Home Blog Pagina 2

Martijn van Beckhoven rolde via zijn drie zoons het voetbal in: “Met een bepaalde instelling kun je alles”

Martijn van Beckhoven groeide niet op als voetbaldier, speelde zelf nauwelijks en kwam ook niet uit een familie waarin alles om de zaterdag draaide. En toch staat hij inmiddels al jaren, meerdere avonden per week, op het veld bij Asperen. Niet met één team, maar met twee. De JO16 en de JO11. Met zijn oudste en jongste zoon daarin, en met een betrokkenheid die je eerder verwacht van iemand die zelf dertig jaar in het voetbal heeft gezeten.

“Ik heb zelf eigenlijk helemaal niks met voetbal gehad. In mijn jongste jeugd heb ik een jaartje gevoetbald, maar daarna eigenlijk niet meer.” Zijn sport lag ergens anders: roeien. Op zijn veertiende werd hij zelfs Nederlands kampioen in een gestuurde vier. Rond zijn zeventiende stopte hij ermee. De ploeg viel uit elkaar, studies begonnen, interesses veranderden.

Dat het voetbal later toch zo’n grote plek in zijn leven zou krijgen, kwam vooral door zijn drie zoons. Jesse, Noah en Luuk. Alle drie gek van voetbal. Alle drie bij Asperen. En dus rolde ook hun vader langzaam mee die wereld in.

“De oudste begon bij de kabouters, de allerkleinsten. Een club zoekt dan ouders die willen helpen, iemand moet het doen, en ik help graag als er iets geregeld moet worden. Ik ben altijd wel enthousiast, ondernemend en een aanpakker. Dus ik zei: dat doe ik wel.”

Zijn oudste zoon groeide door, zijn middelste begon ook, en uiteindelijk kreeg Martijn steeds meer verantwoordelijkheid. Met de oudste groep trok hij jarenlang op, ondertussen alweer zo’n negen jaar. Daarnaast traint hij nu ook de JO11, waar zijn jongste zoon in speelt. Dat betekent dus twee teams, twee trainingsavonden, en op zaterdag vaak ook nog twee wedstrijden. Plus een middelste zoon die ook speelt en die hij tussendoor probeert te volgen. “Maandag en woensdag ben ik van zes tot tien op de club. En zaterdag sta je er eigenlijk de hele dag.”

Geen voetballer, wel trainer

Het opvallende is misschien wel dat Martijn dat allemaal doet zonder klassieke voetbalachtergrond. Bij de JO11 doet hij dat samen met Laurens, bij de JO16 met Wilco. Allebei mannen met een echte voetbalachtergrond. “Voetbaltechnisch lift ik wel een beetje mee op hun succes,” lacht Martijn. “Zeker bij de JO16 is Wilco wel echt de hoofdtrainer. En ik ondersteun op alle vlakken, en probeer ook de groep bij elkaar te houden. Dat vind ik misschien nog wel het mooist. Dat het lukt om die jongens op een positieve manier bij elkaar te houden. Die harde voetbalwereld, met heel veel geschreeuw en pushen, dat is niet mijn stijl.”

Jeugdcommissie

“Ik denk dat het voor mij juist goed was dat ik er niet zo technisch of hard in zat. Misschien keek ik daardoor ook wat menselijker naar indelingen en naar kinderen.” Dat menselijk kijken speelde ook een rol toen hij jarenlang in de technische jeugdcommissie zat. Zes jaar lang was hij daar betrokken bij het indelen van jeugdteams, iets waar vrijwel elke club elk jaar gedoe mee heeft. Ouders die het er niet mee eens zijn, kinderen die liever bij vriendjes spelen, trainers die anders kijken naar kwaliteit. “Wij probeerden dat altijd goed te onderbouwen. En bij Asperen moet je ook blij zijn dat je op elke leeftijd een goed team hebt. Dan is het soms belangrijker om groepen goed te houden dan om alleen op kwaliteit te selecteren.”

Martijn ziet dat vrijwilligers lastig te vinden zijn. Scheidsrechters zijn schaars, trainers en ouders staan wel vaak langs de lijn, maar zetten de stap naar het veld niet zomaar. “Dat vind ik soms wel jammer. Er staan zoveel ouders te kijken, en als je dan vraagt of iemand wil helpen, lukt het vaak niet.”

Hij snapt het ergens ook wel. Niet iedereen durft voor een groep te staan. Niet iedereen denkt dat hij of zij er geschikt voor is. Maar hij gelooft tegelijk dat veel meer mensen het zouden kunnen dan ze zelf denken. “Ik kon het ook niet. Je moet het gewoon doen. Met een bepaalde instelling kun je alles.”

Klik op VV Asperen voor de laatste artikelen over de club
Klik op VV Asperen voor meer informatie over de club.

Noah Abid speelde ooit voor Manchester City en nu voor Westlandia

Noah Abid is 26, speler van Westlandia, technisch begaafd, emotioneel, soms te fel en volgens eigen zeggen ook gewoon koppig. Hij loopt tegen gele kaarten aan en kan op het veld nog altijd reageren vanuit zijn gevoel. Maar wie alleen dát ziet, ziet maar een deel van het verhaal. Want achter de middenvelder die nu met plezier in Naaldwijk voetbalt, schuilt een route die allesbehalve recht is geweest.

Die route liep van Manchester City naar Vitesse, van Ajax naar Almere City, van Tunesië terug naar Nederland, van helemaal klaar zijn met voetbal naar opnieuw beginnen in de eerste klasse, en uiteindelijk naar Westlandia. Onderweg verloor hij mensen, brak hij met anderen, liep hij kansen mis, leerde hij zichzelf beter kennen en kwam hij erachter dat plezier in voetbal geen luxe is, maar een voorwaarde.

Acht gele kaarten

Het begon voor dit verhaal eigenlijk met een statistiek. Acht gele kaarten in twintig wedstrijden. Dat trok de aandacht. Abid moet er zelf ook om lachen, al weet hij dat het niet ideaal is. “De scheids zat ook niet altijd mee, maar ik ben wel gewoon een speler die elk duel wil winnen.” Met 1,66 meter is hij niet de grootste, zegt hij erbij, dus hij moet het hebben van agressie, van felheid, van duels op het randje.

Niet alle kaarten zijn voor te laat inkomen of een harde tackle. Een paar zijn ook voor praten. “Ik ben best emotioneel, best gevoelig ook. Als ik het ergens niet mee eens ben, kan ik daar wel op reageren.” Matig van zichzelf? “Jawel,” zegt hij meteen. “Zeker wel. De trainer zegt het ook. Maar ik ben daar wel mee bezig, hoor.”

Het is een kleine ingang tot een groter verhaal. Want dat gevoel, dat reageren vanuit boosheid of teleurstelling, heeft hem eerder in zijn loopbaan ook in de weg gezeten.

Manchester op je negende

Abid was pas negen toen hij naar Manchester ging. Daar woonde hij tot zijn dertiende. Voor veel jongens is dat de droom: op jonge leeftijd naar een club als Manchester City, trainen met uitzonderlijke talenten als Phil Foden en Cole Palmer, onderdeel zijn van een topsysteem. En natuurlijk, dat was het ergens ook. Maar Abid praat er opvallend nuchter over.

“Als andere mensen het zeggen, dan besef ik wel van: dat is eigenlijk wel bijzonder. Maar zelf ben ik daar best nuchter onder.” Hij gaat niet springen omdat hij bij City heeft gespeeld, zegt hij.

