Home Blog Pagina 2

DE BRUIJN ROLT BIJ TOEVAL IN HET JEUGDVOORZITTERSCHAP VAN STREEFKERK

0

Stephan de Bruijn (42) is de nieuwe jeugdvoorzitter van Streefkerk. Een rol waar hij, zoals wel meer bij deze club, min of meer per toeval in terechtkwam. “Ik vind het niet een heel spannend verhaal.”

De Bruijn was al jaren jeugdleider van het team van zijn zoon (12), sinds die op zijn zesde begon te voetballen. Vorig seizoen werd hij ook wedstrijdsecretaris, nadat die functie bijna driekwart jaar had opengestaan. “Ik vind die functie gewoon belangrijk voor het verenigingsleven hier.” Hij ging praten met het bestuur en de voorzitter. Zo rolde hij erin. Toen er vervolgens geen jeugdvoorzitter meer was, en hij als wedstrijdsecretaris al in het bestuur zat, pakte hij ook dat maar op. “Vrijwilligerswerk is gewoon heel belangrijk.”

Bij de club zelf hoort De Bruijn eigenlijk al zijn hele leven, al mocht hij vanwege de geloofsovertuiging van zijn ouders pas op zijn twaalfde lid worden. De vader van een vriend, die destijds jeugdtrainingen gaf, meldde hem toen alsnog aan. Zelf voetbalde De Bruijn tot zijn 24e, 25e. Toen maakte een hernia er een einde aan. Die werd verergerd doordat hij er destijds ook nog als tegelzetter bijwerkte. “Al mijn vrienden gingen gewoon door. Dan kom je nog wel kijken, maar dat is toch anders. De lol is er dan een beetje af.” In 2019 volgde een tweede hernia, waarna hij ook van baan wisselde. Voetballen zit er definitief niet meer in. “Dat kan gewoon nooit meer. Ik heb het geprobeerd, maar dan doet het weer pijn.” Tennissen gaat gelukkig nog goed.

Een nieuw plan voor de jeugd

De Bruijn werkt aan een voetbaltechnisch plan voor de jeugd. De kern van het idee is dat spelers van het eerste elftal de selectiespelers vanaf de Onder 14 gaan trainen. Iets dergelijks deed De Bruijn eerder al informeel bij de jongere jeugd, tot en met de JO13, waar spelers uit het eerste geregeld een training overnamen. Inmiddels is dat dus doorgegroeid naar de oudere jeugd. “Voor die kinderen is dat hartstikke leuk. Ze kijken tegen die jongens op, en zien ze op zaterdag ook gewoon langs de lijn staan. Dat werkt als een trein.” Voor de jongste jeugd, veelal nog getraind door ouders, moet zo’n plan nog verder worden uitgewerkt.

Meer dan alleen brengen en halen

Eén ding wil De Bruijn toch kwijt, ondanks dat hij het geen negatief punt wil noemen. Vrijwilligers, vooral onder ouders, worden schaarser. Leiders en vlaggers voor het weekend zijn niet altijd te vinden. “Het wordt echt steeds beroerder. Al doe je een uurtje in de week wat… Als iedereen dat zou doen dan is dit al meer dan genoeg.” Een verplicht puntensysteem, zoals bij grotere verenigingen gebruikelijk, wil de club altijd vermijden. Nog wel, althans. “Op deze manier zal dat ook niet heel lang meer duren, denk ik.” De Bruijn moet zelf denken aan de tijd dat hij jeugdleider was van zijn oudste zoon. “Toen bleven er auto’s op de parkeerplaats staan, omdat er zoveel ouders meereden. Nu hoor je van andere teams dat ze echt rijschema’s moeten maken.” Hij hoopt dat het weer de andere kant op kan. De Bruijn hoopt dat ouders zich weer vaker betrokken voelen bij de club. ,,Een vereniging is meer dan alleen een plek om je kind te brengen en weer op te halen.”

ZWAKHALS KAN GEEN NEE ZEGGEN TEGEN PEURSUM

0

Penningmeester, trainer van de onder-12, actief speler 35+ en lid van de damescommissie. Jan Zwakhals (44) is bij Peursum overal een beetje. “Ik doe genoeg, en soms ook wel eens te veel. Maar dat is ook een keuze die ik maak.”

Zwakhals kwam op zijn zesde bij de club. Hij werd opgegeven door zijn oom die zelf ook bij Peursum voetbalde. Via de jeugdteams maakte hij de overstap naar de senioren, waar hij in het tweede terechtkwam. Zijn knie hield hem daarna geregeld tegen. Zo onderging hij vier operaties in totaal. Waaronder een meniscusoperatie en in 2012 een afgescheurde kruisband. Dat jaar werd hij, terwijl hij herstelde, leider van het tweede, om daarna weer zelf te gaan voetballen. Bij het eerste kwam hij nooit verder dan invaller. “Het was leuk geweest als ik het eerste had gehaald, maar het heeft nooit gevoeld als een must.” Wat hij wel mist, is de vriendengroep waarmee hij ooit in de A1 speelde. Het team viel na de overstap naar de senioren uiteen. Een avondcompetitie voor de Onder 23 bracht die groep destijds nog geregeld samen, tot ook die op een gegeven moment stopte.

Tegenwoordig voetbalt Zwakhals bij de 35+, tussen louter oud-eerste-elftalspelers. “Het is op een leuke manier nog fanatiek. Alleen worden we steeds ouder, dus de dag na een training of wedstrijd kan ik amper de trap op of af lopen.” Dit seizoen wordt daarom zijn laatste als speler.

Zijn zoon (10) maakt volgend jaar de overstap naar het grote veld. Zwakhals stopt dan wel als trainer maar blijft dan wel betrokken als leider of grensrechter. Niet dat het samengaan van vader en trainer altijd makkelijk was. “Mijn zoon ziet dan soms alleen maar de trainer die pappa is. Ik ben juist extra kritisch op hem, in plaats van dat ik hem voortrek. Dat is beter denk ik, maar het is het niet altijd leuk voor hem.”

