Eén keer in de week neemt Marcel Bode de selectiekeepers van de JO15, JO17 en JO19 van RVVH onder handen. “Werken aan de basis”, omschrijft hij de wekelijkse sessies. “Hard trainen, maar ook veel praten. Zelfvertrouwen is het allerbelangrijkste.”

Bode sprong op sportpark Ridderkerk in het gat dat was ontstaan door het vertrek van de vorige keeperstrainer. “Dat was halverwege vorige seizoen. Zo midden in het seizoen zonder keeperstrainer zitten was niet goed voor die jongens. Ik heb ja gezegd, al is het niet even makkelijk omdat ik vrachtwagenchauffeur ben. Eén keer in de week is daarom het maximale.”

Dat RVVH de 46-jarige Ridderkerker benaderde, was niet onlogisch. Bode was in het verleden bij diverse clubs keeperstrainer. “Ik heb keepen zelf altijd geweldig gevonden. Ik ben ooit als klein jongetje begonnen met korfballen bij Sagitta, maar na een schoolvoetbaltoernooi ben ik gevraagd om keeper te worden bij RVVH. Ik heb een tijdlang beide sporten gecombineerd. Ik was als keeper zo gek als een deur. Ik dook echt op alles.” De voorliefde voor duiken merken ook de RVVH-jeugdkeepers. “Ik hou van oefeningen met springen en duiken. Explosiviteit dus”, aldus Bode, wiens eigen carrière al in de dop geknakt werd. Als doelman van de Feyenoord-amateurs scheurde hij zijn kniebanden. “Het was niet mijn eerste blessure. Voor mij was het welletjes.”

Hij nam afstand van het voetbal, maar keerde in 2000 terug. Bij Bolnes waar hij twee seizoenen de jeugdkeepers trainde. “Daarna heb ik vier seizoenen gezeten bij Zwaluwen Vlaardingen, en drieënhalf jaar bij Slikkerveer.” Bij die laatste club was zijn zoon Marijn inmiddels gaan spelen. Uiteraard als keeper. “Ik heb hem nooit gepusht om keeper te worden, dat is uit hem zelf gekomen. Ik vind het wel leuk dat we dezelfde passie delen.” De nu 16-jarige Marijn stapte als eerstejaars D-pupil over van Slikkerveer naar RVVH. Op sportpark Ridderkerk staat hij te boek als een groot keeperstalent. Niet voor niets besloot de technische commissie de één meter en 94 centimeter sluitpost, die eigenlijk nog in de JO17 mag spelen, door te schuiven naar de JO19. “Dat doen anderen. Dat zou ook een ongezonde situatie zijn. Ik beperk me tot het trainen van mijn vijf keepers en indeling en selectie is een zaak van de jeugdcommissie. Zo voorkom je belangenverstrengeling.”

“Tijdens de training behandel ik iedereen op dezelfde manier. Thuis ben ik pap, bij RVVH de trainer. Wij kunnen dat goed scheiden.” Marijn Bode heeft het nooit als een probleem ervaren dat zijn vader zijn trainer is. “Natuurlijk hebben we ook thuis wel eens over keepen en wat ik goed of niet goed heb gedaan in de wedstrijd. Maar daar leer ik alleen maar van. Soms ga ik in discussie.”

Pa: “Met al mijn keepers praat ik veel. Het is niet alleen maar hard trainen. Ja, ik ben van het harde werken, maar keeper zijn heeft heel veel met vertrouwen te maken. De grootste fout is dat je als keeperstrainer een keeper je stijl opdringt. Iedereen heeft zijn eigen stijl, laat keepers geen dingen doen die ze niet kunnen. Leg de nadruk op iemands sterke punten en probeer de mindere punten te camoufleren.”

Ook zoonlief heeft volgens Bode nog punten om aan te werken. “In de basis is hij een prima keeper, maar in de één-tegen-één mag hij wel wat gekker, gedurfder worden. Hij is nu te afwachtend.”