Als hem wordt gevraagd het veteranenelftal van Slikkerveer in één woord te vangen, dan heeft Fred Renes zijn antwoord meteen paraat: ‘Kameraadschap’. “Het voetballen is eigenlijk bijzaak. Het is dollen, gedold worden, slap ouwehoeren en veel onzin verkondigen. Maar het is oh zo gezellig. Op maandag kijk ik al uit naar zondag.”

Renes (53) mag gerust worden betiteld als de geestelijk vader van wat nu als veteranenteam door de competitie gaat. “Ik voetbalde destijds nog”, zegt hij over het prille begin, ruim zestien jaar geleden. “Het elftal bestond in het begin uit allemaal jongens van mijn werk, stuk voor stuk graancontroleurs. Ze kwamen overal vandaan, uit Spijkenisse, Rotterdam. We zijn begonnen als Slikkerveer 11.”

Kort daarvoor was Renes jeugdtrainer geworden van Slikkerveer. “We zochten een club voor mijn zoon die toen de F-leeftijd had”, vertelt hij. “Ik kom zelf oorspronkelijk uit Rotterdam en heb in het eerste elftal gespeeld bij GLZ, Steeds Hooger en Aeolus. Ik kende de clubs in Ridderkerk niet en we zijn ons eerst gaan oriënteren. Bij Bolnes had ik al snel gezien. De coaches en leiders van de F haalden daar jongetjes van zeven jaar naar de kant omdat ze in hun ogen de taken niet uitvoerden. Dat vind ik niks. Op die leeftijd gaat het om plezier en niets meer.” “Bij Slikkerveer voelde het meteen goed. De sfeer was relaxed en gemoedelijk. Geen gezeur, geen geschreeuw.

Hij werd al snel trainer van een jeugdteam. “Op de eerste speeldag werd gevraagd wie er wilde helpen met trainen en het was helemaal mooi als die persoon ook nog eens op een aardig niveau had gevoetbald. Ik heb mijn vingertje maar opgestoken. Als voetballer was ik nooit makkelijk voor een trainer, nu was het mijn beurt.”

Renes trainde twaalf opeenvolgende jaren de jeugd van Slikkerveer. “Ik heb alles gedaan, van de F tot de A. Het was een heerlijke tijd. Ik was dinsdag en donderdag op de club voor training en op zaterdag coachte ik een team. Ik was er altijd, ook als ik nachtdienst had in de haven. Dan was ik ’s morgens om acht uur thuis, ging ik een uurtje op de bank liggen om vervolgens door te gaan naar het voetbalveld. Als ik ’s middags terugkwam, lag ik tot zondagmorgen in coma. En zondag ging ik zelf voetballen. Dat kan alleen als je een vrouw hebt die je dat gunt. Gelukkig heb ik die. Yvonne en ik zijn al 35 jaar samen.”

Hij voetbalde lang door, maar vier seizoenen geleden hing Renes zelf zijn schoenen aan de wilgen. “Mijn knie”, zegt hij met een vies gezicht. “Die was op. Als ik zondag had gevoetbald, kon ik maandag, dinsdag, woensdag en donderdag amper lopen. Op vrijdag ging het wel weer. Op een gegeven moment dacht ik: je bent gek ook. Toen ben ik gestopt.”

Hij doorliep dezelfde weg als oud-ploeggenoten. Hij werd leider. “We hebben er vijf. Eentje voor de ballen, eentje voor de thee, druk dat we zijn, haha.” Maar er is volgens hem maar één ‘opper’leider. “Ik maak de opstelling. Discussies? Die voer ik niet. Of we nu met dertien of zestien man zijn, iedereen speelt. De één wat korter dan de ander, maar iedereen komt in actie.” En de Ridderkerkse veteranen blijken een aardig balletje te kunnen trappen. “We hebben vorig jaar zelfs de bekerfinale van de regio gehaald. Heel lang was ons voetbal niet serieus. Als we voorlaatste werden in de competitie was het seizoen voor ons geslaagd. Gaandeweg hebben we wat versterking gehad van leuke voetballers en nu zijn we een serieuze kampioenskandidaat.”

Sterker, met een voorsprong van acht punten op achtervolger Sportclub Feyenoord moet het raar lopen wil Slikkerveer geen kampioen worden. Renes: “Vind je het heel erg dat ik nog een flinke slag om de arm houdt?” Of Slikkerveer nou kampioen wordt of niet, de stemming zal niet veranderen. Die is volgens Renes altijd goed. “Na een wedstrijd zitten we vaak urenlang in de kleedkamer. Pilsje erbij, bitterballen. En maar lullen. Het leuke is dat we van alles wat hebben: een sloper, een bankdirecteur en een manager van een snoepbedrijf. Op zondag zijn we allemaal één. Mooi, hé!”


Rechts: Fred Renes