Vrijwilliger sinds zijn achttiende

Al sinds zijn achttiende doet Zwakhals vrijwilligerswerk voor de club: scheidsrechter, jeugdcommissie, toernooibegeleiding, uitjes en diverse rollen als leider, grensrechter of trainer. Daarna werd hij penningmeester. “Ik ben op mijn werk toch al altijd met financiën bezig. Dan help ik de club daar ook maar mee.”
Toen Zwakhals merkte dat de vrouwenteams binnen de club een beetje ondergesneeuwd raakten, stapte hij ook in de damescommissie naar voren. Er is goed onderling contact. Als er iets besproken moet worden dan zoeken we elkaar gewoon op.

De liefde voor anderen

Wat hem al die jaren drijft? “De liefde voor anderen, vanuit mijn geloof. Gewoon iets doen voor en met elkaar.” Tegelijk maakt hij zich zorgen over een bredere trend. “Vrijwilligerswerk loopt in heel Nederland terug, omdat mensen tegenwoordig zoveel keuzes hebben. Mensen zeggen sneller nee. Een vacature op de site plaatsen is niet meer genoeg.” Zelf kan hij dat nee zeggen maar moeilijk, wat thuis af en toe gedoe oplevert. Maar spijt heeft hij niet. “De club zit gewoon in je DNA. Je hebt er je vrienden leren kennen en mooie herinneringen aan overgehouden. Het is verbroedering en verbinding. Ik hoop gewoon dat het, ook als ik er ooit niet meer ben, goed blijft gaan met de club.”

WIM ERKELENS ZAMELT SINDS 1997 GELD IN VOOR DUCHENNE

0

Al bijna dertig jaar zet Wim Erkelens (62) zich in voor jongens en mannen met de spierziekte Duchenne. Het begon met een reüniewedstrijd voor de zoon van zijn beste vriend. Inmiddels is er zo’n drie ton opgehaald, en is het een vast onderdeel geworden van VV Papendrecht.

Een reüniewedstrijd voor Robin

In 1997 kreeg de zoon van Wim’s beste vriend de diagnose Duchenne. Robin Matena, toen vier jaar oud, was kleinzoon van voormalig Papendrecht-voorzitter Ad Matena. Zoals vaker bij Duchenne, werd het bij Robin ontdekt doordat hij vaker viel en moeilijk overeind kwam. Een proces dat volgens Wim vaak lastig goed vast te stellen is. Het elftal van Wim organiseerde een reüniewedstrijd en haalde 2000 gulden op. Robin nam toen nog de aftrap. Later, toen hij niet meer kon lopen, deed hij dat vanuit zijn rolstoel en verhuisde de benefietwedstrijd naar de zaal. Op verzoek van zijn vriend ging het geld naar een stichting die aangepaste vakantievoorzieningen regelt voor mensen met een beperking: campers, chalets, rolstoelbussen.

 

Wat is Duchenne?

Duchenne is een spierziekte die vrijwel alleen bij jongens en mannen voorkomt, veroorzaakt door een fout op het X-chromosoom. Moeders zijn drager, zonder er zelf last van te hebben, maar kunnen het doorgeven aan hun zonen. In Nederland gaat het naar schatting om zo’n 600 jongens en mannen. Een medicijn is er nog altijd niet, al is er de afgelopen decennia wel veel gewonnen op het gebied van hart- en longbehandeling, waardoor de levensverwachting flink is opgeschoven. Waar het bij Robin’s diagnose nog zo was dat achttien jaar al oud voor hem zou zijn, werd hij uiteindelijk dertig. “Iedereen weet wat kanker is en wordt daarmee geconfronteerd,” zegt Wim. “Maar Duchenne is eigenlijk onbekend. Vandaar is het zo nodig om er bekendheid aan te blijven geven.”

 

Twintig jaar Robin Matena Bokaal

Uit de samenwerking met de vakantiestichting ontstond een jaarlijks rolstoelhockeytoernooi, waarbij de gezonde voetballers zelf ook plaatsnamen in een rolstoel. “Wij lagen meer naast die rolstoel dan dat we erin zaten,” lacht Wim. De Robin Matena Bokaal groeide uit tot een grote happening, met bekende gasten als Erica Terpstra, John de Wolf, René van der Gijp en Hans van Breukelen die de prijzen kwamen uitreiken, en fanfares die shows gaven. Na twintig edities vond Wim het mooi geweest, en verschoof de actie naar andere vormen. Er was ‘Dineren voor Duchenne’, waarbij vanuit de beperkte keuken van de kantine een driegangendiner werd geserveerd. Er was ‘Zuipen voor Duchenne’, met eerst een voetbaltoernooitje en daarna een groot feest met een live band, dat traditiegetrouw eindigde met paaldansen. En er was een inzamelactie waarbij het elftal per afgevallen kilo werd gesponsord. Uiteindelijk kwamen ze samen veertig kilo  zwaarder uit de actie, maar brachten wel een paar honderd euro bijeen uit die actie.

 

Duchenne 40

Tegenwoordig draait alles om de Duchenne 40: een fietstocht van veertig kilometer, op elke fiets die je maar wilt. Een racefiets, gewone fiets of elektrisch, het maakt niet uit. Er is ook een kortere route van tien kilometer, waar rolstoelers gewoon aan mee kunnen doen, zodat de jongens zelf ook nog altijd bij de dag horen. Er doet zelfs een jongen zonder Duchenne de volle veertig kilometer in zijn rolstoel mee, uit verbondenheid met de groep. Dit jaar haalde Wim bijna 19.000 euro op. In totaal, schat hij, staat de teller inmiddels op zo’n drie ton. De opbrengst van de laatste jaren gaat naar Duchenne Parent Project, een stichting die wordt gerund door ouders van jongens met de ziekte. Die richtte zich aanvankelijk vooral op wetenschappelijk onderzoek naar een medicijn. “Dat is nog steeds niet gelukt. Dat blijft echt heel erg moeilijk.” Inmiddels ligt de focus van de stichting minstens zo veel op de kwaliteit van leven van de jongens zelf, en op de steun aan hun ouders. Het doel is om alle mannen met Duchenne de kans te geven om minsten 40 jaar te worden. Vandaar de naam van het event.

