste divisie van toen was volgens hem van een heel ander niveau dan nu. “Ik speelde tegen jongens die 300, 400 wedstrijden eredivisie in de benen hadden. Regilio Vrede, die tegen AC Milan had gespeeld in Europa. Regillio Simons, de vader van Xavi, die kwam afbouwen vanuit Fortuna Sittard. Ik voetbalde samen met Marco ervaren spelers. Nu is de oudste van zo’n selectie 25. Toen was het een heel andere wereld.”

Nooit meer oud-ploeggenoten coachen

Zijn eerdere periode als assistent bij Drechtstreek, enkele jaren geleden, verliep niet altijd soepel. Toen coachte hij spelers waarmee hij zelf nog kampioen mee was geworden, richting de toenmalige eerste klasse. “Dat voelde voor mij anders. Je moet dan soms een vervelende boodschap brengen aan iemand waar je zelf mee gevoetbald hebt. Dat was niet de meest prettige periode, maar wel heel leerzaam.” De les die hij eruit trok, is duidelijk. “Als ik nu een oud-speler assistent zie worden van een team waarin hij zelf nog speelde, denk ik: och jongen, waar begin je aan.” Bij deze groep, waarmee hij zelf nooit heeft gevoetbald, speelt dat probleem niet.

Grote tactische omwentelingen verwacht Van Dalen niet, want de resultaten waren de laatste jaren al aardig. Wel is de selectie opvallend jong. Op één 31-jarige en één 28-jarige na is iedereen 22 of 23. “Voetballend zit er al best wat in bij deze groep. Aan die jonge jongens kunnen wij nog wat slimmigheidjes toevoegen.” Een harde doelstelling durft hij niet uit te spreken, al hoopt hij op de nacompetitie.

Vader en zoon

Bijzonder aan dit seizoen: ook de zoon van Van Dalen maakt de overstap van de jeugd naar de senioren, en sluit aan bij de selectie. Of hij bij het eerste of het tweede terechtkomt, moet nog blijken. Vader en coach zijn tegelijk, is niet altijd makkelijk. “Ik ben over het algemeen best kritisch op hem. Mijn vrouw zegt weleens: hou er nou mee op, hij heeft het toch goed gedaan. Maar het is altijd bedoeld als iets positiefs.” Wat hij het belangrijkste vindt? Dat zijn zoon vooral plezier blijft houden. “Of het nou bij het eerste is of het tweede, hij moet gewoon elke zaterdag lekker het veld op kunnen en lekker kunnen knallen.”

DE GEWILDE KOLFF MAAKT OVERSTAP NAAR DE ZWERVER

0

meeNa drie jaar Vuren en drie jaar Altena is het tijd voor een nieuwe club. Rick Kolff (42) tekent bij De Zwerver en maakt daarmee waar wat hij een jaar geleden in Voetbaljournaal beloofde: een stap naar de eerste of tweede klasse. “Uiteindelijk had ik hier het beste gevoel bij.”

Negen keer nee

Dat er uiteindelijk voor De Zwerver gekozen werd, was niet vanzelfsprekend. Negen clubs klopten aan bij Kolff, waarvan hij er zes bij voorbaat afwees. Alleen met GRC’14, Tricht en De Zwerver ging hij het gesprek aan. Opvallend is dat wanneer je zijn cijfers bij Altena puur resultaatgericht bekijkt, niet eens zo uitzonderlijk waren. Eén keer gepromoveerd, maar ook één keer gedegradeerd. “Puur resultaatgericht was het niet heel goed. Maar clubs kijken daar wel doorheen heb ik in die gesprekken gemerkt. Ze verzamelen info over hoe je traint, wat je voetbalfilosofie is en hoe je binnen een vereniging staat. Dat vinden mensen in het amateurvoetbal ook wel heel belangrijk.” Zijn eigen antwoord daarop is simpel: aanwezig zijn. “Ik laat mijn gezicht zien en loop niet zomaar weg. Ik heb twee keer drie jaar bij een club gezeten en bij beide clubs wilden ze dat ik bleef. Ook kom ik nog steeds graag langs bij Vuren en Altena.”