Hoe het leven in Manchester was? “Top, ik voelde me daar gewoon thuis.” Op school, in de omgeving, in het dagelijkse leven. Alleen bij City zelf had hij het moeilijker. “Ik was daar niet echt zeker van mezelf. Dat had ook met thuis te maken.”

Chaos thuis, geen rust in je hoofd

Over zijn jeugd praat Abid open. Zijn vader is Tunesisch, zijn moeder Colombiaans, en later kwam er ook een Nederlandse stiefmoeder in zijn leven die voor hem van grote betekenis werd. Maar zijn thuissituatie was onrustig. Er waren ruzies, spanningen en agressie. Op een gegeven moment verhuisde hij van Engeland naar Nederland, vanuit een situatie waarin de verhoudingen thuis volledig ontwricht raakten.

Veel details wil hij niet breed uitmeten, en dat hoeft ook niet om te begrijpen wat het met hem gedaan heeft. Wat vooral blijft hangen, is de rol van zijn stiefmoeder. Zij ving hem op, gaf hem stabiliteit en zorgde ervoor dat hij weer kon voetballen, eerst bij Vitesse. “Zij was er gewoon voor me. Ze bracht me naar voetbal, ze bleef positief, ook als ik slecht speelde. Als ik wilde opgeven, zei zij dat ik niet moest opgeven.”

Vitesse, Ajax en de fout van niet praten

Via Vitesse kwam Abid uiteindelijk bij Ajax terecht. Daar beleefde hij een aantal van zijn mooiste voetbalmomenten. Kampioen worden met Ajax Onder 19 bijvoorbeeld. Maar ook zijn debuut in het betaalde voetbal bij Jong Ajax. Dat zijn, zegt hij zelf, drie van de mooiste momenten uit zijn loopbaan, samen met zijn oproep voor het eerste elftal van Tunesië. “Als Tunesische jongen is dat geweldig natuurlijk.”

Toch is Ajax voor hem ook de plek waar hij achteraf inziet dat hij zichzelf soms tekortdeed. Hij noemt een situatie met trainer John Heitinga. Abid begon dat seizoen goed, zat lekker in zijn vel, speelde veel en had het gevoel dat hij een van de betere spelers was. Tot hij tegen FC Utrecht opeens op de bank zat. Voor hem kwam dat onverwacht. Hij werd woest.

“Toen ging ik gewoon niet meer met hem praten. De hele week niet. Ik vermeed hem gewoon.” Dat is precies het soort reactie waar hij nu anders op terugkijkt. Niet omdat hij toen geen reden had om boos te zijn, maar omdat hij het volledig liet vastlopen. “Nu zou ik gewoon naar de trainer toe gaan en vragen waarom. Gewoon praten. Toen deed ik dat niet. Toen zat ik helemaal in mijn eigen gevoel.”

Van Almere naar Tunesië

Na Ajax volgde Almere City, waar hij bij Jong Almere terechtkwam. Dat voelde voor hem niet als een stap omhoog. Eerder als een tussenstation waarin hij het nog steeds liet zien, tot corona alles stillegde en de club besloot schoon schip te maken. “Iedereen was gewoon weggestuurd uit ons team. Terwijl ik daar nog jaren had kunnen spelen.”

Daarna vertrok hij naar Tunesië. Op papier een interessant avontuur, in de praktijk viel het tegen. Salarissen kwamen te laat of niet volledig, afspraken werden niet nagekomen en het leven daar maakte hem vooral duidelijk hoe goed hij het in Nederland eigenlijk had. “Dan ga je Nederland wel waarderen. Ik miste niet eens alleen thuis, maar gewoon hoe goed alles hier geregeld is.”

Twee jaar geen voetbal

Na Tunesië kwam Abid terug naar Nederland, waar hij een tijd bij zijn oma terechtkon. Hij dacht niet aan voetbal. Echt niet. “Ik was er helemaal klaar mee,” zegt hij. Twee jaar lang werkte hij gewoon en liet hij het voetbal liggen.

Tot zijn neef bleef aandringen om een keer mee te trainen bij SV Die Haghe. Abid had er geen zin in. Toch ging hij mee. Hij moest bijna overgeven van de inspanning, zegt hij lachend, zo lang had hij niets gedaan. Na één jaar viel hij opnieuw op. Er kwam belangstelling van HBS, Westlandia en van clubs daarbuiten. Eerst koos hij voor HBS, vooral omdat het dicht bij huis was.

Bij HBS liep hij vast op de manier van spelen die de trainer van hem vroeg. Abid had het gevoel dat hij te strak werd gestuurd en te weinig vrijheid kreeg. “Ik heb een trainer nodig die zegt: Noah, doe je ding. Werk keihard, neem je taken serieus, maar speel vanuit je kwaliteiten.”

Bij HBS moest hij volgens hem vooral diep lopen en rennen. “Maar ik ben geen renner. Ik wil voetballen, in de bal komen en ruimtes zoeken.” Door die manier van spelen voelde hij zich beperkt, terwijl hij juist vanuit vrijheid het beste rendeert.

Westlandia als warme club

Toen Westlandia opnieuw belde, voelde dat anders. Niet alleen door de trainer, maar ook door de manier waarop hij werd benaderd. “Mauricio liet echt merken dat hij me graag wilde hebben.” Hij kwam binnen en voelde zich al snel thuis.

Nu, in zijn tweede seizoen, omschrijft hij Westlandia als “een super warme club”. Niet zomaar een mooie zin, maar echt iets wat hij ervaart. “Wat mooi is van Westlandia: het heeft geen groepjes. Iedereen is goed met elkaar. Of ik nou met de keeper op trainingskamp op een kamer lig of met iemand anders, maakt niet uit. Iedereen trekt goed op met elkaar.”

Dat familiegevoel betekent veel voor hem. “Ik voel me belangrijk in het team. Ik speel veel, ik heb het naar mijn zin. Dan is er ook niet echt een reden om weg te gaan.”

Toch is zijn toekomst nog niet honderd procent zeker. Niet omdat hij per se weg wil, maar omdat de trainer vertrekt. En Abid is eerlijk genoeg om toe te geven dat hij mede voor die trainer naar Westlandia kwam. “Ik moet met de nieuwe trainer een goed gesprek hebben. Kijken hoe hij voetbal ziet, hoe hij mij ziet, of er een klik is.”

Klik op RKVV Westlandia voor de laatste artikelen over de club.
Klik op RKKV Westlandia voor meer informatie over de club.

Khalid Benlahsen blijft doelman bij Everstein 45+ “Voor mij is dit gewoon ontspanning”

Wie Khalid Benlahsen alleen kent van Feyenoord of van de KNVB, zou bijna vergeten dat zijn verhaal niet in De Kuip begon, maar gewoon in Everdingen. Bij SC Everstein, op een amateurveld waar hij als jonge keeper zijn eerste ballen pakte, waar hij op zijn zestiende debuteerde in het eerste elftal en waar het voetbal, ook nu nog, iets heel anders oproept dan de wereld waarin hij doordeweeks werkt. “Voor mij is het echt wel ontspanning om bij Everstein te zijn. Ik kijk er daar niet vanuit mijn bril van professioneel voetbal. Daar is amateurvoetbal ook voor.”