Wat de actie zo zwaar maakt, verzwijgt Wim niet. “We zijn begonnen met een stuk of zestien van jongens met Duchenne. Nu hebben we er nog twee over. Robin is drie jaar geleden overleden, dertig jaar oud. In oktober is het vier jaar. We hebben al zo vaak op een uitvaart gestaan, en dat hakt er wel in.” Toch blijft de motivatie overeind. Juist door de band die is ontstaan, onder meer tijdens Rolling Onwheels: een estafette van een week, waarbij een groep van zestien jongens met Duchenne vanuit verschillende hoeken van Nederland richting Maasdijk reisde, begeleid door vrijwilligers, motorrijders en technici. “We hebben een echte Duchenne-familie, ook met de ouders van jongens die er niet meer zijn. Iedereen die een keer heeft meegedaan zegt: volgend jaar weer.” Wim herinnert zich ook een editie van de Robin Matena Bokaal waarbij diezelfde ochtend een van de jongens was overleden. Het programma ging toen in aangepaste vorm alsnog door.

 

Vijftig jaar Papendrecht

Wim is zelf al meer dan vijftig jaar lid van Papendrecht, sinds hij als kleine jongen in de jeugd begon. Hij was ruim veertig jaar keeper, voornamelijk bij het derde, met af en toe een invalbeurt bij het eerste. Daarnaast was hij tien jaar lang leider van het G-team, stond hij achter de bar, was hij grensrechter bij de A1 en hoort hij bij het klusploegje dat kleedkamers schildert en onkruid verwijdert. Tegenwoordig voetbalt hij nog met een groepje veteranen, al is het lastig gebleken om daar op dit moment een heel elftal mee op de been te krijgen. Zo raakte de actie voor Duchenne helemaal verweven met de club zelf. “Als mensen mij rond april zien, weten ze inmiddels: dat gaat weer geld kosten,” lacht hij. “Dat hoort er gewoon bij.”

Hoeveel goodwill dat inmiddels oplevert, merkte Wim onlangs nog. Een sponsor die 1000 euro had toegezegd, maakte het bedrag per ongeluk twee keer over. Wim belde meteen om het recht te zetten. “Ik zei ‘hé, je hebt een foutje gemaakt. Kan ik het terugstorten?’” Het antwoord kwam zonder aarzelen. “Nee, hoeft niet. Laat maar zitten, het geld komt heel goed terecht.”
Naast de Duchenne 40 is er inmiddels ook een terugkerend evenement in Kamperland: Music for Wheels, een avond met een DJ en optredende artiesten, waarbij de entree en omzet eveneens naar het goede doel gaan. Ook daar is het, zoals Wim het gekscherend noemt, “een beetje zuipen voor Duchenne.” Het past bij hoe de actie de afgelopen jaren is gegroeid: steeds meer sponsoren die inmiddels vanzelf weer bijdragen, steeds meer vrijwilligers die meehelpen met de organisatie. “Ik ben misschien de drijvende kracht, maar zonder al die hulp, in welke vorm dan ook, was dit onmogelijk geweest.”

Leven na Duchenne

Wie zijn zoon aan Duchenne verliest, begint volgens Wim op een gegeven moment aan een ander soort leven. Ouders die jarenlang nauwelijks weg konden, gaan opeens weer op vakantie waarheen ze willen, zonder alles vooraf te hoeven regelen. “Als ik nu vraag aan mijn vriend om een biertje te drinken, dan komt hij eraan.” Het contrast met de laatste periode, waarin ouders ’s nachts soms meer dan tien keer uit bed moesten voor die intensieve zorg, is groot. Wim heeft er diep respect voor. “Het is onvoorstelbaar wat die ouders doen. Maar goed, ik zeg ook: we hebben zoveel moois meegemaakt met elkaar. Dat hadden we niet willen missen.”

Vlak voor de editie van dit jaar overleden opnieuw twee jongens met Duchenne. Wim was kort daarvoor bij een van hen nog op bezoek geweest, en regelde via Stichting Ambulance Wens een laatste uitje naar Hoek van Holland. “Dat was voor ons was, voor hem en zijn familie een hele mooie dag.” Onder de indruk van de inzet van deze stichting schonk hij hen dit jaar 1000 euro van de opbrengst. Zijn drijfveer blijft ondanks alles onveranderd. “Het is de zoon van mijn beste vriend. Er zijn zoveel kutziektes, maar als je het zo dichtbij meemaakt, laat het je niet meer los.”

MARIJKE EN MARTIN KLOMP ZIJN DE PAPA EN MAMA VAN NIEUW LEKKERLAND 1

Bij Nieuw Lekkerland heeft het eerste elftal twee vaste namen naast de selectie: Martin en Marijke Klomp. Hij regelt als teamleider alles rondom de wedstrijden. Zij als materiaalvrouw, de was, het materiaal en de ‘lief en leed pot.’ Spelers noemen het stel niet voor niets papa en mama.

Martin geeft al twaalf jaar training aan zijn eigen zoons in de jeugd. Nog steeds, want ook de jongste (13) traint bij hem. Via die weg liep hij veel op de club rond. Op een gegeven moment werd hij gevraagd of hij geen teamleider van het eerste zou willen worden? “Ik zei: ik kan altijd wel even kijken.” Zijn achtergrond met het organiseren van evenementen kwam daarbij goed van pas. Zes jaar geleden, midden in de coronaperiode, ging hij van start. Hij organiseerde livestreams via YouTube. Compleet met een sportcommentator die het elftal een handje kwam helpen.

De lief en leed pot

Marijke rolde erin via de activiteitencommissie. Toen de vorige materiaalman stopte, vroeg Martin haar, iemand die hij echt kan vertrouwen, naast zich. Ze pakte het op en werd naast wasvrouw ook beheerder van de lief en leed pot. Geld voor als er iemand ziek is of een kindje geboren wordt. Later kwam daar ook nog het wedstrijdsecretariaat van de jeugd bij, waardoor ze de activiteitencommissie uiteindelijk losliet. “Het werd op een gegeven moment gewoon te veel naast alles wat ik al deed.”