Tussen de drie kandidaten koos Kolff uiteindelijk op gevoel. Het was de technische commissie van De Zwerver die de doorslag gaf. “Daar zaten jongens van mijn leeftijd die zelf ook op niveau gevoetbald hebben en gewoon wisten hoe en wat. Die hadden veel over me uitgezocht en waren duidelijk actief bezig en ambitieus. Dat vond ik wel belangrijk.”

De twee clubs die het uiteindelijk niet werden, kent Kolff goed. GRC’14 zit bij hem in de buurt en degradeerde dit jaar juist van de tweede naar de derde klasse. Tricht speelt komend seizoen net als De Zwerver in de tweede klasse. “Het waren allebei serieuze opties, en ze wilden mij alle drie graag hebben. Maar uiteindelijk gaat het om waar je gevoel het beste bij past.”

Van biertje naar ambitie

Elke stap in zijn trainerscarrière is een stapje hoger, legt Kolff uit. Vuren was een dorpsclub waar jongens vooral voor de gezelligheid en het biertje voetbalden. “Dat is een omgeving waar je jezelf in moet aanpassen als je zelf presteren gewend bent. Maar als je dat niet kan, moet je ook geen trainer worden. Je moet ergens onderaan beginnen.” Bij Altena, ooit op een hoger niveau actief met betaalde spelers, zat al net iets meer fanatisme. De club stapte een aantal jaar geleden volledig over op eigen jeugd, zonder betalingen, en begon eigenlijk weer bij nul. Een vaste stip op de horizon heeft Kolff niet. “Ik heb niet zoiets van ‘over vijf jaar wil ik daar of daar zijn’. Ik ben heus wel ambitieus, maar het is geen must voor mij om op het hoogste niveau te trainen. Voor mij gaat het gewoon om een leuke club waar ik het naar mijn zin heb. Niveau is goed, maar niet heiligmakend.”

Persoonlijk valt de overstap samen met nog een grote verandering: twee weken voor dit gesprek kreeg Kolff de sleutel van zijn nieuwe huis. Terwijl de voorbereiding bij De Zwerver al over anderhalve week begon. Veel tijd om te settelen is er dus niet. Toch maakt hij zich er niet druk om. Zes weken voorbereiding vindt hij ruim voldoende. “Spelers moeten naar mijn mening ook even het voetbal los laten en hun eigen ding doen. Om weer fris te starten. Tegenwoordig moeten clubs van alles: drie keer trainen, blokken, weet ik veel wat. Ik geloof daar niet zo in. Spelers moeten volgens mij ook gewoon eventjes hetzelfde ding kunnen doen.” Aan de moderne trainingsdrukte, waarbij spelers volgens hem soms wel erg opgejaagd worden, doet hij liever niet mee. “Ik geloof er niet in dat iedereen elkaar achternaholt.”

Durven voetballen

Van De Zwerver zag Kolff vorig seizoen al drie wedstrijden, en hij regelde ook een oefenpotje tegen de club. Zijn beeld: een ploeg die bikkelt en hard werkt, met veel jongens die er al langer zitten. De grootste winst valt volgens hem te behalen in het voetballende gedeelte. “Het opbouwende gedeelte. Durven om te voetballen. Dat is ook precies waar ik bij clubs graag aan werk.” Dat spits Glenn Weijts vertrok, ziet hij niet enkel als een verlies. “Dat was een jongen die best wat doelpunten maakte en stempel drukte. Nu komen er andere jongens voor terug die het team denk ik wel ten goede komen.”

Een concrete doelstelling spreekt Kolff nog niet uit. De Zwerver verhuist dit seizoen naar een poule dichter bij zijn eigen regio, met onder meer Sliedrecht en Papendrecht als favorieten. Waar de club voorheen meer richting het Rotterdamse speelde, komt de competitie nu dichter bij Kolff zelf in de buurt te liggen. Ook een club als SVW zit in de nieuwe indeling. “Ik vind het lastig om nu al te zeggen waar wij gaan eindigen. Iedereen roept al snel: we willen om een periodetitel meedoen… De afgelopen jaren hebben wel uitgewezen dat De Zwerver een stabiele tweedeklasser is. Dan zouden wij dat misschien ook wel kunnen roepen.”