Dat zegt iemand die inmiddels al jarenlang op het hoogste niveau van het Nederlandse keepersvak meedraait. Benlahsen werkte bij Feyenoord, eerst in de academy en later bij het eerste elftal, en is tegenwoordig keeperstrainer van Jong Oranje. Daarnaast is hij bij de KNVB hoofddocent voor alle keepersopleidingen in Nederland. Een hoge functietitel, waar hij zelf nuchter over spreekt. “Ik vind het wel een eer om voor de KNVB te werken. Maar ik ben niet zo bezig met: kijk mij eens wat ik bereikt heb. In voetbal doe je het altijd met meerdere mensen. Je probeert samen tot iets moois te komen.”

“Met Jong Oranje haal ik mijn voldoening uit het winnen van wedstrijden. Maar ik haal ook voldoening uit het ondersteunen van jonge keepers in hun carrière. En uit het zien dat jonge keeperscoaches mooie stappen maken.”

“Je moet keepers  in een ontwikkelmodus krijgen”

Op de vraag wat een goede keeperstrainer goed maakt, hoeft Benlahsen niet met een snelle one-liner te komen. Daarvoor is het vak te groot en te gelaagd. Hij noemt trainingsvormen, wedstrijdgericht werken, coaching, empathie en samenwerking met de hoofdcoach. Maar vooral dat laatste komt steeds terug in zijn verhaal: begrijpen met wie je werkt. “Je moet een goede professionele relatie kunnen opbouwen. Waardoor je samen werkt aan ontwikkeldoelen van het team en het individu. Je moet empathisch vermogen hebben, inlevingsvermogen. En je moet een keeper in een ontwikkelmodus kunnen krijgen. Voornamelijk in de teamtrainingen liggen daar mooie uitdagingen voor zowel de hoofdcoach als keeperscoach.”

Binnen de KNVB probeert hij die manier van kijken nu breder neer te zetten. Vijf jaar geleden begon de bond met een nieuwe opzet rondom keepersopleidingen. Benlahsen is daar een belangrijke kracht in. Het doel is niet alleen om keeperscoaches op topniveau te helpen, maar juist ook om trainers op alle niveaus beter toe te rusten. “We willen keeperscoaches en hoofdcoaches enthousiasmeren door middel van opleidingen. Waardoor ze hun kennis vergroten en keepers daar meer profijt van krijgen.”

Dat begint niet pas in het betaalde voetbal. Integendeel. Benlahsen praat juist met overtuiging over vrijwilligers, goedwillende vaders en moeders en amateurtrainers die jonge keepers wat extra aandacht willen geven, maar niet altijd weten hoe. Daarom komt er volgens hem ook een extra basiscursus bij, gericht op de jongste leeftijdsgroepen.

“Hoe leer ik nou de basisvaardigheden van het keepen aan? Dat staat centraal. Dus: hoe creëer ik de ideale leeromgeving voor keepers tot twaalf jaar?”

Dat Benlahsen uiteindelijk niet als speler de absolute top haalde, zit hem niet dwars. Daar is hij helder in. “Als je het uiteindelijk niet redt, dan was je niet goed genoeg of anderen waren beter. En is dat erg? Nee, helemaal niet.” Profvoetballer werd hij wel. Tot zijn 26ste speelde hij betaald voetbal, daarna volgden de topamateurs.

Ondertussen blijft Everstein voor hem de plek waar alles weer even teruggebracht wordt tot de kern. “Er lopen daar allemaal mensen rond die je al jarenlang kent. Dat maakt het gewoon heel prettig.”

Voor jonge keepers en keeperstrainers heeft hij dan ook een eenvoudige boodschap. “Zorg dat je plezier houdt in wat je doet want het is gewoon een hartstikke leuke positie in het veld. En het is ook hartstikke leuk om als keeperstrainer actief te zijn binnen een amateurvereniging.”

Klik voor meer artikelen op SC Everstein.
Klik voor meer informatie over SC Everstein.

Kees van der Gaag neemt afscheid van Naaldwijk 2

0

Drie seizoenen lang stond hij voor de groep bij Naaldwijk 2. Altijd rustig, altijd benaderbaar, maar met een duidelijke visie op voetbal. Na dit seizoen zet Kees van der Gaag een punt achter zijn trainerschap bij het tweede elftal van Naaldwijk. Niet omdat hij er klaar mee is. Niet omdat het plezier weg is. Integendeel. Maar juist omdat hij het moment vóór wil zijn waarop de energie minder wordt. “Ik ben ze zeker niet zat,” zegt hij. “Maar ik doe dit niet half. Als ik het doe, moet er heel veel energie in zitten.”

Kees groeide op bij KMD. Daar doorliep hij alle jeugdelftallen en schopte het uiteindelijk tot het eerste elftal. “Ik heb altijd zelf gevoetbald bij KMD, vanaf de jeugd tot het eerste. Dat was in die tijd ook heel normaal. Iedereen bleef bij zijn eigen cluppie. Dat clubgevoel, daar houd ik van.”

Na zijn verhuizing naar Naaldwijk raakte voetbal even op de achtergrond. Werk, gezin, jonge kinderen – het leven kreeg andere prioriteiten. “Een tijdje heb ik helemaal niks met voetbal gedaan.” Totdat zijn zoon op een gegeven moment wilde gaan voetballen.

Zijn vrouw zag het tafereel bij de club: één trainer met een groep van dertig jonge kinderen. “Ze zei: ‘Wil jij niet gaan helpen?’” Kees lacht. “Ik dacht: hoe moeilijk kan het zijn? Ik kan zelf aardig voetballen, dus dat komt wel goed.”

Dat bleek toch iets genuanceerder te liggen. “Je zit in je hoofd nog met seniorenvoetbal. En dan kom je ineens bij jongens van zes of zeven jaar. Die hebben helemaal geen zin om naar je te luisteren. Die zijn met veters bezig, met een bal die de andere kant op rolt, of met iets wat naast het veld gebeurt.”

Waar hij als speler gewend was aan tactiek, intensiteit en discipline, moest hij als jeugdtrainer ineens leren omgaan met belevingswereld, concentratieboog en speelsheid. “Daar zijn trucjes voor. Maar die moet je wel leren.”

Hij begon zich te verdiepen in het trainersvak. Las boeken en volgde interne cursussen. “Je pikt overal dingen uit die voor jou interessant zijn. Uiteindelijk moet je er je eigen draai aan geven. In de praktijk leer je het meest.”

En eerlijk is eerlijk: hij vond het geweldig. “Die kleine kereltjes in de kleedkamer, dat is fantastisch. Dat enthousiasme. Dat pure.” Niet ieder jaar was hij trainer van zijn eigen zoon. “Dat vond ik ook wel goed. Soms is het verfrissend als er een ander voor de groep staat.”

Even klaar met het trainerschap

Na tien jaar jeugdtrainerschap merkte hij dat het wat begon te knagen. “Ik was er een beetje klaar mee. Een beetje op uitgekeken.” Het was intensief, zeker in combinatie met werk en privé. Hij twijfelde of hij nog wel door wilde.

Totdat de technische commissie van Naaldwijk belde met de vraag of hij assistent-trainer van het eerste elftal wilde worden. “Dat zag ik niet zitten,” zegt hij eerlijk. “Dat voelde niet goed. Misschien wel omdat ik de touwtjes liever in handen heb.”

Niet veel later kwam de vraag of hij het tweede elftal wilde trainen. Daar moest hij over nadenken. “Ik heb het thuis besproken. Ik kende een deel van die selectiegroep nog uit de jeugd. Het was een leuke, hechte groep. Ook wel een vriendengroep. Dat sprak me aan.”

Hij zei ja. En daar heeft hij geen seconde spijt van gehad. Inmiddels zit hij in zijn derde seizoen.