Marijke blijkt ook erg creatieve ideeën te hebben. Toen een speler op een originele manier wilde aankondigen dat hij vader werd, verstopte ze beschuit met muisjes in pizzadozen. Alleen als het team de zaterdag ervoor gewonnen had, wordt er op donderdag gezamenlijk pizza gegeten na de training, dus de timing moest kloppen. “Toen ze terugkwamen, dachten ze eerst dat het pizza was. En toen dachten ze dat wíj een kindje kregen,” lacht Marijke.

Dat soort attente acties zijn bij Nieuw Lekkerland inmiddels traditie geworden. Wordt een speler vader, dan krijgt de baby een rompertje met het clubembleem erop. Vertrekt een speler na jaren trouwe dienst, dan organiseert het duo een afscheidswedstrijd, en regelt Marijke voor eventuele kinderen een klein voetbaltenue als aandenken. Ook de jaarlijkse barbecue aan het slot van het seizoen vindt gewoon bij hen thuis plaats. Allemaal dingen die het stel er, naast hun vaste taken, gewoon bij doet. Zonder dat iemand erom hoeft te vragen. “Het gaat vanzelf,” zegt Marijke er zelf over. “En dan is het ook nog eens leuk om te doen.”

Zoon Giovanni

Wie ook onmisbaar is bij Nieuw Lekkerland is zoon Giovanni Klomp (13), keeper bij de onder 13 en op weg naar de onder 14. Hij legt de spullen klaar voor de warming-up, kent de maten van de spelers beter dan zij zelf, en zit zelfs bij de voorbespreking. Spelers noemen hem hun adoptiekindje. Toen er onlangs een nieuwe trainer kwam, was één voorwaarde meteen duidelijk: Giovanni hoort erbij. “We zijn echt vrienden,” vertelt hij. Vooral tegen de keeper kijkt hij op. Dat hij zo betrokken is, komt vooral doordat zijn ouders het zijn, maar zelf vindt hij het minstens zo leuk. Op de vraag of hij later ook zoiets als zijn vader zou willen doen, hoeft hij niet lang na te denken. “Dat lijkt me wel leuk.”

Achter de schermen vraagt het werk best wat tijd. Martin liep vroeger van maandag tot en met donderdagavond op de club voor de trainingen, laadde op vrijdagavond de spullen in voor een uitwedstrijd, en stond op zaterdag zelf ook nog langs de lijn bij de wedstrijd van zijn jongste zoon. Zijn oudste traint inmiddels bij een ander team, maar ook daar kijkt hij af en toe nog graag even. De logistiek eromheen loopt intussen soepel. Moeten er broodjes geregeld worden voor een lange uitwedstrijd, dan stuurt Marijke de aanvoerder een appje, en is het geregeld. “Het is gewoon een geoliede machine.”

‘Jullie moeten blijven’

Vorig jaar overwogen Martin en Marijke ermee te stoppen. Het team liet dat niet gebeuren. Spelers stapten naar het bestuur want dit kon gewoon niet, ze moesten blijven. Er kwamen afspraken. Bij verhindering springt de club bij, en Martin hoeft nog maar één avond in de week aanwezig te zijn in plaats van twee. Met twee opgroeiende zoons thuis is dat wel zo prettig. Aan het einde van het seizoen volgde de verrassing. Het stel kreeg als cadeau van het team een weekendje weg. “Ze zeiden: jullie gaan nooit weg, en jullie zijn er altijd. Die waardering heeft ons veel gedaan.”

Sportief draaide het team vorig seizoen wisselvallig. Wat blijft hangen is de sfeer. “Weinig gezeur, en verliezen we, dan gaat na afloop gewoon de knop om en zitten we weer lekker met z’n allen in de kantine.” Zolang de inzet er is, kan Martin een nederlaag relativeren. “Als we er alles aan gedaan hebben en we verliezen toch, dan is dat niet erg. Dat hoort erbij.” Voor komend seizoen, met een zware competitie is het doel simpel. Weer meedraaien met de bovenste vijf.

De band met de spelersgroep gaat verder dan het veld. Vertrekt een speler voor een ander avontuur, dan blijft het contact vaak bestaan. Zo logeert hun zoon weleens bij een oud-speler als zij er zelf niet zijn. Volgens het stel wordt hen door spelers en bestuur vooral gezegd dat ze oprecht en direct zijn. Marijke: “Als het ons niet zint, zeggen we dat gewoon. Maar we menen het ook echt als we zeggen dat we van al die jongens houden.”

Stilstaan doet het duo nooit echt. Op het moment van dit gesprek zijn ze druk met het nieuwe kledingpakket: alle spullen worden binnen ingedeeld en verdeeld, en ook nieuwe ballen moeten weer geregeld worden. Zelfs met de vakantie in zicht, blijft de club dichtbij. “Je wilt er eigenlijk ook weer bij zijn, want dan gaat het seizoen weer starten. Maar we zijn dan zelf op vakantie, dus regelen we van tevoren alles wat geregeld moet worden. En als we terug zijn, sluiten we gewoon weer aan.” Twee weken zonder voetbal, meer rust gunt het stel zichzelf eigenlijk niet.

Tweede familie

Wat de club voor hen betekent? Alles, eigenlijk. Marijke: “Ik denk echt dat het een gemis zou zijn als wij de voetbal niet hadden.” Spelers die vertrekken voor een mooi aanbod komen vaak terug, merkt het stel. “Wat ze bij Nieuw Lekkerland met het publiek hebben, vind je bijna nergens. Maar afscheid nemen doet ook pijn. Dan raak je echt je hart, dat er een traantje bij komt kijken. Het leven gaat nu eenmaal soms ook met een traan.” Marijke wil vooral dat ene ding meegeven: “Het is echt onze tweede familie. En zolang dat zo blijft voelen, blijven wij ook gewoon gaan.”

ANDRÉ DE KLEIN IS TROTS OP ‘ZIJN JONGENS’ VAN DRECHTSTREEK O23

André de Klein (57) staat zaterdags en doordeweeks langs de lijn bij de Onder 23 van Drechtstreek. Zijn eerste trainersklus ooit, en meteen eentje die hem uitstekend bevalt.

