Chris Jansen schikt zich al jaren in de bijrol. Als assistent van hoofdtrainer Pim van Hoorn is hij bij Lyra bezig aan zijn zoveelste klus. “Hoofdtrainers hoeven niet te vrezen dat ik uit ben op hun baan.”

Tijdens de bekerderby met Quintus, met 5-2 gewonnen door Lyra, staat Jansen (64) een paar keer op vanuit zijn stoel om spelers individueel aanwijzingen te geven. En ook tijdens de drinkpauze in de eerste helft gaat hij even kort het gesprek aan met vooral de jongelingen in de ploeg. “Mij zal je aan de zijlijn niet zien schreeuwen”, reageert Jansen. “Ik heb sowieso een hekel aan trainers die schreeuwen. Dat is alleen maar storend voor spelers.”

Als assistent-trainer is hij inmiddels gepokt en gemazeld en weet hij precies wat hij wel en niet kan doen. Na zijn actieve carrière, die vooral bij SV Voorburg een hoogtepunt was (‘we promoveerden van de vierde naar de eerste klasse’), werd hij jeugdtrainer bij Vitesse Delft om vervolgens te beginnen aan een lange loopbaan als assistent-trainer. Hij diende VUC, DWO, DUNO, Nootdorp, HVC’10 en SVC’08. “Ik hoop dat ik geen club vergeten ben, want ik heb overal met enorm veel plezier gewerkt.”

Overal ook werkte hij minimaal twee seizoenen. “Twee of drie seizoenen. Dat is meestal de houdbaarheidsdatum van een trainer of assistent-trainer.” Als dat zo is, dan moet Lyra na dit seizoen op zoek naar een nieuwe assistent, want inmiddels heeft de 64-jarige inwoner van Delft er twee seizoenen opzitten op sportpark De Zweth. Jansen ziet zichzelf echter nog wel breken met zijn eigen ‘traditie’. “Ik kan me heel goed voorstellen dat ik nog een seizoen blijf. Als technische staf kunnen we het prima met elkaar vinden. We hebben dagelijks contact en nauw ook”, zegt hij over de samenwerking met hoofdtrainer Pim van Hoorn en Stefan van der Steen, de trainer van Lyra 2.

Hij voelde nimmer de drang om ergens hoofdtrainer te worden. “Mijn werksituatie maakte het ook onmogelijk”, geeft hij aan. Jarenlang was hij directeur/eigenaar van een drukkerij. “Als hoofdtrainer moet je een halve manager zijn. De tijd, die dat kost, had ik niet. Het is me tig keer gevraagd waarom ik geen hoofdtrainer wilde worden. Het antwoord daarop is eenvoudig: ik heb het altijd prima naar mijn zin gehad als assistent. Ik heb met uitstekende trainers samengewerkt. John Karelse, Bert de Best, Wim Schaap, om er een paar te noemen.” Eén periode zat hij als interim-trainer op de bank. “Wim Schaap was bij SVC’08 vertrokken vanwege persoonlijke redenen. Ik heb Wim nog gevraagd wat ik moest doen. Hij gaf aan dat het zijn probleem was en dat ik lekker moest doorgaan.”

Zijn tijdelijke job in Scheveningen verleidde Jansen niet tot meer. “In de functie van assistent ben ik veel meer met de inhoudelijke kant van voetbal bezig. Dat spreekt me aan.” Ja, hij zet pionnen neer, maar hij denkt ook mee met de hoofdtrainer. “Ik ben het klankbord van hem. Pim heeft ideeën, ik de mijne. Die bespreken we samen en de uitkomst daarvan communiceert Pim met de groep. Dat vind ik heel belangrijk, dat je met één mond praat als technische staf. Als assistent moet je je plaats kennen. De hoofdtrainer neemt altijd de eindbeslissing. Een gevaar voor de hoofdtrainer ben ik niet, het heeft voor mij geen nut om aan zijn stoelpoten te zagen.”