Kozakken Boys

Wie Kolff nu langs de lijn ziet staan, ziet niet direct de speler die hij ooit was. Heel zijn jeugd voetbalde hij bij Kozakken Boys, waar hij uiteindelijk via het derde, tweede en eerste meer dan 150 wedstrijden speelde. Dat was destijds het hoogste amateurniveau. Bekerduels tegen Ajax en PSV en mooie wedstijden tegen Spakenburg en IJsselmeervogels. “Voor een amateurvoetballer is dat wel het summum. Leuk om op terug te kijken.” Aan het einde van zijn jeugd toonde FC Utrecht interesse, maar Kolff haakte zelf af. “Ik wilde gewoon lekker thuis blijven, bij mijn vrienden. Die behoefte had ik nooit zo. Als ik goed genoeg was, kwamen ze later ook wel weer.” Zijn jongere broer maakte die stap destijds wel, speelde op zijn zeventiende al in het eerste van Utrecht, maar redde het uiteindelijk net niet als prof.

Spijt heeft Kolff niet. “Om op dat niveau te komen, moet je heel goed zijn en heel veel opofferen. Je ziet alleen de mooie kant, maar onderschat niet wat erachter zit.” Ook geluk speelt mee, denkt hij. Het juiste moment, de juiste plek. Makkelijk was Kolff als speler overigens niet. “Ik was niet brutaal, maar had wel altijd mijn mening klaar.” Iets waar hij nu als trainer nog profijt van heeft. “Daarom kan ik denk ik goed met lastige jongens omgaan.”

meer dan alleen cijfertjes

Dat hij, ondanks een niet uitzonderlijk trackrecord, zoveel clubs achter zich aan kreeg, verbaast Kolff zelf nog het meest. Hij wijt het vooral aan hoe hij zich als trainer opstelt binnen een vereniging, meer dan aan resultaten alleen. “Het amateurvoetbal is klein. Iedereen kent elkaar, en een goed woordje doet meer dan een lijstje met cijfers.” Voor komend seizoen hoopt hij dat te bevestigen bij De Zwerver. “Ik hoef niet elk jaar de grootste ambities uit te spreken. Als het klikt met de groep en het bestuur, dan komt de rest vanzelf.”

Voor Kolff zelf is de overstap naar De Zwerver vooral een prettige, ook buiten het veld. “Ik ben hier best wel blij mee. In deze buurt, op dit niveau, bij deze club. Ik denk dat ik hier wel kan passen.”

BROERTJES ROZEBOOM BOS GEVEN HARDINXVELD IETS TERUG

0

Leon (33) en Robin (30) Rozeboom Bos zijn broers, en allebei actief in het bestuur van Hardinxveld. Samen zitten ze al jaren in de sponsorcommissie. Al in hun tienerjaren staan de twee als vrijwilliger klaar voor club. Dat is eigenlijk nooit meer veranderd.

Zelf spelen ze allebei niet meer. Leon kampte jarenlang met knieproblemen: twee keer een kruisband, één keer een meniscus. De eerste operatie kwam er al rond zijn negentiende, na een periode zaalvoetbal, waarna hij twee jaar geen veldvoetbal speelde. Later pakte hij het weer op en zo kwam hij terecht in het tweede. Daar bleef hij gehinderd worden door blessures en ingrepen. Acht jaar geleden stopte hij definitief. “Inmiddels voetbal ik al zo lang niet meer dat ik het niet meer mis.” Robin voetbalde tot zijn 22e in de selectie, in het derde, en koos er toen bewust voor om lager te gaan voetballen, bij een vriendenelftal. “Ook in de kelderklasse blijft het een fantastisch spelletje.” Een derde broer, Thomas, speelde de afgelopen zeven jaar in het eerste, maar maakte onlangs bekend daarmee te stoppen.

Van kantinedienst tot sponsorcommissie

Robin rolde al op zijn 22e in zijn rol als voorzitter van de sponsorcommissie, nadat de toenmalige voorzitter overleed en er een opvolger gezocht werd. “Ik was er vrij jong voor, maar ik dacht: mooi om iets terug te doen. Je hele leven is alles voor je geregeld door vrijwilligers, of het nou sponsoring was of trainers. Op dat moment had ik ook meer tijd dan mensen met een gezin.” In het begin vond hij het nog wel apart om bedrijven te benaderen. “Maar je groeit erin. En het is ook helemaal geen kwestie van bedrijven om geld vragen. We hebben een actieve achterban, het is meer samenwerken met bedrijven die de club toch al willen steunen.” Leon sloot een paar jaar later aan. Zijn commerciële beroep en netwerk maakten de sponsorcommissie een logische stap. Waar Robin zich vooral op kleding en merchandise richt, pakt Leon de bordsponsoren op. Daarnaast is hij al zo’n vijf jaar bestuurslid algemene zaken, verantwoordelijk voor de kantine en alles eromheen.