Team boven alles

Wat hem het meeste plezier geeft? Dat is niet een tactisch hoogstandje of een individuele uitblinker. “Ik beleef het meeste plezier als spelers echt als team spelen. En dat merk je bij ons. Het is een hechte groep.”

“Die hechtheid zie je ook buiten het veld terug. Het eerste en tweede elftal gingen samen op trainingskamp. De onderlinge band werd sterker, de club hechter. Dat vind ik mooi om te zien. Je bent niet twee losse werelden.”

Sportief gezien gaat het ook goed. Er werd gepromoveerd en ook in de nieuwe competitie doet Naaldwijk 2 weer goed mee. “Voor dat succes wil ik in het bijzonder teammanager Gert-Jan Otto bedanken. Hij heet daar een groot aandeel in gehad. Samen zijn we een goed koppel.”

Voor Kees is winnen essentieel. “Gezelligheid is belangrijk. Maar als de prestatie heel slecht is, dan vind ik dat niet top. We zijn met z’n allen bezig om te winnen.”

En dat winnen, dat zit diep bij hem. “Al mijn trainingen zijn gericht op winnen. Als het competitief is, vinden spelers het interessant. Ik houd punten bij op trainingen. Dat deed ik bij de jeugd ook al. Dat pure willen winnen, dat vind ik belangrijk.”

Hij weet ook wel dat opleiden essentieel is. Zeker in de jeugd. “Maar die winnaarsmentaliteit, dat houd ik er graag in.”

Hoewel hij het trainen van jeugd altijd leuk heeft gevonden, merkt hij dat seniorenvoetbal hem nog beter ligt. “Je kunt veel meer over voetbal praten. Over keuzes, over tactiek, over situaties in de wedstrijd.”

Daarnaast regelen senioren ook veel zelf. “Dat scheelt. Je hoeft niet overal bovenop te zitten. Toch blijft het intensief. Het houdt je jong. Die spanning rondom een wedstrijd, dat is lekker.”

Maar diezelfde spanning maakt het ook zwaar. Het is een verplichting. “Je kunt minder makkelijk zeggen: we gaan een weekendje weg. Er is altijd een training, een wedstrijd, een verantwoordelijkheid richting de groep.”

Juist daarom kiest hij ervoor om nu te stoppen. Niet omdat het moet, maar omdat hij wil voorkomen dat het straks tegen gaat staan. “Ik wil het vóór zijn dat ik in oktober denk: waar ben ik aan begonnen?”

Clubman in hart en nieren

Kees houdt van clubvoetbal. Van herkenbare gezichten langs de lijn. Van spelers die elkaar al jaren kennen. “Ik vind het prettig dat je veel bekenden hebt. En ik vind het ook leuk dat je niet elk jaar vijftien nieuwe spelers hebt.”

Hij ziet dat het voetbal veranderd is. “Vroeger bleef iedereen bij zijn eigen club. Nu wisselen spelers veel sneller.” Dat mag, vindt hij, maar zijn hart ligt bij het vertrouwde. Hij is een trainer die van positiviteit houdt. “Die gasten komen niet naar training om het niet naar hun zin te hebben. Dat moet je koesteren.”

De samenwerking met het eerste elftal is volgens hem een van de sterke punten van de afgelopen jaren. “Het klikt goed tussen het eerste en tweede. Dat is belangrijk.” Er is overleg, afstemming en onderling respect.

Wat nu?

Na dit seizoen stopt hij dus. Maar helemaal loslaten? Dat is lastig voor een voetbaldier. “Ik ga zeker nog kijken. Maar anders. Niet meer bezig met tactiek of opstelling. Gewoon kijken, veel ontspannender.”

Of dat echt lukt, moet nog blijken. “Die spanning vind ik ook wel lekker,” geeft hij toe.

Voor de groep kan zijn vertrek ook verfrissend zijn. “Misschien is het goed als er een ander voor de groep staat. Iemand met een nieuwe blik.”

Klik op v.v. Naaldwijk voor de laatste artikelen over de club.
Klik op v.v. Naaldwijk voor meer informatie over de club.

Focus Academy wil drempels verlagen “Ieder kind moet de kans krijgen om beter te worden”

Soms ontstaat een idee niet aan een tekentafel, maar gewoon op het veld. Tussen trainingen door, langs de lijn, in gesprekken met ouders en spelers. Bij Focus Academy begon het precies zo. Wat eind 2024 nog een gedachte was, groeide in korte tijd uit tot een concreet plan. En inmiddels, in 2025, staat er een voetbalschool.

“Wij zagen dat veel kinderen nét dat beetje extra nodig hebben,” vertelt Robby Vroegh, één van de initiatiefnemers. “Binnen reguliere teamtrainingen is daar simpelweg niet altijd ruimte voor. En juist daar ligt voor ons de uitdaging.”

Die constatering werd het vertrekpunt van Focus Academy, opgericht door drie trainers (Robby Vroegh, Rachid Badaoui en Said Salah) die hun sporen al verdiend hebben binnen SVW. Mannen van het veld, die de club kennen, de omgeving begrijpen en vooral weten hoe jeugdvoetbal in de praktijk werkt. “De samenwerking met SVW voelde eigenlijk meteen logisch. We zijn daar al jaren actief, kennen de mensen en de cultuur. Dan is het mooi als je vanuit die basis iets nieuws kunt opbouwen.”

Wat Focus Academy onderscheidt, zit niet alleen in de inhoud van de trainingen, maar juist in de keuzes daarachter. Want waar veel voetbalscholen zich richten op exclusiviteit, kiest Focus bewust voor toegankelijkheid. “Als je eerlijk bent, zie je dat veel voetbalscholen behoorlijk prijzig zijn. Niet iedereen kan of wil honderd euro per maand betalen. Maar dat betekent niet dat die kinderen geen recht hebben op goede begeleiding. Ieder kind verdient de kans om beter te worden. Zo simpel is het eigenlijk.”

Technische vaardigheden

Die filosofie vertaalt zich ook naar het veld. Geen massale groepen waarin spelers verdwijnen in de anonimiteit, maar kleine settings waarin aandacht centraal staat. Waar een trainer niet alleen kijkt, maar echt ziet. “We werken bewust met kleine groepen. Zodat we iedere speler kunnen begeleiden op zijn of haar niveau. Het gaat niet om wie het beste is, maar om wie zich ontwikkelt. In die ontwikkeling staat techniek centraal. Wij willen ervoor zorgen dat elke speler die bij ons komt zijn of haar technische vaardigheid verbeterd.”

Op het veld zelf is Focus Academy geen vrijblijvende bezigheid. De trainingen hebben een duidelijke opbouw, er wordt gewerkt met intensiteit en herhaling, maar altijd met een positieve insteek. “Kinderen moeten het leuk vinden om te komen. Dat is de basis. Maar binnen dat plezier moet er wel gewerkt worden. Structuur is daarin belangrijk, net als duidelijkheid.”

De omgeving helpt daarbij. Dankzij de samenwerking met SVW traint Focus Academy op een complex dat alles in zich heeft. “Het is een vertrouwde plek voor veel kinderen. En dat helpt enorm. Je ziet dat ze zich sneller op hun gemak voelen en daardoor ook sneller stappen maken.”

“Wij zijn er voor ieder kind dat beter wil worden,” vat hij samen. “Op zijn of haar eigen tempo, op zijn of haar eigen niveau.”