Zelf voetbalde André nooit op het veld, maar in de zaal. Zijn broer wel: die stond achttien jaar onder de lat bij het eerste. Ook zijn twee neefjes voetballen bij de club dus André kwam al jaren over de vloer bij Drechtstreek. Waarom hijzelf altijd voor de zaal koos, legt hij uit. “Dat was gewoon makkelijker op een zondag. Ik zat in de scheepvaart, dus je moet wel tijd hebben om iets te kunnen doen. Als je op het veld voetbalt, moet je ook gaan trainen. Dat ging gewoon niet.” Een jaar of vier, vijf geleden vroegen de jongens van het team hem om trainer te worden. Zijn allereerste klus voor de club.

Los zand

Toen André begon, was het team “weinig meer dan los zand. Ruzies, gescheld richting de scheidsrechter, het hele pakket.” Hij trok meteen een grens. “Ik heb eerst een paar woorden eruit gehaald. Die k-woorden en zo, dat gescheld tegen de scheids, daar ben ik allang klaar mee. Ik heb gewoon duidelijke taal gebruikt: ik wil het niet horen. En anders ga je eruit, ook al ben je de beste. Laatst heb ik het ze nog een keer uitgelegd, want af en toe wil zo’n woord er toch weer uitfloepen. Ik zei: jongens, ik heb pas twee mensen weggebracht, die zijn allebei overleden aan die ziekte. Zeg dan godverdorie of wat dan ook, maar dat woord wil ik hier gewoon niet horen. Op de training ook niet. Dat kunnen hier allemaal vrienden van elkaar zijn, maar ik wil het gewoon niet horen.”

Onder André werd het team kampioen en promoveerde het naar de vierde divisie. Vorig seizoen, voor het eerst op dat niveau, was meteen pittig. Een langdurig geblesseerde keeper moest vervangen worden en de concurrentie was een stuk zwaarder dan gewend. “We wisten niet wat we moesten verwachten van de divisie. Wij kwamen er voor het eerst in, en de tegenstanders zaten er soms al twee, drie jaar. Maar ze hebben standgehouden. Leuke wedstrijden gespeeld.”

André, André, André

Wat een kampioenschap met deze groep betekent, blijkt uit het verhaal dat André met plezier ophaalt. Op de dag van het kampioenschap, uit in Hendrik-Ido-Ambacht, stonden de flessen drank al klaar in de kleedkamer voordat de wedstrijd was afgelopen. “Dan gaat het helemaal los in die kleedkamer. Dan word je op de schouders gedragen. Ze gaan ook altijd zingen over mij, op de melodie van Baila Baila: André, André, André. Die jongens kunnen me goed hebben, hoor.” Uitnodigingen om na een trainingsavond nog mee te gaan naar café Tijdloos wijst hij meestal vriendelijk af. “Ik zit de hele dag al op het voetbalveld. Dat doe ik de volgende keer wel weer.”

Fitheid was een ander punt waar André zijn stempel op drukte. Aanvankelijk wilden de jongens het liefst alleen maar partijtjes spelen. Inmiddels lopen ze standaard twee rondjes en rekken en strekken voordat de training begint. “Conditie is het belangrijkste van het voetbal. Zonder conditie ben je zo klaar.” Na een nederlaag houdt hij het menselijk: een schouderklopje in de kleedkamer, een compliment, en de boodschap dat het de volgende keer beter moet.

Trots op zijn jongens

Komend seizoen is het doel wederom handhaving, in wat mogelijk het laatste jaar van deze lichting op dit niveau wordt. Mocht de groep doorstromen richting de senioren, dan gaat André gewoon mee. “Zolang ik het leuk vind en de jongens het leuk vinden, is het goed.” Over de kwaliteiten van zijn spelers windt hij er geen doekjes om. “Ze zijn allemaal goed. De saamhorigheid is goed, en ze geven nooit op. Sta je achter, dan gaan ze gewoon door tot de laatste minuut.” Het is precies waarom André, na ruim vier jaar, nog altijd elke training staat. “Ik hou van al die jongens. Het zijn gewoon mijn jongens. En daar ben ik trots op.”

VAN AMEN BOUWT ALBLASSERDAM OP RICHTING 100-JARIG BESTAAN

Van Amen kwam vijf jaar geleden binnen als jeugdtrainer en groeide door naar jeugdcoördinator en jeugd-TC-man. Daarna raakte hij steeds meer betrokken bij het eerste elftal. Hij nam het een paar wedstrijden over toen de toenmalige trainer werd weggestuurd, en deed dat later nog eens toen een trainer ziek werd. Dit seizoen krijgt de trainer een volledige staf om zich heen, waardoor Van Amen zich kan focussen op zijn nieuwe rol als technisch coördinator van de senioren. In die rol staat hij er niet alleen voor: hij wordt ondersteund door vier TC-leden. Het keeperswerk laat hij niet helemaal los. “Ik vind het gewoon veel te leuk om op het veld te staan.” Op dinsdag en donderdag traint hij nog altijd de keepers van het eerste en tweede.

 

In het dagelijks leven werkt Van Amen als security consultant in de IT, waar hij bedrijven adviseert over hoe ze zich tegen digitale dreigingen kunnen weren. Op de club is hij intussen een bekend gezicht. Hij kwam ooit zelf als speler bij de club, na een verhuizing vanuit Pijnacker. Hij begon bij het tweede, dat destijds in de reserve eerste klasse speelde. Zelf heeft hij vroeger op een hoger niveau gevoetbald, vertelt hij, al is dat inmiddels lang geleden. Twee jaar geleden probeerde hij nog een keer serieus terug te komen, maar brak daarbij zijn enkel en scheurde zijn enkelbanden af. Tegenwoordig voetbalt hij op vrijdagavond bij de veteranen, en sluit hij dit seizoen misschien af en toe aan bij het tweede, dat een gezellig vriendenelftal heeft.