Fors gegroeide inkomsten

Sinds de broers zo’n zes jaar geleden samen de sponsorcommissie op zich namen, zijn de inkomsten flink gestegen. Een deel van die groei komt uit nieuwe initiatieven: twee webshops, één voor merchandise en één voor trainingsartikelen via kledingleverancier Macron, leveren allebei ook geld op voor de club.

Een van de eerste apps in het amateurvoetbal

Twee jaar geleden ontwikkelden de broers ook een eigen clubapp met standen en nieuws als vervanging van de website. Robin werkt zelf in webdesign, dus die affiniteit was er al. Het idee ontstond na een voorlichtingsavond over zo’n app in het dorp. Robin: “Toen hebben we ons ervoor hard gemaakt om het bij de club in te zetten. En als je jezelf ergens hard voor maakt, kun je het ook niet meer afschuiven.” De app hangt samen met de sponsoring via advertentiemogelijkheden en de gekoppelde webshop. En met Leons kantinerol omdat berichten sneller aankomen dan via een website. Hardinxveld was er daarmee vroeg bij binnen het amateurvoetbal. Niet iedereen stapt even makkelijk over. Leon: “Vooral de oudere garde heeft wat uitlegbehoefte. Dat heeft ook gewoon met een generatiekloof te maken. Maar ik denk dat dat over een jaar of tien wel voorbij is.”

Te veel druk op dezelfde schouders

Het grootste probleem waar de club nu tegenaan loopt, is niet geld maar tijd. Het ledenaantal groeide van zo’n 650 à 700 tien jaar geleden naar inmiddels ruim 900. Robin: “Er moet dan ook een hoop gebeuren.” Het aantal vrijwilligers groeide niet in hetzelfde tempo mee. “Het komt heel vaak terug op dezelfde schouders. De mensen die al wat doen, gaan meer doen.” Naast de zes bestuursleden lopen er nog veel vrijwilligers rond die tientallen uren per week insteken, maar dat is volgens de broers ook weer niet oneindig op te rekken. Een verplicht systeem voor vrijwilligerstaken wordt overwogen, al is ook dat weer lastig. Daarmee verdwijnt meteen het vrijwillige karakter. Leon gebruikt het moment voor een directe oproep. “Mensen hebben het drukker dan dertig jaar geleden, dat snap ik. Maar als iedereen iets doet, valt het allemaal best mee qua tijd. Ik hoop dat dit stukje mensen wakker kan maken.”

Het bedrijventoernooi

Al zo’n tien jaar organiseren de broers samen het jaarlijkse bedrijventoernooi, altijd op Hemelvaartsdag. Toen ze het overnamen, deden daar een stuk of twaalf teams aan mee. Inmiddels ligt het maximum op twintig, niet omdat de belangstelling daar stopt, maar omdat meer simpelweg niet te organiseren valt met het aantal vrijwilligers dat ze hebben. Bedrijven van tot in Noord-Brabant schrijven zich in. “We zouden met meer teams kunnen voetballen, maar daar hebben we de handjes niet voor.” De twintig teams spelen 7 tegen 7 op een half veld, netjes op velden 1 en 2 naast het terras, zodat alles dicht bij elkaar blijft. Zelfs met meer vrijwilligers zien de broers het liever niet groter worden. “Dan kun je je velden wel kwijt, maar maak je het niet leuker voor iedereen.” Voor hen is het een logisch verlengstuk van hun sponsorwerk en een win-win: een leuke dag voor hun zakelijke relaties, inkomsten voor de club, en gewoon een dag die ze zelf ook graag organiseren.

