Wie op zaterdag het complex van DVO’32 bezoekt, kan nauwelijks om René van Antwerpen heen. De 70-jarige oud-doelman van onder meer FC Den Haag en FC Vlaardingen is tegenwoordig gastheer bij de Vlaardingse club. Om acht uur ’s morgens is hij present. Koffie zetten, muziekje aan en zorgen dat iedereen netjes wordt ontvangen. Ondertussen vliegen de verhalen en anekdotes je om de oren. Van Antwerpen heeft genoeg meegemaakt en vertelt daar met een flinke dosis Rotterdamse humor over.
Hij werd geboren in Hillesluis en begon op Varkenoord met voetballen bij de gelijknamige club. Dat Van Antwerpen uiteindelijk onder de lat belandde, was geen zorgvuldig uitgestippeld carrièreplan. “Eigenlijk had ik een hele slechte motoriek en daarom werd tegen mij gezegd dat ik beter kon gaan keepen. Daarbij had ik ontzettend grote klauwen”, vertelt hij lachend.
Een beetje geluk hielp hem vervolgens verder. In 1967 stond een scout van Feyenoord langs de lijn om een ploeggenoot te bekijken. Van Antwerpen keepte toevallig een uitstekende wedstrijd en mocht naar Feyenoord. Daar speelde hij met onder anderen Harry Melis, Arie Damsma en Bennie Wijnstekers.
Zijn plakboek herinnert aan een prachtige periode. Een voorwedstrijd in een volle Kuip, samen met Dorus Manders met de Europa Cup in 1970: de ene herinnering volgt de andere op.
Het eerste elftal van Feyenoord haalde hij uiteindelijk niet. Zijn kapsel hielp daarbij ook niet bepaald. “Toen ik een jaar of zeventien was, hadden we allemaal lang haar. Bij Feyenoord moest ik naar de kapper, maar dat verrotte ik.” Het leverde de bijzondere situatie op dat Van Antwerpen wel voor het Nederlands jeugdelftal speelde, maar bij Feyenoord niet in de regionale A-jeugd omdat hij weigerde zijn haar te laten knippen.
FC Den Haag kreeg lucht van de situatie en sprak, zonder dat Van Antwerpen het wist, met zijn vader. Zo belandde hij in Den Haag. Daar paste zijn kapsel in ieder geval beter. “Daar hadden ze sowieso allemaal lang haar, met Tsjeu La Ling, Cees Storm en Leentje Swanenburg.”
Van Antwerpen speelde veel in het tweede onder Rinus Loof. FC Den Haag beschikte over een sterke generatie en werd met dat elftal drie keer kampioen van Nederland. Vujadin Boskov noemt hij de beste trainer die hij in zijn loopbaan heeft gehad.
Ook contractbesprekingen gingen er in die tijd anders aan toe. Voor een gesprek met voorzitter Dé Stoop kreeg Van Antwerpen advies van Aad Mansveld: trek een spijkerbroek met veel zakken aan en begin vooral over je kinderen. Hij volgde de instructies keurig op. “Dus tijdens het gesprek begon ik daarover en kreeg ik weer een bak met contant geld. Stoop zat met je te onderhandelen met een koffer vol geld.” Alleen al de gedachte eraan zorgt jaren later nog voor een glimlach.
Er waren ook sportieve dieptepunten. Op 9 mei 1976 stond Van Antwerpen met FC Den Haag tegenover zijn oude club Feyenoord. Het werd 1-8. Veel woorden hoeft hij daar nog altijd niet aan vuil te maken.
Later kwam hij bij FC Vlaardingen terecht en ook daar maakte hij genoeg mee. Zelfs een faillissement. De KNVB stond garant voor de salarissen, terwijl de omstandigheden steeds opmerkelijker werden. “We gingen met de trein naar wedstrijden en moesten onze tenues zelf wassen. Ook maakten we zelf de opstellingen en lieten we alle spelers die nog geen club hadden spelen.”
Na zijn profcarrière ging Van Antwerpen bij Fluks voetballen. “Kreeg ik natuurlijk helemaal geen geld. Ik werd amateur”, zegt hij met een lach die doet vermoeden dat het verhaal wellicht iets anders lag.
Na zijn actieve loopbaan werd hij trainer bij onder meer Animo Hoogvliet, Deltasport, MSV’71 en SV Lombardijen. Bij Deltasport was het geld op en waren vrijwel alle spelers vertrokken. Van Antwerpen ging er gratis aan de slag. Het sportieve succes bleef beperkt. “We verloren alles met een nulletje of twaalf.”
Uiteindelijk werd DVO’32 een belangrijke club voor hem. Hij was er trainer van het tweede en technisch coördinator. In een eerdere periode als technisch coördinator speelde DVO’32 in de derde klasse en werd de club Vlaardings kampioen. VFC werd destijds met liefst 7-2 verslagen.
Tegenwoordig hoeft Van Antwerpen zich niet meer met het technische beleid te bemoeien. Dat past hem eigenlijk prima. Na hartfalen in 2010 moet hij bovendien rekening houden met zijn gezondheid, maar thuisblijven op zaterdag is geen optie. “Zaterdag is mijn dag!”
Als gastheer ontvangt hij scheidsrechters en teamleiders en wijst hij bezoekers de weg. Om acht uur begint hij met koffie en muziek. Vooral voor de vrijwilligers die nog eerder beginnen, heeft hij veel respect. “Die jeugdleiders staan om half negen al op het veld voor de wedstrijden van de kinderen.”
Zelf kijkt hij tegenwoordig liever naar het tweede dan naar het eerste. In de middag nog een biertje en dan zit zijn zaterdag erop. Een leven zonder voetbal lijkt voor Van Antwerpen simpelweg geen serieuze mogelijkheid. En zolang hij bij DVO’32 rondloopt, krijgt iedereen die binnenkomt naast een warm welkom waarschijnlijk ook nog een mooi verhaal mee.