 

Terug naar de basis

 

De grootste verandering zit ‘m niet in personen, maar in filosofie. Zo’n tien, twaalf jaar geleden koos de club ervoor om zo hoog mogelijk amateurvoetbal te gaan spelen, met geldschieters en spelers van buitenaf die daarvoor betaald werden. Jarenlang was de club daardoor de best betalende en dus ook een van de sterkste in de regio. Maar de laatste jaren zakte het niveau tot de huidige vijfde klasse. En dat terwijl de ambitie om terug naar boven te klimmen overeind bleef. Dat begon te wringen. Van Amen wijst naar buurclub Drechtstreek als voorbeeld. “Zij stonden een jaar of acht geleden voor dezelfde keuze, en kozen ervoor om gewoon een gezellige derdeklasser te zijn, met veel aandacht voor de eigen jeugd. Daardoor is het nu een hele mooie, levendige club.” Alblasserdam wil nu hetzelfde. “We willen geen club meer zijn waar spelers alleen voor het geld komen spelen en dan weer weg zijn. We gaan het met eigen jongens doen, jongens die we kennen, die bij ons op de barbecue rondlopen.”

 

Voor komend seizoen is een grote selectie samengesteld: bijna 47 man voor het eerste en tweede samen. Bewust breed, want vorig seizoen raakte de club tussen begin en eind van het seizoen 12 spelers kwijt. Er wordt zelfs overwogen een derde selectie te vormen. Ook op financieel vlak is er iets veranderd. Waar sommige clubs achter de schermen ongelijke envelopjes uitdelen, krijgt bij Alblasserdam voortaan iedereen hetzelfde kleine bedrag op zaterdag. Niemand meer of minder dan de ander. Een bewuste keuze van het bestuur en de TC. Een deel daarvan gaat automatisch in een gezamenlijke pot voor het eerste, het tweede én de onder 19, bedoeld om die groepen dichter bij elkaar te brengen. “Het zijn geen monsterbedragen. Het idee is juist dat het geld weer terug de club instroomt. Wie het krijgt, geeft het vaak weer uit aan de bar.”

 

Keepers, verdeeld over de club

 

Als keeperstrainer beperkt Van Amen zich bewust tot het eerste, tweede en de onder 19. “De rest van de jeugdkeepers hebben we ondergebracht bij een keeperschool in Sliedrecht, die apart trainen.” De reden is puur praktisch. Voor de hogere teams vallen de trainingen op andere dagen dan wat die keeperschool aanbiedt, dus valt dat niet volledig uit te besteden. Bij de jeugd zelf loopt het overigens prima, zegt Van Amen. Al is er in de regio veel van wat hij een ‘constante in- en uitstap’ noemt: spelers die met vriendengroepjes tussen clubs als De Alblas en De Zwerver heen en weer trekken. Twee jaar geleden verloor Alblasserdam daardoor jeugd, dit jaar komt een deel juist weer terug. De jeugd-TC is in handen van Paul van Rhenen, met wie Van Amen nauw samenwerkt om dezelfde lijn door te trekken van de jeugd naar de senioren.

 

Op naar de 100 jaar

 

Wat er op het spel staat, is groter dan alleen een goed seizoen. Alblasserdam werd in 1928 opgericht, en het 100-jarig bestaan komt in zicht. In de regio wordt inmiddels hardop de vraag gesteld of de club dat wel gaat halen, nu een ooit zo prominente naam op vijfdeklasseniveau voetbalt. “Dat is een serieuze doelstelling voor ons. Niet vanzelfsprekend.” De eerste prioriteit is dan ook simpel: bouwen en wedstrijden winnen om zo weer publiek naar het veld te trekken. Waar er ooit met gemak 100 tot 200 man langs de lijn stonden, waren dat vorig seizoen nog maar 20 tot 40 toeschouwers. “Een dooie boel.” Toen nieuwe trainer Bert Buizert werd aangekondigd, een echte clubman, trok dat alleen al wat oude gezichten terug naar het veld. Van Amen hoopt dat een selectie vol bekende, eigen jongens hetzelfde effect heeft.

 

Concrete doelen zijn er dit seizoen bewust niet voor het eerste elftal. De nieuwe competitie ligt dit jaar meer richting Breda, een regio die volgens Van Amen bekendstaat om stevig, fysiek voetbal. “Dat past ons wel als club. We staan zelf ook bekend als een vechtvoetbalploeg. De fairplay-prijs winnen we zeg maar niet elk jaar.” Na een seizoen vol blessureleed is de wens simpel: overwinteren met een gezonde groep, en het seizoen ook zo weer afsluiten. Promotie mag best, op termijn. Het jaar erna hoopt de club de knop echt om te zetten richting de vierde klasse, met als stip op de horizon een stabiele, gezellige derde klasse waarin ze weer tegen bekende regionale namen als De Alblas, De Zwerver en VVAC spelen. Voor dit seizoen geldt vooral één ding. “Eerst zorgen dat het weer klopt bij ons op de club. Daarna pas verder denken over promotie.”

BROER EN ZUS BLOKLAND SAMEN IN DE HOOFDMACHT VAN VVAC

0

Bij VVAC spelen ze dit seizoen allebei in de eerste selectie. Domine Blokland bij de vrouwen, haar broer Josia onder de lat bij de mannen. Een derde broer, Wilant (24), voetbalde ook totdat een kruisbandblessure in de Onder 19 daar een einde aan maakte. Hij vlagt tegenwoordig bij het tweede en vond zijn nieuwe passie in het hardlopen.

Domine begon pas op haar elfde met voetballen. Daarvoor turnde ze, tot ze er rugklachten aan overhield. Volleybal, de sport van haar vader, overwoog ze ook nog, maar uiteindelijk gaf de inspiratie van haar twee voetballende broers de doorslag. Een proeftraining met een meisje uit het dorp was genoeg om haar te overtuigen. “Ik vond het vooral leuk dat het een teamsport is. Bij turnen was dat toch echt anders. Ik had al snel een band met de meiden uit mijn team en het was gewoon gezellig.” Vorig seizoen was haar eerste in Dames 1. Samen met een ander meisje dat een jaar eerder was overgekomen, rolde ze er moeiteloos in. Tot de winterstop deed het team goed mee in de top 3, maar daarna zakte het weg. De trainer vertrok en er komt een nieuwe: ambitieus, met het kampioenschap als doel. Domine is voorzichtig positief. “Ik heb het programma gezien. Het wordt taai, maar ik zeg nooit nooit.”