De club zit in hun leven

Dat ze broers zijn, maakt het werk volgens beiden makkelijker. Ze spreken elkaar vrijwel dagelijks, dus vergaderen is nauwelijks nodig. “Je hoeft niet apart af te spreken, want je spreekt elkaar toch al elke dag van de week,” zegt Robin. Hun rollen vullen elkaar aan: Robin is de regelaar, Leon de commerciële man die kansen ziet, een verdeling die ook in hun dagelijkse beroepen terugkomt. “Leon is wat amicaler in zijn aanpak,” zegt Robin, “en ik ben meer degene die het overzicht bewaart.” Dat ze uit een dorp komen, helpt daarbij. Ze eten nog wekelijks bij hun ouders, zien elkaar in het weekend op de club en lopen elkaar verder gewoon tegen het lijf. “Er zijn hier maar een stuk of drie cafés. Dan is het niet zo moeilijk om elkaar weleens tegen te komen.” Wat de club voor hen betekent, hoeven ze niet lang te overdenken. “Ik denk dat ik voor ons allebei kan spreken: VV Hardinxveld is gewoon een groot (en leuk) onderdeel van je leven. Dat klinkt misschien overdreven, maar het is wel zo. Zo’n negentig procent van al onze vrienden en sociale contacten kennen we via de club. We zijn er ook opgegroeid met elkaar”. Juist daarom vindt Leon het belangrijk dat de kantine, hun wekelijkse uitvalbasis, goed blijft draaien. Zijn eigen rol daarin legt hij overigens binnenkort neer. Met een dochtertje van anderhalf thuis is de fysieke aanwezigheid die de kantine vraagt lastiger te combineren. De sponsorcommissie, die grotendeels op de achtergrond te doen is, blijft hij wel gewoon doen. Bij het bestuur blijft hij ook betrokken, al is nog niet duidelijk in welke rol precies.

HARDINXVELD EN VAN ANDEL MIKKEN OPNIEUW OP PROMOTIE

0

Aron van Andel (28) kijkt uit naar het nieuwe seizoen bij Hardinxveld. Na een zuur slot van vorig jaar is de ambitie voor dit seizoen helder: promotie.

Van Andel is er nuchter over. Hardinxveld hangt al jaren tussen de bovenkant van de derde klasse en de onderkant van de tweede. “Als Hardinxveld hebben we eigenlijk steeds hetzelfde verhaal. We komen in de sterke tweede klasse terecht, waar clubs als wij het het dan lastig hebben.” 4 seizoenen geleden promoveerde de club nog via de nacompetitie, om het jaar erop op de laatste speeldag net niet veilig te spelen. “Dat is wel gewoon een beetje onze positie om heel eerlijk te zijn. Maar dat maakt een seizoen als vorig jaar waarin het wél heel goed ging ook weer extra leuk.”

Een zure ontknoping

Vorig seizoen stond Hardinxveld het hele jaar bovenaan of tweede, en pakte de club de eerste periode. Op de laatste speeldag ging het mis. Bij winst tegen Spirit zou Hardinxveld kampioen geweest zijn, maar het team van Van Andel verloor. In de finale van de nacompetitie om promotie trof Hardinxveld opnieuw Spirit. Wederom verloor Hardinxveld. “Uiteindelijk werd het 5-1, maar tot vlak na rust stonden we nog met 2-1 achter. Toen knakte er iets, en liep het uit.” Extra wrang was dat van alle vier de bovenste ploegen uit hun competitie Hardinxveld de enige was die dat seizoen niet promoveerde. “Dat zegt ook wel hoe sterk onze competitie was. We hadden 60 punten, wat in bijna elke andere competitie ruim genoeg zou zijn.” Onderweg naar die finale won het team overtuigend van Zeeuwse tegenstander Zeelandia Middelburg (5-0), voor Van Andel een van de mooiere wedstrijden van het seizoen, voor de verliezende club een pijnlijke streep door hun eigen promotieplannen.

Vol voor promotie

Voor komend seizoen durft Van Andel wel een uitspraak te doen, al is die misschien voorzichtiger dan je bij een team met 61 punten zou verwachten. “We gaan zeker voor promotie.” Het kampioenschap expliciet als doel uitspreken, doet hij liever niet. Vanwege een aantal veranderingen in de selectie is deze in de breedte wat kleiner geworden. “Het is lastig om daar nu al iets over te zeggen.”