Jack Binnendijk stopt als selectiespeler van Lyra

0

Jack Binnendijk groeide op met voetbal als vanzelfsprekendheid. Zijn moeder trainde de jongste jeugd bij Lyra, dus het was nooit de vraag óf hij zou gaan voetballen, maar wanneer. In De Lier liep hij als kleine jongen al rond op het sportpark, tussen de velden waar hij later zelf zou spelen.

Zijn talent viel op en hij maakte op zijn tiende de stap naar Sparta Rotterdam, waar hij drie jaar in de jeugdopleiding speelde. Het was een wereld die draaide om discipline, planning en presteren. ’s Ochtends om acht uur naar school, ’s avonds om tien uur weer thuis. Tussendoor trainen, reizen, weer trainen. Arnhem uit op zaterdag, zondag naar een toernooi in Amsterdam. Het sociale leven stond stil, maar dat had hij toen nog niet eens door. “Je wist niet beter.”

In een zomer brak hij zijn voet en tegelijkertijd veranderde er iets in zijn hoofd. Zijn interesses verschoven, de druk voelde zwaarder en het plezier werd minder vanzelfsprekend. “Ik had het gewoon niet meer naar m’n zin,” zegt hij nu. Hij keerde terug naar Lyra, naar zijn vrienden, maar het gevoel dat hij had gefaald bleef nog een tijd hangen. Niet openlijk, niet groots uitgesproken, maar ergens vanbinnen zat het. Nu, jaren later, kan hij dat loslaten. “Ik heb ook een fantastisch leven. Een gezin, kinderen, werk. Alles loopt op rolletjes.”

Alcoholverslaving

Er was een periode in het leven van Binnendijk dat alles niet vlekkeloos verliep. Vanaf zijn veertiende, vijftiende begon het drinken. Eerst als jongen onder elkaar. Later werd het meer. Bij Sparta speelde prestatiedruk een rol. Het perfectionisme. Altijd beter willen, altijd meer. En als dat niet lukt, zoeken naar een uitlaatklep. “Ik was op mijn werk al bezig met: hoe ga ik zorgen dat ik straks weer kan drinken?” vertelde hij eerder. Tien tot vijftien biertjes op een maandag was geen uitzondering. In het weekend was er geen rem.

Er kwam een moment waarop het thuis escaleerde. Een breekpunt. Zijn vrouw stelde een ultimatum: stop, of ik ga weg met je kind. Dat was de spiegel die hij niet meer kon ontwijken. Hij belde klinieken. Zestig, schat hij. Overal wachttijden van drie tot zes maanden. Onmogelijk. “Ik had directe hulp nodig.” Via een interventie kwam hij twee weken later in Bilthoven terecht. Daarna zes weken in een kliniek in Zuid-Afrika.

Hij werd geconfronteerd met zichzelf. “Je krijgt schadebrieven van mensen uit je omgeving. Wat je hen hebt aangedaan.” De brief van zijn zus sneed het diepst. Ze was bang om elk moment een telefoontje te krijgen dat hij er niet meer was.

Toen hij terugkwam, vlak voor de eerste verjaardag van zijn zoon, begon het echte werk. Nuchter blijven in het gewone leven. Op feestjes een colaatje inschenken terwijl anderen bier drinken. Accepteren dat gezelligheid niet afhankelijk is van alcohol. Inmiddels is hij zeven en een half jaar nuchter. Hij is niet bang voor een terugval in de klassieke zin, maar hij weet dat één biertje voor hem geen optie is. “Ik heb geen rem,” zegt hij eerlijk. Die zelfkennis houdt hem scherp.

Naast het mentale gevecht kreeg ook zijn lichaam het zwaar te verduren. “Ik heb drie keer mijn kruisband gescheurd,” zegt Binnendijk. “De eerste keer door een goede zaag. Dat was gewoon pech. Maar daarna ga je toch anders lopen, anders bewegen. Uit een MRI-scan bleek uiteindelijk dat er rechts nauwelijks nog iets over was van mijn voorste kruisband. Er zat eigenlijk niks meer. En toch wilde ik blijven spelen.”

Met hulp van fysiotherapeut Erik Buddingh werkte hij maandenlang aan zijn knie. “Erik heeft echt uren in mij gestoken. Een programma gemaakt om die knie zo sterk mogelijk te krijgen.” Zijn rentree kwam, ironisch genoeg, tegen HVC’10, de club waar hij twee jaar lang speelde. “Mijn eerste balcontact ging er meteen in. Dat was wel een momentje. Bevestiging ook. Maar tegelijk dacht ik: ik moet realistisch blijven.”

De moeilijke beslissing

Hij merkt het elke week: zijn lichaam laat niet meer alles toe, blessures spelen op en jonge spelers kloppen op de deur, waardoor het lastig wordt om nog alles te spelen. Daarom heeft hij besloten dat dit zijn laatste seizoen in het eerste wordt. “Dat is niet in één nacht gegaan,” benadrukt hij. “Daar heb ik maanden over nagedacht. Thuis discussies gehad. Je hart wil nog, maar je hoofd zegt dat het goed is.”

Het liefstsluit Binnendijk af met iets tastbaars. “We hebben een te goed team om zo veel punten te laten liggen,” zegt hij. “We moeten meedoen in die derde periode. Dat zou een mooie afsluiting zijn. Voetbal is belangrijk voor mij, maar het is niet meer mijn hele leven. Ik blijf spelen, in een vriendenteam. Gewoon voor de lol. Zonder druk. Dat lijkt me heerlijk.”

Zijn jongste zoon speelt bij de mini’s en zijn oudste zoon speelt inmiddels in de JO9 van Lyra en Jack staat zelf voor de groep. “Ik heb mijn VC1 gehaald. Mijn moeder trainde mij vroeger, nu train ik mijn eigen zoon. Dat is toch mooi? Ik ben nog zoekende naar mijn ambitie als trainer. Ik vind het leuk om met die jongens bezig te zijn. Ze iets mee te geven.”

Het gevoel van falen dat hij had na Sparta is verdwenen. “Ik heb lang gedacht dat ik had gefaald. Maar als ik nu kijk naar mijn leven, dan denk ik: waar heb ik het over?” Hij is vader, echtgenoot, trainer en nog steeds voetballer.

Klik op vv Lyra voor de laatste artikelen over de club.
Klik op vv Lyra voor meer informatie over de club.

Trots, betrokkenheid en groei: sponsoring bij GJS leeft weer

Bij GJS waait er de laatste maanden een frisse wind door de sponsoring. Geen rigoureuze koerswijziging, maar juist een hernieuwde energie vanuit de club zelf. Een grotere, betrokken groep mensen heeft de schouders eronder gezet om het bestaande fundament niet alleen te behouden, maar ook verder uit te bouwen. En dat merk je, in de gesprekken, de uitstraling én in het gevoel dat GJS weer echt samenwerkt met haar sponsoren.

“Er is altijd een basis geweest,” vertelt Robert Versendaal. “Maar we voelden dat het tijd was om daar weer nieuw leven in te blazen. Niet door alles anders te doen, maar juist door terug te gaan naar waar GJS voor staat: een club waar mensen zich thuis voelen en trots op zijn.”

Die gedachte heeft geleid tot een sponsorcommissie van elf echte clubmensen. Mensen met een hart voor GJS, die de vereniging kennen en begrijpen wat de club bijzonder maakt. ´Juist die mix van ervaring en nieuwe energie zorgt voor een sterke basis richting de toekomst. De taken zijn verdeeld, waardoor iedereen vanuit zijn of haar kracht kan bijdragen van sponsorcontact en administratie tot communicatie en evenementen.”