Josia rolde min of meer per toeval het doel in. Eerst keepte hij om en om met zijn neef, een helft ieder, tot zijn trainer van de F4 hem vroeg of keepen niet iets voor hem was. Sindsdien is hij nooit meer weg geweest, via alle jeugdteams tot het tweede, en sinds vorig seizoen als vaste eerste keeper. Die kans kreeg hij toen de keeper die jarenlang onder de lat stond voor VVAC, stopte. Het pakte goed uit. VVAC eindigde vierde en liep de nacompetitie net mis. Zelf is Josia kritisch. “Ik wil wat volwassener gaan keepen. Spel en situaties beter herkennen, en meer meevoetballen om het team te helpen in de opbouw.” Komend seizoen wacht een zwaardere, maar dichter bij huis gelegen competitie.

Familie VVAC

Thuis bij familie Blokland draait het gesprek na een wedstrijddag al snel om de club. Vader coachte Domine geregeld en trainde ook Wilant bij de Onder 19, moeder staat als vrijwilliger achter de bar. Doordat de vrouwen doorgaans iets eerder aftrappen dan de mannen, lukt het de ouders én ploeggenoten vaak om een stuk van beide wedstrijden mee te pikken. Spelen ze een enkele keer allebei thuis, dan wordt het een heus familie-uitje bij de club. Domine: “Ik heb het altijd wel leuk gevonden dat mijn broers actief zijn bij VVAC. Ik ben het ook altijd het zusje van… En ja het heeft natuurlijk wel iets bijzonders dat we ook samen kunnen voetballen en bij elkaar kunnen kijken.”

VAN HEMERT BRENGT RUST EN AMBITIE TERUG BIJ STEDOCO

0

Rody van Hemert is de nieuwe trainer van SteDoCo, een club die een roerig seizoen achter de rug heeft: veel gedoe, meerdere trainerswissels, en uiteindelijk degradatie. Van Hemert kiest er bewust voor om vooruit te kijken. En dat lijkt tot dusver goed uit te pakken.

Met wat er vorig seizoen misging, heeft Van Hemert weinig te maken. Met een nieuwe technische commissie en een compleet nieuwe staf is dat wat hem betreft verleden tijd. “Daar heb ik zelf niet zoveel van meegekregen, en ik heb er ook niks mee te maken.” Het enige dat nog voelbaar is, is wat scepsis en hunkering naar succes. Iets wat hij eerder meemaakte bij zijn vorige club Nieuwenhoorn, die ook net gedegradeerd was toen hij daar begon. Daar haalde hij twee keer de play-off-finale voor promotie, en verloor beide keren.

Van speler naar trainer

Van Hemert stopte op zijn 29e met voetballen om trainer te worden. Hij speelde toen bij Smitshoek, en merkte tijdens een busreis naar een uitwedstrijd tegen Kloetinge dat zijn aandacht veel meer uitging naar zijn jeugdteam dan naar zijn eigen wedstrijd. Na de wedstrijd, die ze wonnen, appte hij zijn vrouw dat hij ermee stopte om zijn passie voor het trainersvak achterna te gaan.

Wat hem aansprak in SteDoCo was vooral de ambitie. De club staat in de regio bekend als een club die omhoog wil. De laatste jaren stond het geregeld op de drempel van promotie naar de tweede divisie. “Je hebt hier alle faciliteiten die je nodig hebt, en geweldig toegewijde mensen. Het dorpse karakter is gebleven, maar er zijn dingen mogelijk die bij andere amateurclubs gewoon niet kunnen.” Zo kreeg hij zonder veel gedoe goedkeuring voor een klein trainingsweekend om het groepsproces te versnellen. Vergeleken met zijn vorige club, waar hij vaak alles zelf moest regelen, merkt hij hier vooral gedeelde ambitie. “Bij deze boot roeien mensen mee.”

Zijn allereerste training bij SteDoCo duurde ruim twee uur, aanzienlijk langer dan gebruikelijk. Bewuste keuze, legt Van Hemert uit. Spelers kopen vaak in mei al nieuwe voetbalschoenen, laten die een maand ongebruikt liggen, en trekken ze pas aan bij de eerste training. Blaren en hamstringblessures in de eerste week zijn dan al snel het gevolg. Zijn oplossing: een lange, rustig opgebouwde training met pauzes. “We begonnen met twintig minuten relaxte warming-up, en tussen oefeningen door telkens een paar minuten om wat te drinken of een balletje hoog te houden.” Het resultaat: de groep had zelf niet eens het gevoel dat ze zo lang op het veld hadden gestaan. Over de toewijding van zijn nieuwe selectie is hij nu al lovend. “Jongens die om kwart over zeven al in de gym staan, en na elke training een ijsbad in duiken. Dat kan ik alleen maar prijzen.”

De mens achter de speler

Als trainer is Van Hemert vooral kritisch op de omgang met een selectie. Zelf was hij als speler geen makkelijke klant, en dat heeft hem gevormd. “Als ik een speler een verbeterpunt meegeef, vind ik ook dat ik daar zelf verantwoordelijkheid in draag, om hem daarin te helpen.” Eerlijkheid staat bij hem voorop, ook als dat schuurt. “Soms kun je beter een keer een klootzak zijn en eerlijk, dan dat je iedereen alleen maar te vriend wil houden. Uiteindelijk wordt daar niemand beter van.”

STEEGWIJK KEERT TERUG NAAR DE ALBLAS

0

Jesse Steegwijk (27) keert deze zomer voor de tweede keer terug bij De Alblas. Na een uitstapje van één seizoen naar zijn jeugdclub Sliedrecht, waar de gewenste klik met trainer Sjoerd van der Waal uitbleef, is de buitenspeler weer thuis op het veld in Alblasserdam.

