Zelf altijd op een aardig niveau gevoetbald, had Kelvin Hunter eigenlijk nooit echt de ambitie om coach te worden. Tot ze hem bij Melissant vroegen, of hij het zag zitten om aan te sluiten. Daar eenmaal aan begonnen, kan de jeugdtrainer van de O17 van de club inmiddels eigenlijk niet meer zonder. “Vooral de groep maakt het ontzettend leuk!”
Een groep die Hunter (44) ondertussen alweer zes jaar onder zijn hoede heeft. “Ik ben begonnen op een half veld, en ben daarna altijd met ze meegegaan.” En dat terwijl de voormalig speler van onder meer Barendrecht, zelf nooit echt had verwacht dat hij trainer zou worden. “Mijn twee zoontjes voetballen in het team, dus op een gegeven moment kwamen ze van de club naar mij toe, of ik aan wilde sluiten. Dat heb ik jarenlang heel prettig gedaan samen met Patrick Stolk.” Die inmiddels gestopt, is de inwoner van Melissant tegenwoordig met Arnoud Both (trainer), Johan Nieuwenhuijzen (trainer), Jan de Bruin (trainer) en Mirjam van Dam-Lodder (grensrechter) verantwoordelijk voor de O17. “Bijna al die gasten willen het onderste uit de kan halen, dat is voor ons als staf natuurlijk wel mooi. Ik ben zelf ook heel fanatiek. Anders was ik waarschijnlijk al eerder afgehaakt.”
Keihard nodig
Al is de uitdaging groot genoeg, vertelt Hunter. “We zijn maar een kleine club, dus je hebt binnen ons team te maken met behoorlijk wat leeftijdsverschil. Zo wordt mijn ene zoontje binnenkort zestien en is de andere nog maar veertien. Ook hebben we er een paar rondlopen van dertien, maar ook spelers met dispensatie. En ook nog twee meiden.” Hoe dat is voor hem als trainer? “Het gaat goed, alleen merk je wel dat de jongens enorm groeien in kracht.” Zaken waar regelmatig over wordt gesproken, zo legt Hunter, die een eigen dartwinkel heeft, uit. “In de eerste jaren merkte je dat leeftijdsverschil nog meer, dus hebben we het daar wel met elkaar over gehad. Zo van, dit is Melissant, we hebben elkaar allemaal keihard nodig. We moeten het samen doen, om wedstrijden te kunnen spelen. Dus kun je beter elkaar beter maken, dan afbranden.”
Gelukkig zit het wat dat betreft, wel goed, zo blijkt. “Het is een heel fanatieke groep, dat zie je ook aan de opkomst. Je kunt ze niet altijd behandelen als profs en alleen maar de beste elf opstellen, maar ze geven wel aan dat ze het extra leuk vinden als we het maximale van elkaar vragen. Op zaterdag willen ze allemaal graag presteren. Al begrijpen ze ook, dat iedereen moet spelen.” En Hunter zelf, met al zijn ervaring, natuurlijk ook. “Ik ben op mijn vijfde begonnen met voetballen bij Barendrecht, verder heb ik voor VVGZ en Feyenoord gespeeld.”
Tot blessures, waar de voormalig spits tot dan toe nooit last van had, roet in het eten gooiden. “Tussen mijn achttiende en twintigste begon het eigenlijk. Enkelband, middenvoetsbeentje en gebroken sleutelbeen. Na een duel met een verdediger viel ik op mijn schouder, en stak mijn bot naar buiten. Dat was kort na een andere blessure, opnieuw lang revalideren. Daarna heb ik nog wel in een vriendenteam gezeten, maar ik bleef last houden, vooral van mijn enkel.”
Bal laten gaan
Gelukkig heeft Hunter bij Melissant én als trainer, zijn geluk wat dat betreft weer helemaal gevonden. Hoe is hij eigenlijk bij de dorpsclub terechtgekomen? “Ik leerde mijn vrouw kennen, die kwam uit Heerjansdam, ik woonde op dat moment in Rotterdam. Toen zijn we achttien jaar geleden naar Melissant verhuisd, omdat het hier toch minder druk is. Uiteindelijk zijn we nooit meer weggegaan.”
En is hij dus verknocht geraakt, aan de plaatselijke voetbalvereniging. “Het is een enorm contrast, met bijvoorbeeld Barendrecht of Feyenoord. Het is hier heel klein en echt ons kent ons. Daarom is iedereen ook bereid om strijd te leveren met elkaar.” Waar voelt hij zichzelf het meeste thuis? “Bij die grote clubs is het vaak toch wel wat harder en je hebt te maken met politiek. Dat heb je hier bijna niet. Daar moest ik in het begin wel even aan wennen, omdat ik gewend was altijd te moeten presteren op het hoogste niveau, je kon niet verslappen. Maar ik vind het prachtig.”
Hoewel het natuurlijk niet met elkaar te vergelijken valt. “Al hebben we nu een heel mooie lichting.” Een lichting die Hunter zoveel mogelijk, probeert mee te geven van wat hij zelf heeft geleerd. “Dat maakt het voor mij zo mooi om trainer te zijn.” Ook in combinatie met zijn zoontjes. “Dat gaat tot nu toe hartstikke goed! Ik pak vooral mijn oudste onbewust misschien juist wat harder aan.” Trots op zijn jongens én het team, is wat Hunter betreft dan ook een understatement. “We zijn volgens mij al drie keer kampioen geworden, dat is natuurlijk vooral voor die gasten heel erg mooi.” De manier waarop, is voor de jeugdtrainer zelf, dan weer wat belangrijker. “Ik ben een voetballende trainer. Dus ik hamer heel erg op voetballen, de bal laten gaan en niet in de duels komen. Van kant naar kant, geen kluitjes en niet te veel lange ballen.”
Positiespel, zoals ze dat bij Barcelona of het Spaanse elftal spelen. “Echt dat tiki-taka, daar houd ik van.” Van rondo’s tot drukzetten. “Daar heb je een goede conditie voor nodig, zowel in het omschakelen als het aansluiten.” Eén ding mag duidelijk zijn, Hunter geniet met volle teugen van het trainerschap. “Vooral de groep maakt het leuk om trainer te zijn. In hun fanatisme en hoe ze met elkaar omgaan. Voor en met elkaar.” De oud-voetballer gaat iedere week dan ook met plezier aan de slag. “Ze zijn bereid om te leren, dus is het heel leuk om ze mee te geven wat ik zelf heb geleerd. Daar word ik echt gelukkig van.”
Helemaal, als dat in de toekomst dan ook nog iets oplevert. “Mijn doel is om over een aantal jaar, zoveel mogelijk jongens in het eerste te hebben. Dan hebben we toch iets goed gedaan.” En dus moet Hunter nog wel even door, als trainer. “Na de O19, houdt het in principe op. Dus dat is nog drie jaar. Ik heb niet de ambitie om een trainerscursus te gaan doen, dat vind ik allemaal een beetje overtrokken. Je ziet het spelletje of je ziet het niet. Daar heb je in mijn ogen niet altijd een cursus voor nodig.” Al zorgt het ook, voor een klein dilemma. “Ik zou het heel lastig vinden om de groep straks los te moeten laten. Dus wie weet kan ik ooit het eerste elftal doen, samen met iemand die wel de papieren heeft!”