“Het moet leuk blijven en dat lukt nu ook,” zegt David Schefferlie. “We doen het samen, stap voor stap. Daardoor blijft het behapbaar en groeit het ook echt vanuit de club zelf.”

De commissie richt zich bewust op verbinding én ontwikkeling. GJS is wekelijks een plek waar honderden mensen samenkomen: spelers, ouders, supporters en bezoekers. Dat maakt de club een waardevol platform voor lokale en regionale ondernemers, maar bovenal een ontmoetingsplek waar relaties ontstaan en groeien.

GJS presenteert zich als een grote vereniging met een sterke jeugd, een stevig eerste elftal en een clubcultuur waarin mensen zich thuis voelen. Dat geldt ook voor de commissieleden zelf. David voetbalde er van jongs af aan, Robert speelde jarenlang in de senioren en ook Amke voetbalde sinds de jeugd bij GJS. Vrijwel allemaal spreken ze over GJS als “gewoon mijn club”.

“Die verbinding met het bedrijfsleven ligt er al,” zegt Amke Streefkerk. “Veel sponsoren hebben al een band met de club, en tegelijkertijd zien we volop kansen om nieuwe bedrijven aan te laten haken. Juist die combinatie maakt het interessant.”

Vanuit die gedachte wordt er gewerkt aan het versterken van bestaande relaties én het uitbreiden van het netwerk. Sponsoren krijgen meer zichtbaarheid, meer betrokkenheid en meer mogelijkheden om onderdeel te zijn van de clubbeleving. Tegelijkertijd wordt er gekeken naar nieuwe sponsorpakketten en initiatieven die aansluiten bij de wensen van deze tijd.

Daarnaast speelt ook de Business Club GJS (BUG) een rol binnen het netwerk van de club. Hier komen ondernemers samen die een band hebben met GJS en elkaar ook buiten het voetbal weten te vinden. De sponsorcommissie ziet het als een mooie kans om die verbinding nog sterker te maken. “Door vaker samen op te trekken en elkaar te versterken, willen we ervoor zorgen dat het netwerk rondom GJS nog levendiger wordt en dat sponsoren elkaar ook onderling makkelijker weten te vinden.”

“Bij GJS draait sponsoring uiteindelijk om meer dan alleen zichtbaarheid. Het gaat om gevoel, betrokkenheid en trots. Trots om onderdeel te zijn van een club waar elke week zoveel mensen samenkomen. Wij bieden bedrijven een podium,” vat de commissie samen. “Maar belangrijker nog: we bieden ze een plek binnen de club. We willen dat sponsoren niet alleen ondersteunen, maar zich écht onderdeel voelen van GJS.’’

Geïnteresseerd geraakt?
Bedrijven en geïnteresseerden die zich willen aanmelden als sponsor of meer informatie wensen over de mogelijkheden, kunnen contact opnemen via sponsoring@gjs-gorinchem.nl.

Klik op GJS voor de laatste artikelen over de club.
Klik op GJS voor meer informatie over de club.

Jan van der Berg is zeventig jaar verbonden aan Verburch

0

Sommige mensen groeien op bij een voetbalclub, anderen raken er op latere leeftijd bij betrokken. Voor Jan van der Berg (83) geldt dat de club al bijna zijn hele leven een vaste plek inneemt. De inmiddels zeventig jaar lid van Verburch begon er als jonge tiener met voetballen en is er nooit meer echt weggegaan.

“Toen ik begon was ik dertien jaar,” vertelt Jan. “Dat was in die tijd de leeftijd waarop je pas mocht gaan voetballen. Tegenwoordig beginnen kinderen al veel eerder, maar toen was dat anders.”

Zoals veel jongens uit het Westland doorliep hij de jeugdelftallen van de club. Uiteindelijk kwam hij terecht bij de senioren, waar hij voornamelijk in het eerste elftal speelde. “Ik stond meestal linksback of links op het middenveld. Dat vond ik een mooie positie, daar kon ik me lekker uitleven.”

Zijn actieve voetbalcarrière duurde niet zo lang als hij misschien had gehoopt. In 1976 kreeg Jan te maken met een zware knieblessure. “Mijn kniebanden moesten geopereerd worden en daarna zat ik in het gips.” Dat bleek een kantelpunt. Hij stopte met spelen in het eerste elftal en ging later nog wel een tijd door bij de veteranen.

Maar ook daarna bleef zijn lichaam hem parten spelen. In 1984 moest hij geopereerd worden aan een hernia. “Daar heb ik heel veel therapie voor gehad,” vertelt hij. Het betekende uiteindelijk ook het einde van zijn voetbaljaren op het veld.

Toch bleef hij sportief bezig. “Een jaar later ben ik gaan hardlopen. Dat ging eigenlijk best goed met mijn hernia.” Wat begon als rustig bewegen voor herstel groeide uit tot een vaste gewoonte. “Met voetbal liep ik altijd al veel, dus dat zat er wel een beetje in.”

Altijd betrokken bij de club

Hoewel hij het voetballen zelf inmiddels niet meer mist, is Jan nooit losgekomen van Verburch. Hij noemt zichzelf een echte clubman. Dat blijkt ook uit de vele taken die hij in de loop der jaren op zich heeft genomen.

Zo zat hij maar liefst 25 jaar in de fancyfaircommissie van de vereniging. “Dat waren altijd drukke dagen, op zaterdag en zondag. We organiseerden van alles. Het rad van avontuur bijvoorbeeld. Daarmee probeerden we geld binnen te halen voor de club.”

Die betrokkenheid bleef niet onopgemerkt. Na een half jaar in de commissie werd hem al gevraagd om meer taken op te pakken. “Toen ben ik ook betrokken geraakt bij de sponsorcommissie.”

Zijn werk bestond onder meer uit het regelen en onderhouden van reclameborden langs het veld. “Ik haal de oude borden weg en hang de nieuwe op. Ook probeer ik nieuwe sponsors binnen te halen.” Daardoor heeft hij nog altijd regelmatig contact met de sponsorcommissie van de club.

Ook de afgelopen tien jaar is Jan nog meerdere dagen per week op het sportcomplex te vinden. Als vrijwilliger in de zogenoemde VUT-ploeg helpt hij bij het onderhoud van de accommodatie.

“Elke maandag en vrijdag zijn we hier bezig. Dan maken we de accommodatie schoon. Kleedkamers, kozijnen, dat soort dingen.” Het is werk dat vaak onzichtbaar blijft voor de buitenwereld, maar wel essentieel is voor het functioneren van de club.

Voor Jan is het meer dan alleen een klusje. “De voetbalclub is ook een beetje een uitlaatklep. We zijn hier drie of vier ochtenden per week. Dan drink je een kop koffie, maak je een praatje en heb je het over van alles.”

Natuurlijk gaat het gesprek vaak over voetbal. “Over andere clubs, over Feyenoord, Ajax en hoe het allemaal beter kan” zegt hij lachend.

Hoewel hij zelf niet meer speelt, is Jan nog regelmatig op het complex te vinden wanneer het eerste elftal thuis speelt. “Die wedstrijden kijk ik nog heel veel,” vertelt hij.

Hij volgt het team kritisch, maar met een warm hart. “Ik vind dat de selectie van Verburch goed is. Er kan misschien nog wel meer uitgehaald worden, want degraderen hoeft volgens mij niet. Het zou zonde zijn als ze degraderen. Dat zou ik ze echt niet gunnen.”