Steegwijk doorliep de hele jeugd bij Sliedrecht, de club waar hij opgroeide. Maar met een sterk eerste elftal, destijds bovenin de eerste klasse, was doorbreken voor jonge spelers lastig. Na twee seizoenen op het toenmalig hoogste niveau voor tweede elftallen kreeg Steegwijk een tip van een vriend. Junior Visser, die bij De Alblas speelde, spoorde hem aan het daar te proberen.  Steegwijk waagde de overstap en voelde zich meteen op zijn plek. “Vond ik echt een toptijd. Hartstikke leuke club, we werden kampioen.” Kort na hem maakte ook jeugdvriend Jeroen Melwijk dezelfde overstap, en al snel voelde De Alblas als een tweede thuis.

Terug naar de jeugdclub

Vier jaar lang bleef Steegwijk bij De Alblas. Het team werd kampioen in de derde klasse en handhaafde zich daarna in de tweede. Toen na die vier jaar een aantal ploeggenoten vertrok en Sliedrecht opnieuw aanklopte, greep hij zijn kans. “Ik vond het toch wel leuk om het nog een keer te proberen bij de club waar je bent opgegroeid. Ik had daar nooit echt de kans gehad om in het eerste te spelen.” Twee seizoenen geleden stonden De Alblas en Sliedrecht nog tegenover elkaar. Dat was precies op het moment dat zijn terugkeer naar Sliedrecht bekend werd. De Alblas won destijds met 2-1, een wedstrijd die achteraf extra betekenis kreeg.

Geen klik met de trainer

Al voor zijn overstap had Steegwijk twijfels over de hoofdtrainer van Sliedrecht, die hij nog kende van vroeger. Die twijfels bleken terecht. Tactisch botste het: waar Steegwijk als echte buitenspeler moest profiteren van een aangekondigd 4-3-3, koos de trainer uiteindelijk voor twee spitsen. “In het begin liep dat goed, dus snapte ik het wel. Maar toen de resultaten tegenvielen, werd het niet omgegooid.” Ook persoonlijk klikte het niet. Vlak voor de winterstop hakte Steegwijk de knoop door en stopte hij bij de selectie. Een goed gesprek met de trainer van het tweede overtuigde hem om het seizoen daar af te maken. Met succes: het team werd kampioen in de eerste klasse voor tweede elftallen. “Niet mijn verwachting vooraf, maar uiteindelijk toch nog een hartstikke leuk jaar.”

Ondanks dat mooie einde had Steegwijk zijn keuze al gemaakt. “Sliedrecht voelde niet meer zo als thuis als ik gehoopt had.” Wat hem bij De Alblas altijd is bijgebleven, is vooral de sfeer. “Heel laagdrempelig, altijd gezellig, de derde helft. Serieus, maar ook met beide benen op de grond.” Steegwijk benadrukt dat het probleem bij Sliedrecht bij de trainer lag, niet bij de groep. “Aan de groep lag het niet, dat waren gewoon leuke gasten.”

Bij De Alblas hoopt Steegwijk weer bovenin mee te draaien. De nieuwe competitie-indeling, met veel derby’s, stemt hem vrolijk. “Ik denk dat we zeker bovenin mee kunnen draaien. De kwaliteit was er vorig jaar ook, het viel gewoon vaak de verkeerde kant op.” Persoonlijke stappen naar een hogere club ziet hij niet meer zitten. “Ik vind het leuk om weer lekker in een eerste elftal te voetballen, nu het nog kan.”

RWB maakt zich op voor Waalwijk Cup

0

De selectie van RWB is inmiddels ruim twee weken onderweg in de voorbereiding op het nieuwe voetbalseizoen. Na de start met een intensieve trainingsdag op zaterdag 1 augustus heeft de ploeg meerdere trainingen en twee oefenwedstrijden afgewerkt. Met wedstrijden tegen een tweede- en een eersteklasser kreeg RWB daarbij direct de nodige weerstand voorgeschoteld.

Op dinsdag 11 augustus speelde RWB tegen tweede klasser JEKA. De ploeg had het lastig en verloor met 0-3.

Een paar dagen later volgde een duel met eersteklasser Almkerk. RWB hield in de eerste helft stand (0-0), maar kwam na rust 0-2 achter. Toch knokte de ploeg zich terug: Owen Kogels maakte 1-2 en Jordy van der Klauw zorgde voor de 2-2 eindstand.

De komende week wordt de voorbereiding voortgezet met trainingen. Daarna staat direct een belangrijk onderdeel van de voorbereiding op het programma: de Waalwijk Cup 2026⁠. Het toernooi wordt van donderdag 20 tot en met zaterdag 22 augustus georganiseerd door WSC. De herenteams komen vrijdag en zaterdag in actie.

Eerste prijs van het seizoen

Voetballen in de  selectie doe je voor je plezier maar ook om wedstrijden te winnen en prijzen te pakken. Voor de clubs uit Waalwijk, Sprang-Capelle en Waspik biedt de Waalwijk Cup ieder jaar een mooie eerste mogelijkheid om direct een prijs aan het seizoen toe te voegen.

RWB is in het herentoernooi ingedeeld in poule A, samen met SSC’55, OVV’67 en SV Capelle. Op vrijdag staan de eerste twee poulewedstrijden tegen SSC’55 en OVV’67 op het programma. Zaterdag volgt de derde poulewedstrijd tegen SV Capelle.

Daarna is het voor alle acht deelnemende clubs direct erop of eronder. Iedere ploeg speelt een kruisfinale, waarna de wedstrijden om de verschillende eindposities volgen. Uiteindelijk wordt zo bepaald wie zich winnaar van de Waalwijk Cup 2026 mag noemen.

Voor RWB is er bovendien iets recht te zetten. Vorig jaar eindigde de ploeg als achtste na een verloren kruisfinale tegen SSC’55 na strafschoppen en een nederlaag in de wedstrijd om de zevende plaats.

Komend weekend krijgt RWB dus de kans om zich te revancheren. De voorbereiding heeft al twee stevige tests opgeleverd. De Waalwijk Cup is de volgende stap én meteen de eerste kans op een prijs dit nog jonge seizoen.