Een hechte kern

Zelf doorliep Van Andel de jeugd in een rap tempo. Vanaf zijn zeventiende was hij al vaste basisspeler, na het overslaan van een hele leeftijdscategorie. Oorspronkelijk was hij een controlerende middenvelder, maar hij stond het afgelopen seizoen vooral centraal achterin. Tijdens de nacompetitie stond hij zelfs een periode rechtsback vanwege een blessure van de vaste man op die plek. “Dat was wat noodgedwongen. Mijn focus ligt echt op centraal.” De kern van de selectie bestaat uit spelers van eind twintig, velen al tien tot acht jaar samen. “Superleuke groep, ook buiten het voetbal om.” Eerder werd bekend tegen wie Hardinxveld het in de beker opneemt: Woudrichem en BZC. Serieus spannend wordt dat voor Van Andel nog niet. “Dat gebruiken we vooral als oefenwedstrijden. De focus ligt gewoon op de competitie.”

AHMET LEIDT ONGESLAGEN CAFÉTEAM NAAR KAMPIOENSCHAP BIJ SLIEDRECHT

0

 

Wat begon als grap in een café, werd dit seizoen een ongeslagen kampioensploeg. Ahmet Gursoy leidt, als trainer en teammanager, een groep vrienden die na jaren afwezigheid samen terugkeerde op het veld bij Sliedrecht.

De kern bestaat uit vrienden die vroeger op behoorlijk niveau voetbalden maar er door het vaderschap, werk en het leven lange tijd tussenuit waren. In een café werd voor de grap geopperd om het weer op te pakken. Al snel werd de organisatie bij Ahmet neergelegd. “Ik heb een aantal jongens bij elkaar geroepen en gevraagd: zullen we hier serieus voor gaan? En voor we het wisten stonden we op het veld.” De ploeg begon in de reserve vijfde klasse. “Voetbal verleer je niet.” Het team won alles, verloor geen enkele wedstrijd en eindigde met een doelsaldo van 94. Komend seizoen wacht de reserve derde klasse.

Zelf niet meer op het veld

Ahmet speelt zelf niet mee. Dit jaar scheurde hij, “iets te enthousiast” zijn achillespees af, en vanaf komend seizoen gaat hij definitief verder als trainer. Zijn eigen twee kinderen voetballen ook, en daar wil hij zijn tijd nu vooral aan besteden. Makkelijk is dat niet, met een druk leven als directeur van een bouwbedrijf erbovenop. Toch staat hij wekelijks op de training. “Ik ben gewoon elke week bij de jongens betrokken.”

De selectie telt 22 man, tussen de 24 en 42 jaar oud, en bevat volgens Ahmet behoorlijk wat kwaliteit. Ahmet speelde zelf in verschillende selectieteams van Sliedrecht, altijd geplaagd door blessures. “In de jeugd heb ik stage gelopen bij NAC, Willem II en FC Dordrecht. Op mijn vijftiende speelde ik nog samen met Virgil van Dijk.” Het eerste van Sliedrecht heeft hij nooit gehaald. Wel is hij de club altijd trouw gebleven. “In dit team lopen meer ex-selectiespelers van Sliedrecht rond, spelers die ooit in de jeugd van een BVO speelden, spelers die op Eerste Divisie-niveau betaald voetbal hebben gespeeld en spelers die in Turkije op hoog niveau voetbalden.”

Wat het team voor Ahmet zo waardevol maakt, is de saamhorigheid. “Het is een hecht team, met veel respect naar elkaar, en ook naar de tegenstander.” Dat laatste vindt hij extra de moeite waard om te benoemen. Met veel spelers van Turkse afkomst in de ploeg, is hij zich bewust van een bepaald stigma dat daarbij kan spelen. Zelf zit hem dat niet dwars, en het team heeft inmiddels een andere reputatie opgebouwd. “We krijgen juist heel veel complimenten van tegenstanders. Dat het nooit gezeik is, dat we gewoon komen om te voetballen en te presteren. Het zijn stuk voor stuk serieuze jongens, allemaal ondernemers ook. Dus niemand zit te wachten op gedoe.”

Vol vertrouwen naar de derde klasse

Voor komend seizoen is het doel simpel: opnieuw bovenin meedraaien. Een paar spelers vertrokken, maar er kwamen ook versterkingen bij. Per saldo is de selectie alleen maar sterker geworden, vindt Ahmet. Trainen doet de groep vooralsnog één keer per week, met de wens om naar twee te gaan, al is dat door veldtekort bij Sliedrecht nog niet gelukt. Of ze het inmiddels ook tegen het eerste van Sliedrecht zouden opnemen? “Dit jaar nog niet. Maar dat komt eraan.”