Lid van verdienste

Voor zijn inzet kreeg Jan tijdens een jaarvergadering een bijzondere erkenning: hij werd benoemd tot lid van verdienste. Toch blijft hij daar zelf bescheiden onder. “Ik vind dat niet zo belangrijk,” zegt hij nuchter. “Maar het is natuurlijk wel een stukje waardering.”

Ook kreeg Jan een lintje van de burgemeester. Een onderscheiding die van hem niet had gehoeven, maar achteraf toch erg is gewaardeerd. Kort geleden bereikte hij nog een andere mijlpaal: hij is inmiddels zeventig jaar lid van de club. Een uitzonderlijk lange periode waarin hij vrijwel alle veranderingen bij Verburch van dichtbij heeft meegemaakt.

Westlandse mentaliteit

Wat hem al die jaren bij de club heeft gehouden, is volgens Jan vooral de sfeer. “Verburch is een goede sociale club. Dat vind ik belangrijk.”

Hij hoopt dat de club ook in de toekomst die typische ‘Westlandse mentaliteit’ blijft behouden. “Soms komen er mensen van buitenaf bij, dat hoort erbij. Maar je wilt wel dat die mentaliteit blijft.”

Die mentaliteit omschrijft hij simpel: mensen die voor elkaar klaarstaan en elkaar helpen wanneer dat nodig is. “We zijn hier misschien wat direct. Maar we hebben alles voor elkaar over.”

Klik op vv Verburch voor de laatste artikelen over de club.
Klik op vv Verburch voor meer informatie over de club.

Roy Vermolen: dertien jaar strijd, één moeilijke beslissing

Ze noemen hem Mister FC ’s-Gravenzande. Niet omdat hij daar zelf ooit om gevraagd heeft, maar omdat het bijna vanzelfsprekend werd. Dertien seizoenen in het eerste elftal. Ongeveer 340 officiële wedstrijden. Aanvoerder. Aanjager. En altijd bereid om zijn been ergens tussen te zetten.

Vorig seizoen kwam er een einde aan dat verhaal bij FC ‘s-Gravenzande. Niet omdat Roy Vermolen (32) er klaar mee was. Niet omdat hij geen zin meer had. Maar omdat zijn lichaam de beslissing nam die hij zelf nog niet wilde nemen.

“Het was noodgedwongen,” zegt Vermolen rustig. “En dat maakte het zo moeilijk.”

Zijn linkerknie is versleten. Het is geen blessure die je even met rust oplost. Geen pijntje dat je weg traint. Een stuk kraakbeen is verdwenen, het gewricht beschadigd. De oorzaak ligt jaren terug. Een gebroken enkel zorgde ervoor dat hij onbewust zijn andere been ging ontzien. Dat been werd de werkpaard-kant. De kant waarmee hij duels aanging, tackles inzette, meters maakte. “Ik heb roofbouw gepleegd op mijn lichaam,” zegt hij zonder spijt in zijn stem. “Met alle liefde. Dat was mijn spel.”

Bij de Bergman Kliniek kreeg hij uiteindelijk duidelijkheid. Een operatie was mogelijk, maar ingrijpend. Een jaar revalideren, zonder garantie dat het weer goed zou komen. De boodschap van de arts was helder: de knie is kapot. Doorgaan betekent risico op een kunstknie op relatief jonge leeftijd. “Ik zat in de auto naar huis en toen kwam het besef: ik moet gaan stoppen. Dat deed heel veel pijn.”

De eerste maanden zonder voetbal

Het eerste halfjaar na zijn afscheid voelde vreemd. Doordeweeks viel het mee. “Ik was geen trainingsbeest dat elke dag nog even extra ging,” lacht hij. “Dus die avonden waren niet het zwaarst.” De zaterdagen wel. Het toeleven naar een wedstrijd. De spanning in de kleedkamer. Het gevoel van verantwoordelijkheid. Dat miste hij. “Ik dacht dat ik vaker zou gaan kijken,” zegt hij eerlijk. Dat gebeurde minder dan verwacht. Een paar wedstrijden bezocht hij, en zodra hij langs de lijn stond, kwam het gevoel meteen terug. De bekende gezichten. De vaste supporters. De hechte gemeenschap.

Vermolen koos bewust voor een harde knip. Geen lager elftal. Geen rol in de staf. Geen wekelijks rondje over het sportpark. “Als ik lager ga voetballen, ga ik me irriteren. Dat werkt niet.”

Hij wil eerst ervaren hoe het is zonder voetbal. Na dertien seizoenen waarin zijn leven was ingericht op het ritme van competitie, trainingskampen en verplichtingen. “Van eind juli tot eind mei was het eigenlijk altijd voetbal. Dat valt nu weg. Dat is soms ook wel lekker.”

Van Westlands jongetje tot aanvoerder

Zijn verhaal begon bij Rood-Wit, de voorloper van de huidige fusieclub. Op zijn zesde ging hij voetballen, zoals zovelen. In de E-jeugd werd hij gescout door ADO Den Haag. Hij liep stage bij Feyenoord, maar mocht bij ADO blijven. Vier seizoenen hield hij het daar vol.

Het verschil tussen amateur- en betaald voetbal voelde hij meteen. “Bij Rood-Wit stak ik er bovenuit. Bij ADO waren het allemaal jongens die dat bij hun club ook deden.” Hij groeide nauwelijks in die jaren, brak zijn enkel in zijn laatste seizoen en verloor terrein. Het profavontuur eindigde.

Terug in ’s-Gravenzande brak hij door in een periode waarin de club zichzelf opnieuw moest uitvinden na de fusie. In zijn eerste seniorenjaar nam hij het nog niet zo serieus. Vrienden, vakanties, andere prioriteiten. Tot hij bij het eerste werd gehaald en daar bleef staan.

De aanjager

Aanvoerder werd hij onder trainer Frans Danen. De spelers mochten stemmen. Hij kreeg het vertrouwen. “Dat gaf me veel zelfvertrouwen. Dan weet je dat je goed ligt in de groep. Zijn manier van leidinggeven was duidelijk. Geen geschreeuw. Geen grote toespraken. Mijn taak was in het veld voorop gaan. Niet te veel lullen en gewoon doen.”

Vermolen was de speler die het vuile werk niet schuwde. Een verdedigende middenvelder die het ritme bepaalde met duels en loopacties. Niet altijd de mooiste speler, maar wel essentieel. “We hadden niet veel jongens die met dat bijltje hakten. Op mijn positie moest dat soms.”

Dertien seizoenen leveren herinneringen op. Kampioen worden in de eerste klasse in 2017. De overstap naar de vierde divisie. Zich daar vestigen als vaste waarde. De districtsbeker winnen. Een oefenwedstrijd tegen Swansea City. En die onverwachte promotie naar de derde divisie waarin het eerste elftal vorig seizoen actief was “Die derde divisie beviel leuker dan we dachten. We konden aardig meekomen en de energie bleef positief ondanks de verre uitwedstrijden en vele nederlagen.”

Zijn beste elftal? Onder trainer Richard Elzinga, denkt hij. Het seizoen waarin ze kampioen Noordwijk twee keer versloegen en in die wedstrijden lieten zien wat er in de ploeg zat. “Toen zat iedereen op zijn top. Toch zit zijn trots niet alleen in prijzen of uitslagen. Wat mij misschien nog wel meer voldoening geeft, is dat er jarenlang een kern van eigen jongens stond. Er waren jaren dat er acht spelers uit ’s-Gravenzande zelf in het elftal stonden. Dat is op dit niveau best uniek. Dat maakt deze club mooi.”

