Jan de With had het waarschijnlijk zelf ook niet voorspeld. Dat hij, als jongen uit Schoonrewoerd die zelf pas op zijn zestiende begon met voetballen, later zo nadrukkelijk verbonden zou raken aan het vrouwenvoetbal van HSSC’61. Dat hij dertien jaar jeugdtrainer zou worden van meisjesteams. Dat hij nu, op zijn 55e, één van de vaste gezichten zou zijn rond Dames 1. En dat zijn eigen leven daarin zo ongeveer samenviel met de opkomst van het meiden- en vrouwenvoetbal in Nederland.
Hij kreeg drie dochters die alle drie wilden voetballen. “Dat had ik eerlijk gezegd ook niet verwacht,” zegt Jan.
Het tekent niet alleen zijn gezin, maar ook een bredere ontwikkeling binnen de club. Want HSSC’61, de Hei- en Boeicopse en Schoonrewoerdse Sportcombinatie, is misschien niet de eerste vereniging waar je aan denkt als het over vrouwenvoetbal gaat, maar heeft het op dat vlak opvallend goed voor elkaar. Zeker voor een club uit een relatief kleine dorpsomgeving.
Drie dochters, drie voetballers
Het begon thuis. Jan is zelf gek van voetbal. Niet als grote naam of voormalige topspeler (hij zegt het zelf nuchter: nooit hoger dan het tweede, en pas laat begonnen) maar wel als liefhebber, als clubman, als iemand die het spel ademt. Toen hij en zijn vrouw kinderen kregen, hoopte hij stiekem toch wel op een voetballend kind. Alleen: het werden drie dochters.
Zijn vrouw zag die kinderen in eerste instantie liever richting de hockey gaan. Dat was, vijftien jaar geleden zeker, ook niet zo vreemd. Vrouwenvoetbal was toen nog lang niet wat het nu is. Het had minder status, minder zichtbaarheid, minder vanzelfsprekendheid. “Toen was voetbal voor meisjes toch nog iets minder gewoon. Mijn vrouw dacht ook wel: is dat nou echt een sport voor meiden?”
Bij de oudste dochter werd de keuze nog opengehouden. Zij mocht zowel hockey als voetbal proberen. Kijken wat beter voelde. Uiteindelijk werd het voetbal. En toen ging het snel. De andere twee volgden. Gewoon, omdat ze het leuk vonden.
Van vader langs de lijn naar trainer
Wie kinderen op voetbal heeft, weet hoe snel je als ouder de club in kunt worden gezogen. Zeker bij een dorpsvereniging. Jan belandde eerst vanzelfsprekend langs de lijn, maar al snel ook ernaast. En er middenin. Dertien jaar lang was hij trainer van de meisjesafdeling.
“Uiteindelijk wil je gewoon dat die meiden kunnen voetballen. En als er dan iemand nodig is om daar iets in te doen, dan stap je erin.” Zo groeide hij met die teams mee. En met zijn eigen dochters ook. De jongste is nu zeventien, de middelste twintig. De oudste is inmiddels zelfs verder dan HSSC’61: zij vertrok op haar vijftiende, werd opgepikt, speelde bij Jong PSV en komt nu uit voor Excelsior op eredivisieniveau. De jongste dochter speelt nu in Dames 2. De middelste heeft bij Dames 1 gespeeld, maar is geblesseerd en twijfelt of ze nog doorgaat.
Dit seizoen is hij voor het eerst actief bij de seniorenvrouwen. Niet alleen, maar samen met drie anderen. Ze trainen en begeleiden de damesgroep in een constructie die vooral is ontstaan uit noodzaak én gezond verstand. “Er was weinig animo om het alleen te doen. En het begeleiden van zo’n groep kost gewoon veel tijd. Dus werd besloten het op te delen met z’n vieren.”
Jan richt zich vooral op Dames 1, al is de structuur breder. Want de club heeft niet alleen twee damesteams maar ook meerdere meisjesteams. Wie een beetje rondkijkt in de regio, ziet het verschil. Veel kleinere dorpsclubs hebben moeite om überhaupt één vrouwenteam overeind te houden. Laat staan twee seniorenteams en meerdere meisjesteams. HSSC’61 heeft dat wel. “Dat is best uniek. Zeker in deze omgeving.”
“De opmars van het Nederlands vrouwenelftal speelde daar een grote rol in. Toen mijn jongste dochter in beeld kwam als voetballertje, was het vrouwenvoetbal in Nederland net aan een stevige opmars bezig. Oranjevrouwen werden zichtbaar en succesvol. En daarmee werd voetbal voor meisjes ineens veel normaler. Dat heeft echt geholpen.”
“Alle meiden en dames die op voetbal zitten, die wil ik daar ook houden. Daarom doe ik dit vrijwilligerswerk. Ik heb redelijk lange werkdagen, sta ’s morgens vaak om kwart over vijf op en moet dan haasten om op tijd op het trainingsveld te staan. Maar ik doe het graag.” Hij zegt zelf dat hij ook graag thuis is. Maar wie hem hoort praten, weet ook: hij is net zo graag op de club. “Dat is eigenlijk mijn tweede thuis.”
Een jaar eruit, en meteen het gemis
Dat gevoel werd hem extra duidelijk toen hij een jaar moest afhaken na een heupoperatie. Even niet op het veld, niet trainen, niet begeleiden, niet onderdeel zijn van een team. Juist dan merk je wat je mist. “Je mist de betrokkenheid. Bij een team, bij de groep.”
Klik op HSSC’61 voor de laatste artikelen over de club.
Klik op HSSC’61 voor meer informatie over de club.

