Rijnmond-Glenn-Boon-Piet-Boon-HVC'10

Een speler die met zijn trainer op vakantie gaat. Dat is zeker niet de normaalste zaak van de wereld, wel als het om vader en zoon gaat. Sinds dit seizoen is Piet Boon trainer van HVC’10, waar zoon Glenn (27) van achteruit de lijnen uitzet.

Zijn profielfoto op Whatsapp verraadt een heerlijke vakantie. Vriendin op de nek, witte stranden en helder blauw water op de achtergrond. “Ik klaag niet, hoor”, zegt Glenn Boon. “We hebben met elkaar een topvakantie gehad.”

Zijn ouders waren dertig jaar getrouwd en dat was voor hen een mooie aanleiding om hun twee zoons en vriendinnen mee te nemen op een grote reis naar Tanzania en Zanzibar. “Dat stond al een tijdje op onze bucketlist”, reageert Piet Boon. “Je kan dat wel uitstellen, maar ik weet zelf ook hoe broos gezondheid kan zijn. We hebben gewoon gezegd: we gaan het doen.” In Tanzania ging de familie Boon op safari. Glenn: “Dat was links een olifant, rechts een gnoe. Fantastisch.” Alhoewel: “Toen een gnoe door een krokodil werd gegrepen bij het oversteken van een rivier was het wel even slikken.”

Op strandvakantie in Zanzibar gingen de Boon-mannen nog op zoek naar een bal. “Want het bloed stroomt waar het niet stromen kan, hé. Ze hebben het hele hotel uitgekamd, maar geen bal.” Dat hij bij HVC’10 herenigd is met zijn vader vindt de centrale verdediger van de Hoekse fusieclub alleen maar leuk. “We delen dezelfde passie en zitten nu ook nog in één team. Geweldig toch?” Toen HVC’10 zich bij Piet Boon meldde met de vraag of hij trainer wilde worden, stelde de oefenmeester één voorwaarde vooraf: “Glenn moest het zien zitten. Ik kan me voorstellen dat hij het ook helemaal niks had gevonden. Stiekem wist ik natuurlijk wel dat hij er geen probleem mee had.”

Glenn: “Waarom zou ik? Het is anders dan twintig jaar geleden.” Toen was zijn vader ook al trainer van hem, bij de F- en E-jeugd van Hoek van Holland. Zijn eigen zoon voortrekken was er niet bij. “Als er iemand een keer extra gewisseld moest worden, was ik de eerste.” Piet: “Dat vond hij nooit zo leuk. Dat kreeg ik thuis regelmatig te horen, want hij had zijn mondje toen ook al klaar. Ik had mezelf er ook vaak mee. We zijn allebei van het willen winnen. Als ik Glenn wisselde, sneed ik mezelf wel eens in de vingers, want als het spannend is, moet je met je beste team spelen natuurlijk.”

GEEN VOORKEURSBEHANDELING
Glenn gelooft niet dat medespelers moeilijk gaan doen nu zijn vader trainer is. Hij weet dat hij geen voorkeursbehandeling krijgt. “Als ik iets fout doe, zegt-ie dat gewoon.” “Voor mij is hij één van de jongens”, vult Piet aan. “Het is natuurlijk niet zo dat hij net komt kijken. Hij heeft al de nodige ervaringsjaren en is de laatste jaren een vaste kracht in HVC 1.”

Hem uit de basis houden zou pas gek zijn, bedoelt de trainer. Glenn: “Het zou anders zijn als ik twaalfde, dertiende man zou zijn. Ik ben een aardig zekerheidje, al moet ik het ook gewoon iedere week laten zien. Mijn vader heeft net als ik een ontzettende hekel aan verliezen. Vroeger liepen de meest simpele spelletjes thuis uit de hand. Joh, er werd wat vals gespeeld.” Piet: “Mijn vrouw zei dan bij bijvoorbeeld dammen dat ik die jongens een keer moest laten winnen. Ja, dag! Zo werkt het niet. Laat maar zien dat je beter bent.”

Die mentaliteit heeft de jonge Boon mede gevormd tot de voetballer die hij nu is. Sterk geworden, ook door tegenslagen. Na veel knieleed zette Glenn het voetballen anderhalf jaar aan de kant. “Ik wilde wel, maar kon niet. Ik heb in die voetballoze periode wel doorgetraind met fitness. Toen mijn knie weer goed aanvoelde, ben ik weer begonnen. Sindsdien heb ik geen klachten.”

De komst van zijn vader als trainer heeft er voor gezorgd dat HVC’10 dit seizoen wat verder vooruit speelt. “Dat vergt concentratie van iedereen”, meent hij. “Ook van ons als centrale verdedigers. We spelen met meer ruimte in onze rug.”

Piet wil graag progressie zien. “Natuurlijk geniet ik ervan om terug te zijn. Ik ben zestien jaar weggeweest. Acht jaar Westlandia en acht jaar Honselersdijk. Ik loop weer allemaal oude bekenden tegen het lijf. Ik train de zoons van jongens met wie ik samen heb gespeeld. Ik woon op achthonderd meter van het sportpark. Ik kan lopend naar de club, waar mijn twee jongens spelen. Dat is me veel waard.”