Rond zijn 24e, 25e lag er voor Vermolen een kans om hogerop te gaan, richting de tweede divisie. Hij twijfelde, maar bleef. “Achteraf heb ik daar geen moment spijt van gehad. Dit is ook mooi. Dertien jaar bij één club. Ik geloof dat het ook een signaal afgeeft aan jongere spelers: dat je niet altijd hoeft te vertrekken om iets neer te zetten, dat trouw blijven aan je club net zo goed een mooie keuze kan zijn.”

Zijn afscheid kreeg een passend slot. Er werd een afscheidswedstrijd georganiseerd, twee teams vol bekenden. Voor hem één, voor Yuri Westhof één. Alleen maar jongens met wie hij door de jaren heen iets had opgebouwd. Geen officieel ceremonieel gedoe, maar een dag vol herkenning, oude verhalen en veel gelach. Want dat is wat hij het meest gaat missen: de dingen eromheen. De kleedkamer na een training, de donderdagavonden in de kantine, trainingskampen, het onderlinge geouwehoer.

Binnenkort is Vermolen hoogstwaarschijnlijk weer actief te vinden op de club. Zijn zoon Kris is viereneenhalf. “Hij zal binnenkort op voetbal gaan en dan is er vast een trainer nodig en rol ik er langzaam weer in.”

Het is uiteindelijk niet gelopen hoe ik het had gewild, maar wel een mooie manier om het af te sluiten. Aan het einde van een seizoen. Niet halverwege.” Mister FC ’s-Gravenzande stopt, de club gaat door, generaties wisselen, maar wie daar jarenlang het middenveld bewaakte met strijd en passie, verdwijnt niet zomaar uit het geheugen.

Klik op FC ‘s-Gravenzande voor de laatste artikelen over de club.
Klik op FC ‘s-Gravenzande voor meer informatie over de club.

Jan de With maakt zich hard voor de damesafdeling binnen HSSC’61

Jan de With had het waarschijnlijk zelf ook niet voorspeld. Dat hij, als jongen uit Schoonrewoerd die zelf pas op zijn zestiende begon met voetballen, later zo nadrukkelijk verbonden zou raken aan het vrouwenvoetbal van HSSC’61. Dat hij dertien jaar jeugdtrainer zou worden van meisjesteams. Dat hij nu, op zijn 55e, één van de vaste gezichten zou zijn rond Dames 1. En dat zijn eigen leven daarin zo ongeveer samenviel met de opkomst van het meiden- en vrouwenvoetbal in Nederland.

Hij kreeg drie dochters die alle drie wilden voetballen. “Dat had ik eerlijk gezegd ook niet verwacht,” zegt Jan.

Het tekent niet alleen zijn gezin, maar ook een bredere ontwikkeling binnen de club. Want HSSC’61, de Hei- en Boeicopse en Schoonrewoerdse Sportcombinatie, is misschien niet de eerste vereniging waar je aan denkt als het over vrouwenvoetbal gaat, maar heeft het op dat vlak opvallend goed voor elkaar. Zeker voor een club uit een relatief kleine dorpsomgeving.

Drie dochters, drie voetballers

Het begon thuis. Jan is zelf gek van voetbal. Niet als grote naam of voormalige topspeler (hij zegt het zelf nuchter: nooit hoger dan het tweede, en pas laat begonnen) maar wel als liefhebber, als clubman, als iemand die het spel ademt. Toen hij en zijn vrouw kinderen kregen, hoopte hij stiekem toch wel op een voetballend kind. Alleen: het werden drie dochters.

Zijn vrouw zag die kinderen in eerste instantie liever richting de hockey gaan. Dat was, vijftien jaar geleden zeker, ook niet zo vreemd. Vrouwenvoetbal was toen nog lang niet wat het nu is. Het had minder status, minder zichtbaarheid, minder vanzelfsprekendheid. “Toen was voetbal voor meisjes toch nog iets minder gewoon. Mijn vrouw dacht ook wel: is dat nou echt een sport voor meiden?”

Bij de oudste dochter werd de keuze nog opengehouden. Zij mocht zowel hockey als voetbal proberen. Kijken wat beter voelde. Uiteindelijk werd het voetbal. En toen ging het snel. De andere twee volgden. Gewoon, omdat ze het leuk vonden.

Van vader langs de lijn naar trainer

Wie kinderen op voetbal heeft, weet hoe snel je als ouder de club in kunt worden gezogen. Zeker bij een dorpsvereniging. Jan belandde eerst vanzelfsprekend langs de lijn, maar al snel ook ernaast. En er middenin. Dertien jaar lang was hij trainer van de meisjesafdeling.

“Uiteindelijk wil je gewoon dat die meiden kunnen voetballen. En als er dan iemand nodig is om daar iets in te doen, dan stap je erin.” Zo groeide hij met die teams mee. En met zijn eigen dochters ook. De jongste is nu zeventien, de middelste twintig. De oudste is inmiddels zelfs verder dan HSSC’61: zij vertrok op haar vijftiende, werd opgepikt, speelde bij Jong PSV en komt nu uit voor Excelsior op eredivisieniveau. De jongste dochter speelt nu in Dames 2. De middelste heeft bij Dames 1 gespeeld, maar is geblesseerd en twijfelt of ze nog doorgaat.

Dit seizoen is hij voor het eerst actief bij de seniorenvrouwen. Niet alleen, maar samen met drie anderen. Ze trainen en begeleiden de damesgroep in een constructie die vooral is ontstaan uit noodzaak én gezond verstand. “Er was weinig animo om het alleen te doen. En het begeleiden van zo’n groep kost gewoon veel tijd. Dus werd besloten het op te delen met z’n vieren.”

Jan richt zich vooral op Dames 1, al is de structuur breder. Want de club heeft niet alleen twee damesteams maar ook meerdere meisjesteams. Wie een beetje rondkijkt in de regio, ziet het verschil. Veel kleinere dorpsclubs hebben moeite om überhaupt één vrouwenteam overeind te houden. Laat staan twee seniorenteams en meerdere meisjesteams. HSSC’61 heeft dat wel. “Dat is best uniek. Zeker in deze omgeving.”

“De opmars van het Nederlands vrouwenelftal speelde daar een grote rol in. Toen mijn jongste dochter in beeld kwam als voetballertje, was het vrouwenvoetbal in Nederland net aan een stevige opmars bezig. Oranjevrouwen werden zichtbaar en succesvol. En daarmee werd voetbal voor meisjes ineens veel normaler. Dat heeft echt geholpen.”

“Alle meiden en dames die op voetbal zitten, die wil ik daar ook houden. Daarom doe ik dit vrijwilligerswerk. Ik heb redelijk lange werkdagen, sta ’s morgens vaak om kwart over vijf op en moet dan haasten om op tijd op het trainingsveld te staan. Maar ik doe het graag.” Hij zegt zelf dat hij ook graag thuis is. Maar wie hem hoort praten, weet ook: hij is net zo graag op de club. “Dat is eigenlijk mijn tweede thuis.”

Een jaar eruit, en meteen het gemis

Dat gevoel werd hem extra duidelijk toen hij een jaar moest afhaken na een heupoperatie. Even niet op het veld, niet trainen, niet begeleiden, niet onderdeel zijn van een team. Juist dan merk je wat je mist. “Je mist de betrokkenheid. Bij een team, bij de groep.”

Klik op HSSC’61 voor de laatste artikelen over de club.
Klik op HSSC’61 voor meer informatie over de club.

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Ontvang nu ook maandelijkse het laatste nieuws uit het amateurvoetbal in jouw regio.