ANDRÉ DE KLEIN IS TROTS OP ‘ZIJN JONGENS’ VAN DRECHTSTREEK O23

0
51
Drechtstreek

André de Klein (57) staat zaterdags en doordeweeks langs de lijn bij de Onder 23 van Drechtstreek. Zijn eerste trainersklus ooit, en meteen eentje die hem uitstekend bevalt.

Zelf voetbalde André nooit op het veld, maar in de zaal. Zijn broer wel: die stond achttien jaar onder de lat bij het eerste. Ook zijn twee neefjes voetballen bij de club dus André kwam al jaren over de vloer bij Drechtstreek. Waarom hijzelf altijd voor de zaal koos, legt hij uit. “Dat was gewoon makkelijker op een zondag. Ik zat in de scheepvaart, dus je moet wel tijd hebben om iets te kunnen doen. Als je op het veld voetbalt, moet je ook gaan trainen. Dat ging gewoon niet.” Een jaar of vier, vijf geleden vroegen de jongens van het team hem om trainer te worden. Zijn allereerste klus voor de club.

Los zand

Toen André begon, was het team “weinig meer dan los zand. Ruzies, gescheld richting de scheidsrechter, het hele pakket.” Hij trok meteen een grens. “Ik heb eerst een paar woorden eruit gehaald. Die k-woorden en zo, dat gescheld tegen de scheids, daar ben ik allang klaar mee. Ik heb gewoon duidelijke taal gebruikt: ik wil het niet horen. En anders ga je eruit, ook al ben je de beste. Laatst heb ik het ze nog een keer uitgelegd, want af en toe wil zo’n woord er toch weer uitfloepen. Ik zei: jongens, ik heb pas twee mensen weggebracht, die zijn allebei overleden aan die ziekte. Zeg dan godverdorie of wat dan ook, maar dat woord wil ik hier gewoon niet horen. Op de training ook niet. Dat kunnen hier allemaal vrienden van elkaar zijn, maar ik wil het gewoon niet horen.”

Onder André werd het team kampioen en promoveerde het naar de vierde divisie. Vorig seizoen, voor het eerst op dat niveau, was meteen pittig. Een langdurig geblesseerde keeper moest vervangen worden en de concurrentie was een stuk zwaarder dan gewend. “We wisten niet wat we moesten verwachten van de divisie. Wij kwamen er voor het eerst in, en de tegenstanders zaten er soms al twee, drie jaar. Maar ze hebben standgehouden. Leuke wedstrijden gespeeld.”

André, André, André

Wat een kampioenschap met deze groep betekent, blijkt uit het verhaal dat André met plezier ophaalt. Op de dag van het kampioenschap, uit in Hendrik-Ido-Ambacht, stonden de flessen drank al klaar in de kleedkamer voordat de wedstrijd was afgelopen. “Dan gaat het helemaal los in die kleedkamer. Dan word je op de schouders gedragen. Ze gaan ook altijd zingen over mij, op de melodie van Baila Baila: André, André, André. Die jongens kunnen me goed hebben, hoor.” Uitnodigingen om na een trainingsavond nog mee te gaan naar café Tijdloos wijst hij meestal vriendelijk af. “Ik zit de hele dag al op het voetbalveld. Dat doe ik de volgende keer wel weer.”

Fitheid was een ander punt waar André zijn stempel op drukte. Aanvankelijk wilden de jongens het liefst alleen maar partijtjes spelen. Inmiddels lopen ze standaard twee rondjes en rekken en strekken voordat de training begint. “Conditie is het belangrijkste van het voetbal. Zonder conditie ben je zo klaar.” Na een nederlaag houdt hij het menselijk: een schouderklopje in de kleedkamer, een compliment, en de boodschap dat het de volgende keer beter moet.

Trots op zijn jongens

Komend seizoen is het doel wederom handhaving, in wat mogelijk het laatste jaar van deze lichting op dit niveau wordt. Mocht de groep doorstromen richting de senioren, dan gaat André gewoon mee. “Zolang ik het leuk vind en de jongens het leuk vinden, is het goed.” Over de kwaliteiten van zijn spelers windt hij er geen doekjes om. “Ze zijn allemaal goed. De saamhorigheid is goed, en ze geven nooit op. Sta je achter, dan gaan ze gewoon door tot de laatste minuut.” Het is precies waarom André, na ruim vier jaar, nog altijd elke training staat. “Ik hou van al die jongens. Het zijn gewoon mijn jongens. En daar ben ik trots op.”