GIJS MOERINGS IS DE GRONDLEGGER VAN HET 45-PLUS VOETBAL IN DE REGIO

0

Bij Groot-Ammers doet Harold Dekker al vier jaar mee aan het 45-plus voetbal. Ze spelen zeven tegen zeven, zonder scheidsrechter en met zo’n dertig man in de groepsapp. “Leuk om te doen.” Fanatiek is het zeker, met onvermijdelijk wat fysiek contact. Ondanks dat er eigenlijk geen slidings gemaakt mogen worden, wordt er toch nog wel eens geapplaudisseerd voor een mooie tackle. Na afloop wordt er, ook met de tegenstander, nog gezellig wat gedronken. “Dan ben je terug bij het punt waar voetballen eigenlijk voor bedoeld is,” aldus Harold, die zelf tot zijn 18e voetbalde, pas rond zijn 40e weer instapte bij een veteranenelft van Groot-Ammers.

Groot-Ammers is met dat 45-plus voetbal aangesloten bij een initiatief dat al ruim twintig jaar meedraait in de regio, en dat allemaal is ontstaan bij één man: Gijs Moerings (66) uit Noordeloos.

Gijs trainde vroeger op woensdagavond met recreanten bij Noordeloos, maar de opkomst zakte steeds verder terug, soms tot slechts vier man. “Dat is natuurlijk niet zo leuk.” Zijn oplossing: in plaats van trainen een andere ploeg uitnodigen voor een vriendschappelijk potje, zeven tegen zeven. Direct stonden er veertien tot zestien man op het veld, en dat beviel een stuk beter. Wat begon als telkens losse afspraken werd al snel een vast schema. “Dan hoef ik het maar één keer te regelen, en kan iedereen er in zijn agenda rekening mee houden.”

Bewust geen competitie

Het woord competitie vermijdt Gijs met opzet. Er wordt gespeeld zonder scheidsrechter. “Als wij er onderling niet uit kunnen komen, kunnen we beter stoppen.” De wedstrijden duren twee keer dertig minuten, en niet elk team speelt evenveel duels per seizoen. “Het gaat om meedoen. Bij een echte competitie ga je naar elkaar kijken, wil je winnen en wordt de mindere speler niet meer opgesteld. Dat wil ik juist voorkomen.” Fanatisme ontbreekt allerminst, benadrukt hij. “Die oude mannen zijn soms nog gekker dan je denkt. Er zijn er zelfs die niet gewisseld willen worden. Maar zonder scheidsrechter en zonder ranglijst blijft het net wat sportiever.”

Op dit moment doen zeven teams mee, een oneven aantal door een bijzonder detail: één deelnemer, een vriendenteam met wortels in het Gorinchemse zaalvoetbal, heeft geen eigen accommodatie. Moerings plant hen daarom steeds tussen de andere wedstrijden door waardoor elk team gemiddeld om de week speelt, met eens in de zes wedstrijden een extra midweekse partij. Door de jaren heen wisselden de deelnemers: Spijk, Arkel en Sleeuwijk deden ooit mee maar zijn afgehaakt, Groot-Ammers kwam er juist een paar jaar geleden bij. Het aantal deelnemende teams is al jaren stabiel, al verandert de samenstelling doorlopend. Sommige mannen zijn stokoud, anderen worden net 45 en stromen in. Gijs speelde zelf ruim twintig jaar mee tot blessures hem een paar jaar geleden noodgedwongen lieten stoppen. Tegenwoordig regelt hij alleen nog het schema.

Zijn eigen voetballeven verklaart veel van die filosofie. Na tien jeugdjaren voetbalde Gijs 25 jaar bij Arkel, bijna altijd als wisselspeler achter een betere man op zijn positie. Hij was daar nooit gepikeerd over. “Ik had gewoon vrienden en veel plezier in de andere teams.” Zijn eigen typering zegt genoeg. “Ik ben altijd een olympiër geweest. Meedoen is belangrijker dan winnen.” Precies dat principe zette hij twintig jaar geleden om in een schema, waar inmiddels zeven clubs, van Groot-Ammers tot Altena, elke week op kunnen rekenen.